Land zonder eigenschappen

Op 5 oktober opent de Weense schrijver Robert Menasse (1954) de Frankfurter Buchmesse, waar Oostenrijk ‘Schwerpunkt’ is. Menasse wordt door veel critici als een van de grootste talenten van de laatste jaren beschouwd. Een gesprek over de vele verledens van Oostenrijk.
Van Robert Menasse verscheen eerder dit jaar de roman Schubumkehr bij uitgeverij Residenz (193 blz., f43,70). Tevens verscheen bij Suhrkamp Phanomenologie der Entgeisterung: Geschichte des verschwindenden Wissens. In 1990 verscheen Das Land ohne Eigenschaften: Essay zur Osterreichischen Identitat bij uitgeverij Sonderzahl. Deze herfst brengt Suhrkamp een geactualiseerde editie uit.
DIT VOORJAAR bracht Robert Menasse enkele maanden door in Amsterdam, waar hij op zoek hoopte te gaan naar zijn wortels. Hij houdt het voor mogelijk dat hij binnenkort een fameuze gouden-eeuwer, rabbi Menasseh ben Israel (1604-1657), als loot aan zijn stamboom kan gaan bijschrijven. Zekerheid omtrent die begeerde verwantschap is er nog niet, maar Menasse poseert gekscherend al graag als ‘halve Amsterdammer’.

Met jongensachtig enthousiasme vertelt hij me dat Menasseh een van de aanstichters van de Verlichting is. Daar zal Amsterdam van opkijken: niet in Parijs (Voltaire) of Konigsberg (Kant) begon de Verlichting, maar ergens in de buurt van de wallen.
Menasse: ‘Door zijn bereidwilligheid de discussie met andersgelovigen aan te gaan vervreemdde de rabbi zich van heel wat orthodoxe joden, maar verbreedde hij de ruimte in het theologische debat.’ Tot zijn vriendenkring behoorden de filosofen Vossius en Barlaeus. Met name Vossius schijnt bij koek en thee wel eens pogingen te hebben ondernomen om de rabbi los te weken van het geloof der vaderen.
Dit flintertje eeuwigheid zou Robert Menasse graag uitgebreider in kaart brengen. Hij overweegt zich door de rabbi tot een roman te laten inspireren, maar aan het notitiestadium is dat project nog niet ontstegen. Wel ziet Menasse zich binnen afzienbare tijd weer rondhangen bij de Portugese synagoge, al was het maar om de sfeer te proeven.
Menasses uitgever Suhrkamp meende op basis van de goede ontvangst die de roman Schubumkehr ten deel viel dat het publiek stond te springen om meer van hetzelfde en bestookte de schrijver met smeekbeden en opdrachten. Menasse liet zich niet gek maken. Voorlopig zullen we het daarom dit jaar moeten doen met een geactualiseerde editie van Das Land ohne Eigenschaften uit 1990, een boek waarin Menasse met een paar secure handgrepen de 'Oostenrijkse identiteit’ fileert. Menasse snijdt onderwerpen aan die elke Oostenrijker kent, maar nooit als probleem had ervaren.
IK SPREEK de schrijver in zijn onderkomen aan de Oude Zijds Kolk, waar hij me de reden uitlegt voor zijn veelvuldige reizen. 'In het buitenland versta ik tenminste niet alles. Dan moet ik mijn fantasie inschakelen. Dat bevalt me beter dan wanneer ik thuis zit en elke stupiditeit versta, tot in zijn laatste nuanceringen. Nuanceringen zijn immers bijna altijd nuanceringen van domheid.’
Menasse weet waarover hij praat. Hij legt zijn oor te luisteren waar 'Otto Normalverbraucher’ (Jan Modaal) zich onbespied waant. Zo registreerde hij in een Weens cafe een borreltafelgesprek waarbij Oostenrijkse politici over de tong gingen. 'Tussen twee teugen door merkt iemand verachtelijk op: “Ach die… Weet je, dat is een intellectueel.” Waarop een ander zich voorover buigt, eerlijk verbaasd: “Wat zeg je me nou, is hij een jood?” ’
Van antisemitisme heeft Menasse 'daheim’ nauwelijks last, verzekert hij me. Tot nu toe werd pas een keer een van zijn boeken op onheuse wijze bekritiseerd. Onmiddellijk meldde zich een collega die op de antisemitische vuilspuiter inhakte - Menasse hoefde zelf niets te ondernemen.
De eerste keer dat Menasse de gemoederen in beweging kreeg, was met de essaybundel Die sozialpartnerschaftliche Asthetik: Essays zum Osterreichischen Geist (1990). Daarin stelt Menasse de Oostenrijkse omgang met de geschiedenis aan de kaak: 'Geschiedenis is in Oostenrijk namelijk dat wat door de media wordt voorgesteld als iets wat we tot ons aller opluchting hebben overleefd.’
Menasse: 'Ik schrijf heel zakelijk, en maak altijd ruim gebruik van bewijsmateriaal dat voor iedereen controleerbaar is. Zo haal ik in Das Land ohne Eigenschaften de blamage aan van de invoering van de Schillingmunten in 1947. De overheid had besloten om de munt te sieren met een fragment uit een nogal onschuldig schilderij, De zaaier en de duivel van Albin Egger-Lienz, een brave Heimat-kunstenaar. Wellicht werd men gedreven door de hoop dat typisch Oostenrijkse kunst bijdroeg tot de vorming van een nationaal gevoel.
Dat liep een beetje anders. Toen hij in omloop kwam, bleek de munt niet met de “zukunftsfreudige” zaaier te zijn bedrukt, maar met die akelige duivel. Het duurde trouwens een paar jaar voor de regering inzag wat een flater er was begaan. Met het oog op de Oostenrijkse rol in de Tweede Wereldoorlog had deze blunder volgens sommigen wel iets van een freudiaanse verspreking. Officieel had immers niemand ooit gecollaboreerd, Oostenrijkers waren geen nazi’s geweest.
De munt werd uit roulatie genomen en vervangen door de “Edelwei>p112<munten”. Men had zijn lesje geleerd: kunst is gevaarlijk, we houden het voortaan maar op de natuur. Het is een hele kunst om je een buil te vallen aan de natuur.’
IN EEN LANG BETOOG, waarin hij zich uitdrukt alsof hij een goed gevulde collegezaal bij de les moet houden, tracht Menasse aannemelijk te maken dat hij de kritiek niet zoekt: de aanleidingen dringen zich gewoon aan hem op. 'Auteurs als Josef Haslinger, Elfriede Jelinek en ik staan bekend als kritisch. Dat is wel waar, maar we hebben geen andere keus: kritische stemmen zijn in het land verder nauwelijks verneembaar.’
Zijn academische manier van spreken is nog een erfenis van een zeven jaar durend docentschap aan de universiteit van Sa~o Paulo, waar hij het onderwerp literatuurtheorie voor zijn rekening nam. Ervaringen uit zijn Braziliaanse jaren verwerkte hij in de roman >f13<Selige Zeiten, bruchige Weltr >f11< (1991), die samen met Sinnliche Gewi>p112<heit (1988) en Schubumkehr een trilogie vormt.
Menasse benadrukt zelf dat Selige Zeiten een liefdesroman is. Dat het ook een boek is waarin uitvoerig wordt gefilosofeerd, valt echter niet te loochenen. Op de Duitse tv werd de roman als een van de beste boeken van de laatste jaren aangeprezen. De inhoud: Filosofiestudent Leo Singer slaagt er maar niet in om zijn op Hegels Phanomenologie des Geistes gebaseerde wereldbeeld samenhangend op schrift te stellen. Wanneer ten slotte zijn geliefde Judith Katz buiten zijn medeweten al zijn gedachten blijkt te hebben genoteerd, hoeft hij haar alleen nog maar te vermoorden om toch nog met een Phanomenologie der Entgeisterung voor het voetlicht te kunnen treden.
Een schrijnend hoogtepunt is de scene waarin Singer met een urn het oerwoud in trekt. De urn bevat de as van zijn moeder, een vrouw die hij haatte, maar van wier luimen hij afhankelijk was. Als bewijs van zijn eigen bevrijding wil Singer de as in de wind verstrooien, maar hij pakt dat zo onhandig aan dat hij zelf onder de as komt te zitten - moeder is nu helemaal overal.
Curieus is de publikatie die Menasse eerder dit jaar uitbracht: Leo Singers Phanomenologie - opgedragen aan Judith Katz. Een voor een onvoorbereide lezer moeilijk toegankelijk boekwerk, met veel filosofische lagen.
Hoe heeft de filosofie Menasse verleid? Wanneer hij in de spiegel kijkt, ziet hij niet een filosoof maar in de eerste plaats een rasechte verhalenverteller, vindt Menasse zelf: 'Zodra ik in gezelschap ben, begin ik verhalen te vertellen. En dat wat anderen mij vertellen, schiet onmiddellijk wortel bij mij. Ik borduur erop verder en vertel het door aan de volgende. Ik vraag me vaak af waarom ik zoveel verhalen in mijn hoofd heb, zo veel heb ik nu ook weer niet beleefd.’
Het filosofische element diende zich daarnaast al vroeg aan. Na het grootste deel van zijn jeugd in een internaat te hebben doorgebracht - Roberts vader was een profvoetballer die geen tijd had voor een geregeld familieleven - deed de achttienjarige zo ongeveer alles verkeerd toen hij op eigen benen moest staan. 'Ik moest een sociale situatie eerst helemaal doorzien voordat ik wist hoe ik me diende te gedragen. Dat was een grote last om mee te leven - maar ik moest en zou “das Ganze” proberen te begrijpen.’
Hij verdiepte zich in de filosofie en raakte verslingerd aan Hegel, wat voor zijn latere romanwerk allesbepalend zou worden - zij het dat hij Hegels belangrijkste overtuiging radicaal omkeerde: de mens ontwikkelt zich niet naar een hoogtepunt toe, maar verwijdert zich er juist van. De geboorte is het hoogtepunt, meent Menasse, daarna begint 'het langzame doodgaan’. Aan het eind van de rit staat de complete verbijstering ('Entgeisterung’). Hierover schrijft hij in de Phanomenologie der Entgeisterung.
BELANGRIJKSTE en meest onuitputtelijke bron van Menasses verbijstering is het eigen land, Oostenrijk. Menasse: 'Als jonge Oostenrijkse intellectueel begin je je te orienteren op het gebied dat je het best denkt te kennen, op je Heimat. Het verleden blijkt dan te zijn onderverdeeld in bespreekbare en onbespreekbare segmenten. De onbespreekbare tijd die je dan het meest interesseert is natuurlijk de periode 1938-1945. Maar dan is het oppassen geblazen! Je bent in een lege ruimte aangekomen. Dat deel van het verleden wordt niet verwerkt, het wordt gewoon verzwegen. Een vraag over die leegte wordt als kritiek opgevat, en als je niet meteen terugkrabbelt vindt men je een provocateur.
O zo hartstochtelijk koestert men de voorstelling: “Wij zijn een lief klein land. Wij werken allemaal heel vlijtig en zijn aardig tegen de toeristen, daarom houdt de hele wereld van ons.” Het imperiale verleden, waar we graag mee pronken, kun je daarentegen niet uitvoerig genoeg bespreken: “Wilt u iets weten over de tijd van het keizerrijk? Geen probleem, zelfs op de eerste republiek (tot 1938) rust geen taboe.” ’
In Das Land ohne Eigenschaften schrijft Menasse: 'Het begrip “Oostenrijkse realiteit” heeft iets van een innerlijke tegenstrijdigheid. Van zijn geschiedenis heeft Oostenrijk zich afgeschermd en tegelijkertijd probeert het van zijn musealiteit te leven.’
Hoe diep dit verschijnsel in de maatschappij is ingevreten, blijkt volgens Menasse uit de omgang met het naziverleden. 'Oostenrijk heeft zich nergens schuldig aan gemaakt, kan zich nergens schuldig aan hebben gemaakt, omdat het na 1938 - het jaar van de Anschlu>p112< bij nazi-Duitsland - niet meer als staat bestond. Dat betekent dat Oostenrijk ook geen Wiedergutmachung aan oorlogsslachtoffers hoeft te betalen. Duitsland moet dat maar doen, want dat is de juridische navolger van het Derde Rijk. Een teruggekeerde jood heeft geen recht op teruggave van goederen, want er valt domweg niets terug te geven. Met de compensatie is het dito gesteld. Het is, welbeschouwd, een prestatie van formaat: de Oostenrijkse staat garandeert zijn burgers historische onschuld.’
En Waldheim dan?
'Een veelgemaakte vergissing. Waldheim was geen oorlogsmisdadiger. Hij was een opportunist. Hem werd niet een misdaad verweten: men vond dat hij teveel verzweeg. Daarin was hij dus een typische Oostenrijker. Altijd weer hoorde je hem zeggen dat hij zich iets niet herinnerde. Daarmee was de kous dan af.
Eichmann is weer een ander verhaal. Toen Eichmann in 1960 in Israel werd berecht, kwam de regering in crisisberaad bijeen. Het zag ernaar uit dat Eichmann als Oostenrijker veroordeeld zou worden. Men stelde daarom dat hij een hoge functionaris was in dienst van het Derde Rijk. Let op de meesterzet die nu werd uitgevoerd! Een dubbele nationaliteit is in Oostenrijk verboden. Eichmann werd dus het Oostenrijkse staatsburgerschap ontnomen…’
Generaliserend: 'Ouderen spreken nu eenmaal niet graag over de bloederige geschiedenis die zich in hun tijd afspeelde. Je stelt al gauw de schuldvraag, je komt op hun medeverantwoordelijkheid, en dat is een te pijnlijke kwestie. Niemand kan hen van die medeverantwoordelijkheid afhelpen. Het individu is betrekkelijk machteloos, maar projecteer je het individu tegen de achtergrond van de geschiedenis, dan zie je het opeens te midden van een grote massa staan. De massa maakt zich schuldig en die bestaat uit individuen.
Jonge mensen kunnen de verontschuldigingen van de oudere generatie tegenwoordig niet meer aanhoren en de ouderen willen er ook niet meer over praten. De jeugd ziet het ongeveer zo: geschiedenis is geen erfzonde, wij zijn nergens schuldig aan en interesseren ons niet voor de schuld der ouderen. Een recent onderzoek wees uit dat jongeren geen enkele politicus uit de jaren 1918-1938 kennen. Dat is voor hen het neolithicum. Denk overigens niet dat ze politici van na de Tweede Wereldoorlog wel kennen.
Waarschijnlijk moet je de verklaring in de psychologie zoeken: om niet te bezwijken onder de last van het verleden, doet men alsof het verleden er niet is.’
OOSTENRIJK heeft volgens Menasse net zo'n merkwaardige band met Duitsland als Nederland. De vooroordelen in Oostenrijk zijn dezelfde als hier. 'Ik bespeur onder Oostenrijkers nogal eens een zekere haat jegens Duitsland: haat en minachting. Maar dat land van onze nachtmerries bestaat helemaal niet. Volgens de gangbare opvatting zou Duitsland een onverdraagzaam land zijn. Maar kijk eens wat er in Oostenrijk gebeurt in streken waar veel minderheden wonen. We hebben Hongaren, Kroaten, Slovenen en het gaat niet goed met hen.
Ook ik heb er als schrijver mijn problemen mee. Wil ik succes hebben, dan moet ik de Duitse markt op. Toen een Duits literair blad een van mijn eerste verhalen weigerde, dacht ik meteen: stomme Duitsers. Ik dacht er geen moment aan dat het verhaal misschien niet deugde. Later heb ik anderhalf jaar in Duitsland gewoond en daar merkte ik dat geen van mijn vooroordelen houdbaar bleek. Duitsland is een heel gewone, westerse democratie: niet zo chauvinistisch als Frankrijk - niet zo centralistisch ook - en ook niet zo verscheurd als Italie. Het is, kortom, een mooi en attractief land.
Het is niet alleen een probleem voor de kleine buren Nederland en Oostenrijk. Hoe moet Europa met Duitsland omgaan na de bittere ervaringen uit het verleden? Er tekent zich nu een tweede bezettingsgolf af: de Duitse toerist komt overal, en niet zelden treedt hij aan in grote groepen. Je wordt er agressief van. Op weg naar je werk word je door een grote groep mensen tegengehouden die log achter een paraplu aan hobbelt. De associatie met de gesloten falanx van de nazihorden is snel gemaakt. Grote groepen Amerikanen vinden we lang niet zo vervelend, omdat die nog altijd het imago van De Bevrijder hebben.
Ik heb een tijdje gedacht dat er ergens een reservaat in Duitsland moest zijn waar toeristen werden gekweekt. Ik botste overal in Wenen tegen ze op, maar nergens in Duitsland zelf.’