Interview met James Kennedy

Land van regels

De Amerikaanse historicus en UvA-hoogleraar James Kennedy maakt vijf jaar na de moord op Pim Fortuyn de staat op van de Nederlandse samenleving.

Ook hij zag de plotselinge opkomst van Fortuyn niet aankomen. Maar inmiddels heeft de Amerikaanse historicus James Kennedy wel de afstand gevonden om de periode-Fortuyn een plaats in de Nederlandse geschiedenis te geven. ‘Aanvankelijk richtte ik me vooral op de persoon Fortuyn, met al diens eigenaardigheden, maar inmiddels zie ik hem vooral als de exuberante illustratie van enkele diepverankerde zwakheden van het Nederlandse politieke bestel.’ Zo zal de hoogleraar aan de UvA Fortuyn ook duiden in de Concise History of the Netherlands, die James Kennedy toe zal voegen aan de fameuze reeks van Cambridge University Press. Kennedy: ‘Fortuyn kwam en ging, maar het fundamentele representativiteitsprobleem is gebleven. In Nederland is er een zwakke band tussen politiek en samenleving. Door de onzekerheid die daaruit voortkomt, rennen sommige politici nu slaafs achter iedere oprisping van het electoraat aan. Maar tegelijk leidt dat tot een oorverdovend gezeur over populisme. Terwijl overal de “triomf van het populisme” wordt waargenomen, neem ik juist waar dat de Nederlandse politiek nog altijd wordt gekenmerkt door een sterke antipopulistische tendens. Hier leeft nog altijd de weinig republikeinse gedachte dat de ambtsdrager met het aanvaarden van zijn ambt ophoudt burger te zijn. Goed politiek leiderschap, om een beladen term te gebruiken, vereist inderdaad enige afstand – en de nadruk op deskundigheid in de Nederlandse politiek is te prijzen – maar afstand moet je wel verdienen; die moet je veroveren in een democratie. In verkiezingen. Tijdens de verzuiling was vanzelfsprekend hoe de vertegenwoordiging was georganiseerd, maar nu die zuilen zijn weggevallen, blijkt dat een volwassen, brede opvatting van democratie ontbreekt. Dat is een fundamenteel probleem.

Eigenlijk zijn er maar zo’n drie partijen die een helder idee hebben van hun achterban, hun stemmers: SP, ChristenUnie en sgp. Door mijn protestants-christelijke achtergrond heb ik affiniteit met de ChristenUnie. Natuurlijk, voor Amerikanen is het niet eenvoudig te begrijpen hoe een orthodox-protestantse partij een coalitie kan vormen met sociaal-democraten, maar in de Nederlandse politieke context is dat natuurlijk mogelijk. Tegelijk hoop ik dat de ChristenUnie, in haar nieuwe zelfbewustzijn, niet al te zeer zal accommoderen, niet al te gemakkelijk meedoet met die seculiere blanke meerderheid die zich de laatste jaren steeds nadrukkelijker heeft laten gelden in Nederland. Dat is jammer, want Nederland is op z’n best als een land van minderheden. De enige manier om de arrogantie tegen te gaan is middels een diepe verscheidenheid. Dat is tegelijk de beste garantie voor de Nederlandse tolerantie. Niet roepen dat je anderen verdraagt als zij zich maar naar jou voegen, maar manieren vinden om andersdenkenden, werkelijk andersdenkenden, in je land te incorporeren.’

Als Amerikaanse wetenschapper in Nederland, met kennis van de taal, de cultuur en vooral de geschiedenis van ons land, hield Kennedy ons na de gewelddadige dood van Fortuyn een spiegel voor. Daarin was een volk te zien dat met lange, rustige tussenpozen plotseling een nieuwe consensus omarmt, wat gepaard gaat met verbaal geweld en waarin geheugenverlies goed uitkomt. Nu, vijf jaar na de moord op Fortuyn, benadrukt hij dat Nederland met drie grote ordeningsvraagstukken kampt. Het eerste is het genoemde representativiteitsprobleem, waaruit onder meer de weerzin tegen opiniepeilingen is te verklaren, de opmerking van cda-kamerlid Jan Schinkelshoek dat de ‘kloof tussen burger en politiek niet groot genoeg kan zijn’ en de twijfel over directere vormen van democratie, zoals de gekozen burgemeester.

Het tweede vraagstuk betreft het integreren van immigranten. Kennedy: ‘Het is de verkeerde weg om striktere eisen te stellen aan het Nederlanderschap. Om het idee van Nederlanderschap te verkleinen, zoals nu gebeurt. Het is goed dat de oude vrijblijvendheid niet meer bestaat, maar ik denk ook dat een buitenlandse achtergrond uiteindelijk toch gezien zal moeten worden als een meerwaarde voor het Nederlanderschap. Anders wordt het nooit iets.’

Het derde vraagstuk gaat over de omgangsvormen, waarvoor niet alleen Hirsch Ballin en Balkenende aandacht hebben gevraagd in het door hen geëntameerde debat over normen en waarden. Simon Kuper beweert (zie p. 11) dat de omgangsvormen in Nederland door Fortuyn definitief zijn verruwd. Kennedy: ‘Dat ben ik niet met hem eens. De respectloosheid was er al voor Fortuyn en heeft te maken met een zekere onttaboeïsering. Fortuyn is daarvan niet de auteur. Het inruilen van een stevige consensus gaat altijd gepaard met extreme uitingsvormen, een verlies aan decorum. Dat was in de jaren zestig niet anders. Maar prettig is het niet. Zelfs mijn dochter van tien moet even slikken bij de onbeschoftheid waarmee ze op school te maken krijgt. Dat was in Amerika anders.’

Kort na de dood van Fortuyn werd in verscheidene Europese landen een peiling gehouden onder expats. Westerse immigranten bleken Nederland te beoordelen als het minst aantrekkelijke land. Kennedy is zelf immigrant. Hoe vindt hij het hier? Na een lange stilte: ‘Het leven is hier prettig. Het is minder streng en hard dan in Amerika. Maar dat heeft een keerzijde. Om iets te noemen: kinderen worden hier minder uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. De onderwijzer en de klasgenoten maken vrij snel duidelijk dat het ongepast is blijdschap te tonen als je een hoger cijfer haalt dan de anderen. Leuk meedoen is hier vaak het hoogste doel.

Meer in het algemeen kan ik zeggen dat Nederland niet een gemakkelijk land is voor buitenlanders. Er bestaan hier veel ongeschreven regels. Impliciete verwachtingen. Dit is niet het toegankelijke en transparante land dat veel van jullie denken dat het is. Je moet veel “aanvoelen”; zelden zegt iemand in je gezicht wat kan en wat niet kan. Wat hoort en wat niet hoort. Mijn Amerikaanse promotor verbleef eens een jaar lang bij het nias in Wassenaar, als gast. Dat hele jaar heeft maar één van zijn collega’s hem uitgenodigd voor een etentje thuis. En die ene collega was nota bene een Belg.’

Waarschijnlijk een lastige man. Kennedy: ‘Inderdaad, een lastige man! Klopt helemaal. Maar dat maakt het toch juist extra interessant om hem uit te nodigen? Gewoon, om met hem in gesprek te gaan, over de ontwikkelingen in het vak of de wereld, al is het maar voor één avond. Als je iemand bij je thuis uitnodigt, hoeft die heus niet direct je beste vriend te worden. Typisch Nederlands om met een boog om zo’n man heen te lopen.

Maar ik wil niet klagen, want in de afgelopen jaren is er veel ten goede gekeerd. Dat komt omdat jullie minder zeker van je zaak zijn geworden. Ian Buruma beschreef eens mooi hoe hij, tijdens een concert, een lichte afkeer kreeg van al die zelfvoldane koppen om hem heen. Nederlanders meenden in meerderheid hun leven pico bello voor elkaar te hebben. Het land was af. Dat is gelukkig voorbij. Jullie noemen je eigen land nu “stuurloos”, maar ik denk dat er een gezonde onzekerheid over de eigen waarden is ontstaan. Dat is vooruitgang, want er zijn nauwelijks kwesties die gebaat zijn bij de afwezigheid van discussie. Bovendien zijn mensen sympathieker als ze een beetje onzeker zijn. In dat opzicht is het nu prettiger om hier te leven dan tien jaar terug.’