De sovjetisering van Nederland

Land zonder scepsis

14 oktober 2009 - Sana Valiulina verruilde twintig jaar geleden de Sovjet-Unie voor Nederland en vond de ideale samenleving: wederzijds vertrouwen tussen de vriendelijke staat en de tevreden burger. Maar… ‘Wat is er toch met de burger aan de hand? Waar is zijn veel geroemde tolerantie gebleven?’

Medium essay sovjetisering

TOEN IK TWINTIG JAAR GELEDEN uit de Sovjet-Unie naar Nederland verhuisde, moest ik eerst door een niet geringe cultuurshock heen voordat ik mijn denkvermogen terugkreeg, en het was niet alleen de materiële overvloed die mijn wereld op haar grondvesten deed schudden. Daar was ik tenslotte op voorbereid geweest, want de beelden van het rijke Westen hadden inmiddels via de tv ook onze armzalige huiskamers bereikt.

De hevigste cultuurshock beleefde ik bij de Nederlandse Spoorwegen. We hadden geen tijd meer om een kaartje te kopen en sprongen derhalve zonder geldig vervoerbewijs in een trein. ‘Hoe verder?’ vroeg ik me in paniek af, met visioenen van de potige conducteurs uit mijn moederland voor ogen, die qua schofterigheid en handtastelijkheid niet onderdeden voor onze sovjetmilitia. Mijn verwarring was dan ook onbeschrijflijk toen er een beleefde meneer met een pet op verscheen die ons kaartjes verkocht, waarbij hij een lachwekkend lage toeslag voor onze ‘misdaad’ rekende. Met een grapje nog wel.

Het heeft me jaren gekost om aan dergelijke vriendelijkheden te wennen. Het was een vreemde ervaring om niet meteen te worden afgesnauwd door een winkeljuffrouw, portier, serveerster, doktersassistente of secretaresse.

Dit kleine voorval bleef voor mij jarenlang het symbool van het vrije Westen, veel meer dan de uitpuilende etalages, omdat ik juist in dit voorval het gedroomde ideaal verwezenlijkt zag. Het ideaal betreffende de verhouding tussen de mens en de staat, uniek in de geschiedenis, want gekenmerkt door wederzijds vertrouwen en respect. Hetzelfde respect waar iedereen in dit land twintig jaar na dato de mond vol van heeft. Mijn ongenoegen was dan ook groot toen deze regeling werd afgeschaft. Voortaan hing je een flinke boete boven het hoofd wanneer je zonder kaartje in de trein stapte. Het was niet alleen de vermindering van persoonlijk comfort die ik betreurde. De invoering van de nieuwe regels legde het eeuwenlange antagonisme tussen de staat en de mens opnieuw bloot. Je kunt zeggen dat de verhouding tussen die twee weer werd genormaliseerd. Stel je voor dat deze ongehoorde luxe te lang zou duren!

Voor mij luidde deze afschaffing, hoe onbeduidend ook, het begin van een nieuw tijdperk in. Het tijdperk dat mij nu, anno 2009, steeds meer aan mijn niet zo geliefde geboorteland doet denken.

INTUSSEN WOEDDE ER een ware revolutie in Europa. De Muur viel, paleizen werden bestormd, de tirannen en hun hofhouding werden opgesloten of opgeknoopt. Niets of niemand kon de zegetocht van de vrijheid en het kapitalisme nog tegenhouden. De onzichtbare hand van de vrije markt had het spook van het communisme definitief verslagen. Europa werd het werelddeel van het zegevierende kapitalisme, zoals de Sovjet-Unie zeventig jaar geleden het land van het zegevierende socialisme was geworden.

Ook mijn tweede vaderland begon te veranderen, of om preciezer te zijn, het móest met alle geweld veranderd worden, anders zou Nederland binnen de kortste keren tot stagnatie en achterstand vervallen. Het land werd overspoeld met een golf van privatiseringen en fusies, met voorop de NS die de Nederlandse natie als een turbolocomotief naar de stralende toekomst moesten brengen. Wie met suffe feiten aankwam over mislukte privatiseringen van bijvoorbeeld de spoorwegen in andere landen werd onvermijdelijk op zijn plaats gezet. Dergelijk defaitistisch gemompel paste niet in de nieuwe tijdgeest van het zegevierende kapitalisme. Was dat het moment waarop de economie gekoppeld werd aan de ideologie? Een riskante combinatie die mijn eerste vaderland, de Sovjet-Unie, ooit in eeuwigdurende rampspoed stortte.

Opeens zag ik de kapitalistische economie, althans het financiële deel ervan, waar wij zo hoog tegen hadden opgekeken terwijl we ons als student een weg baanden door de demagogische brij van de sovjet-‘polit-economie’, in een ideologie veranderen. In de ideologie van de overwinnaar nog wel, waaraan ook de publieke sector werd opgeofferd. Opeens moest het gezond verstand het afleggen tegen de idee dat de marktwerking de enige juiste oplossing zou zijn voor de sociaal-maatschappelijke én existentiële kwalen van de moderne samenleving.

Het sociaal-economische stelsel ging verdacht veel op een ideologisch bouwwerk lijken, met fanatieke hoogwaardigheidsbekleders aan de poort, die iedereen die hun tempel durfde te bezoedelen met de wil van de geschiedenis de mond snoerden. Hetzelfde ijzeren argument waarmee de communisten ooit de wereld hadden willen veroveren.

Maar de lokale hoogwaardigheidsbekleders hadden een punt. In tegenstelling tot het communisme met zijn schimmige utopie beschikten zij wel degelijk over een aards walhalla: Amerika. Na een werkbezoek aan de Verenigde Staten kwamen ze als herboren terug om met de twinkelende ogen van de bekeerling de blijde boodschap in eigen land te verkondigen. Over de minder plezierige kanten van het leven in dit overzeese walhalla – 43 miljoen medisch onverzekerden, overvolle gevangenissen, om maar iets te noemen – werd met geen woord gerept.

De Sovjet-Unie heb ik altijd als een volmaakte theocratie beschouwd met een handjevol godsdienstwaanzinnigen aan de macht, maar dat mijn tweede vaderland zo aan het vrijemarktfanatisme ten prooi zou vallen!

Ik ga de lezer niet vervelen met een overbodige waslijst van privatiseringen, fusies, overnames, internethypes, spectaculaire beursgangen met één overwinnaar (the winner takes all), talloze reorganisaties, megalomane projecten en een leger aan bonusverslaafden die door deze ideologie op gang zijn gebracht en waar links, rechts, paars, geel, groen enthousiast aan meedeed, in de roes van de historische overwinning op het socialisme. Zonder scepsis, zonder twijfel – allemaal bedenkelijke eigenschappen van een intellectueel die de onvermijdelijke historische processen alleen maar in de weg staat.

DIT GEZEGD HEBBENDE beland ik bij een wezenlijk kenmerk van ieder ideologisch systeem: zijn afkeer van de intellectueel als iemand die niet onmiddellijk bereid is om de partijpolitiek te omarmen en zich geestdriftig op het implementeren van de stormvloed aan nieuwe oekazes te storten. Natuurlijk is het huidige anti-intellectuele klimaat in Nederland niet te vergelijken met de stelselmatige vernietiging en onderdrukking van de denkende klasse in de Sovjet-Unie. De anti-intellectuele houding komt hier – gelukkig maar – op een andere manier tot uiting, namelijk in het vrijwel ontbreken van onafhankelijke kritische geesten in de bestuurlijke bovenlaag van onze samenleving, enkele oppositieleden uitgezonderd. Het lijkt wel of autonome, niet door de partijpolitiek getemde elementen al meteen aan de poort van de grote politiek de toegang wordt ontzegd.

Ook de sovjetelite behandelde de burger als een imbeciel, helemaal zoals de machtsexpert Dostojevski had voorspeldx

De eensgezindheid waarmee wetten en besluiten worden aangenomen wekt bijna bewondering en doet me denken aan de gouden oude én de nieuwe tijden in mijn vaderland. En ook aan de Russische dissident Andrej Amalrik, die al in 1969 beweerde dat het sovjetimperium zou vallen, niet in een verre toekomst, maar dadelijk, over tien, hoogstens twintig jaar. Hij vergiste zich maar een paar jaar. Een van de argumenten die hij aanvoerde was de sclerose van de geest van de ‘middenklasse’, oftewel de bureaucratie, die niet meer in staat was om verstandige en moedige beslissingen te nemen. Hij voorspelde dat veel beslissingen uitsluitend uit vrees voor het verlies van macht zouden worden genomen.

Een ander kenmerk van een geïdeologiseerde samenleving is de angst. Voor de ander welteverstaan, die het op ’s lands normen en waarden heeft voorzien. Die ander is een soort archetype en krijgt afhankelijk van de historische context telkens een ander gezicht. In mijn tweede vaderland wordt dit archetypische raamwerk op dit moment gevuld door de ‘buitenlandse profiteur’, de pedofiel en natuurlijk de valse moslim, een lokale variant op de fundamentalistische terrorist die op Europees en transatlantisch niveau opereert met de intentie deze verlichte democratieën te ontwrichten.

Van oudsher was het creëren van een vijandbeeld de beste strategie om de hand vooral niet in eigen boezem te hoeven steken. Daar is mijn vroegere vaderland een onbetwiste expert in geworden. De joden, boeren, intellectuelen, imperialisten, bebrilde personen met een contrarevolutionaire glimlach op hun smoel, saboteurs, trotskisten, buitenlanders, Kaukasiërs, Amerikanen, joden, Kaukasiërs, Amerikanen… Lang en eentonig is de lijst zondebokken en volksvijanden waarmee het machtige imperium zijn non-stop-falen probeerde te verdoezelen. Maar dat mijn tweede vaderland massaal voor deze goedkope truc zou bezwijken?

WAT IS ER TOCH met de burger aan de hand? Waar is zijn veel geroemde tolerantie gebleven? Is er iets onherroepelijk in zijn vertrouwde biotoop veranderd, waardoor zijn gemopper op die ander steeds luidruchtiger wordt? En dat allemaal terwijl hij rijker is dan ooit? Is hij soms bang om zijn zuur verdiende centjes kwijt te raken?

Je zou kunnen opperen dat de burger tot op het bot verwend is geraakt tijdens de vette jaren waar geen eind aan leek te komen. Dat hij zichzelf tot de maat der dingen heeft uitgeroepen en blind en doof is geworden voor de ellende van zijn medemens in minder gezegende contreien. Dat hij geobsedeerd door zichzelf vergeten is dat hij in het welvarendste, het uitverkoren deel van de wereld mag leven. Maar is dit argument even redelijk als het lijkt? In de Sovjet-Unie wensten we toch ook geen genoegen te nemen met het feit dat de Roemenen, Albanezen en Noord-Koreanen in een nog treuriger tranendal zaten opgesloten dan wij?

Natuurlijk ligt de zaak ingewikkelder. En hier kom ik bij het derde kenmerk van een geïdeologiseerde samenleving. Het uitvinden en propageren van het ideaal van de nieuwe mens als hoeksteen van The Brave New World, het hoger doel dat elke ideologie uiteindelijk nastreeft. Welke eigenschappen moet de nieuwe burger bezitten om mee te kunnen doen in die nieuwe, geglobaliseerde wereld, met al die non-stop werkende Chinezen en Indiërs op de loer?

Hier zijn ze dan: optimistisch, flexibel, kosmopolitisch, dynamisch, effectief, multi-inzetbaar, werklustig, ondernemend, gezond, monogaam, mondig, assertief, calculerend, rookvrij, alsmede vrij van vooroordelen, melancholie, angsten, twijfel, reflexie en andere ouderwetse kwalen, en o ja, die vernieuwde mens is dol op challenge. Gewapend met al die kwaliteiten is hij een waardige speler in de global market village en is hij vooral goed in staat om ter wille van de economische groei met Chinezen te concurreren. Dan hoeft hij straks zijn tweede boot niet te verkopen, zo wordt hem geruststellend voorgehouden. Geheel in de geest van het nieuwe materialisme: ‘Ik heb dus ik ben.’

Ook al moet deze nieuwe burger het kapitalistische in plaats van het communistische walhalla dienen, de gelijkenis met zijn voorganger uit de communistische utopie liegt er niet om.

Zowel het ideaal van de nieuwe mens van nu als dat van toen vloeit voort uit het fanatieke geloof in vooruitgang, wetenschap en techniek, in de mens als een uitsluitend rationeel wezen én in een door de ideologen beoogde wereldorde. Wordt de geschiedenis er dan nooit moe van om zich eindeloos te herhalen?

Intussen lijkt de waarschuwing van Max Weber over de toekomst van de kapitalistische moderniteit uit te komen. De mens komt klem te zitten in de ‘ijzeren kooi’ van onpersoonlijke bureaucratie en rationalisering. In de ‘onttoverde wereld’ wordt de leegte van de moderniteit opgevuld met nieuwe plaatsvervangende godsdiensten die de mens de fel begeerde happiness moeten bezorgen.

Hier en daar zullen trouwens best wel übermenschen rondlopen, maar ik vrees dat hun aantal niet al te indrukwekkend is.

TOCH IS ER WEL DEGELIJK sprake van een nieuw type mens dat in de loop van pakweg vijftien jaar ten tonele is verschenen. Sterker nog, die nieuwe mensen lijken als paddestoelen uit de grond te schieten, recht evenredig aan de nieuwe ontwikkelingen.

Ik beperk me tot drie tamelijk vastomlijnde nieuwe mensensoorten. Het eerste soort is het type gezellige minister. Nooit geweten dat gezelligheid zo relevant was bij het besturen van een land. De gezellige minister is een boeiend fenomeen. Niet bijster belast door kennis van zaken – dat is iets voor nerds en dus intellectuelen – is hij/zij vooral bezig om, gejaagd door de huidige politieke wind, met marktwerking als toverwoord en bulderend van het lachen besluiten door te drukken. Aan daadkracht geen gebrek, aan ideeën des te meer. Lenin beloofde ooit dat in het nieuwe Rusland een kokkin het land zou besturen. Was ze maar lekker in de keuken gebleven, verzuchtten de Russen. En ik zucht met ze mee.

Lang en eentonig is de lijst zondebokken en volksvijanden waarmee het machtige imperium zijn non-stop-falen verdoezelde

Tweede type is de (top)manager die zich onmisbaar en onvervangbaar heeft verklaard in deze vrijemarkttijden. Geheel in de stijl van de ultieme rationalisering, die een essentieel element is van het neoliberale marktdenken, gaat hij de weerbarstige werkelijkheid te lijf met statistieken, grafieken, schema’s, formulieren, modellen en IT-programma’s. Zijn expansiedrift kent geen grenzen. Hoe groter zijn actieradius, hoe machtiger hij zich voelt. Het maakt niet uit of die medescheppers van ‘de onpersoonlijke bureaucratie’ zich over de zorg, de huisvesting, het onderwijs, de politie of andere publieke werken ontfermen. Ze zijn de werkvloer al lang ontstegen. Net als de partijfunctionarissen in mijn historische vaderland, die samen met de bovengenoemde kokkin aan de ingenieurs vertelden hoe deze bruggen moesten aanleggen en aan de boeren hoe zij aardappels en maïs moesten verbouwen.

Onder het derde type vallen de zelfbenoemde goeroes van het nieuwe leren, de nieuwe zorg, de nieuwe media, de nieuwe cultuur. Nemen de nieuwe managers de hogere organisatie op zich, dan vertegenwoordigen de nieuwe goeroes om zo te zeggen de spirituele en visionaire aspecten van de door te voeren hervormingen ten behoeve van The Brave New World. Aan hen de taak om de kleine man te verlichten, op te peppen en hem aan te zetten tot nieuwe, grootse daden.

Deze drie typen nieuwe mens hebben een opvallende gemene deler. Het zijn allemaal uitgesproken praters die doorgaans rijkelijk worden beloond. Immers, zonder hen geen stralende toekomst. Bedrijven en semi-private instellingen zijn al gauw bereid om voor een dagdeel met zo’n goeroe een bedrag neer te tellen dat een metrobestuurder nog niet eens in een maand verdient. Geen wonder dat in deze zich steeds vernieuwende samenleving ‘gewone’ beroepen zoals onderwijzer, buschauffeur, politieagent, verpleger en brandweerman bij de jeugd steeds minder populair worden. Precies zoals dat in de Sovjet-Unie, met zijn minachting voor de werkende klasse, het geval was.

Onlangs verklaarde een hippe dame met artistieke ambities in een tv-programma dat ze bezig was om een nieuwe club op te richten. Het zou echt iets heel bijzonders worden, verzekerde ze ons, iets voor werkelijk heel bijzondere mensen, dus niet voor postbodes, voegde ze eraan toe.

Pardon? Ja, ik hoorde het goed. In haar geestdrift verwoordde de dame perfect de nieuwe tijdgeest die over mijn tweede vaderland vaardig is geworden. De postbodes zijn niet welkom op de hippe feesten. Een elitaire club met een deurbeleid als weerspiegeling van de nieuwe sociale orde waarin de kloof tussen de bestuurlijke elite en het volk steeds groter lijkt te worden.

In mijn sovjetvaderland waren ze ook dol op elitaire clubs achter hoge hekken. En ook op elitaire winkels, klinieken, woningen, vakantieoorden et cetera. Geen hiërarchischer samenleving dan het eerste arbeiders- en boerenparadijs op aarde. Het negentiende-eeuwse Engeland verbleekt bij deze primitieve klassenstaat, die volgens Lenin verdeeld was in twee groepen: bestuurders en degenen die bestuurd worden (Over de staat, 1919). Met andere woorden: in heersers en slaven, want alle overige sociale banden waren door de revolutie afgeschaft.

DE BESTUURLIJKE ELITE die zich per fiets naar het werk verplaatste was behalve balsem op mijn ziel ook het bewijs dat de macht een menselijk gezicht kon hebben. Waarom valt het volk dan twintig jaar later massaal op een zure, zwaarbeveiligde politicus, en niet op die gezellige bewindsman op de fiets die zegt uitsluitend uit naam van de democratie te handelen? Wil het volk soms geen democratie meer? Of is democratie in de vernieuwingsdrift van de afgelopen jaren zodanig veranderd dat die amper nog te herkennen valt? Terwijl de zwaarbeveiligde politicus de complexe moderniteit juist zo goed tot herkenbare elementen kan herleiden.

Democratie is een fascinerend en ongrijpbaar verschijnsel. Je kunt er duizenden traktaten en lezingen over vol theoretiseren, voor de gewone man, de demos, voor wie democratie bedoeld is, is slechts één ding belangrijk. Het gevoel dat hij er toe doet en niet de speelbal is van de machthebbers, zoals men dat in totalitaire staten gewend is.

Zonder dat gevoel – ik noem het maar het basisgevoel van democratie – raakt men zwaar gefrustreerd. Daarom stemt lelieblank, hard werkend Volendam niet op de gezellige bewindsman die de vissers de Europese regels in de maag splitst, maar op de politicus die dat vertrouwde basisgevoel weet op te roepen. De Marokkaanse rotjongens hebben hier niet zo veel mee te maken, want er zijn helemaal geen Marokkaanse rotjongens in Volendam.

Die Haagse bewindsman kan dan nog zo dicht langs de burger fietsen, de afstand tussen die twee wordt niet door fysieke meters bepaald. Het zijn andere maateenheden die de twee steeds verder uit elkaar drijven. Zoals de wegen in Nederland verstopt raken door files, zo is het verkeer tussen de staat en de mens geblokkeerd door kilometers regelgeving, door de muur van ‘de onpersoonlijke bureaucratie’ op alle niveaus, die de kleine man die maar geen übermensch wil worden frustreert, angst aanjaagt en bovenal van zichzelf vervreemdt. Het valt niet mee om in de kille, anonieme ‘onttoverde wereld’ je weg te vinden.

Geen wonder dat de burger vlucht in de zelfgeschapen mythe van de verwaaide tuin uit de jaren vijftig, terwijl een kapitaalkrachtiger deel van de bevolking zijn heil zoekt in de gated communities, naar het Amerikaanse voorbeeld, om zich voor de boze buitenwereld te verschuilen in burchtachtige bouwwerken. De trend die ook in mijn historische vaderland welig tiert.

En wat doet de bestuurlijke elite? Die predikt de vrije markt (consumeren en recreëren zult gij in het zweet uws aanschijns), privatiseert, registreert, systematiseert, vergadert, stelt talloze commissies in en heft die weer op en vindt het Handvest Verantwoordelijk Burgerschap uit. Burger, na het wc-bezoek dient u uw handen met desinfecterende zeep te wassen! En de elite wast haar handen in onschuld.

Vertrouwder kan het voor mij niet klinken. Ook de sovjetelite behandelde de burger als een imbeciel, geheel volgens de voorspelling van de machtsexpert Dostojevski. Of als een stout kind dat voortdurend in de gaten moet worden gehouden.

Zo voelde ik me althans toen ik niet zo lang geleden, in de nieuwe tijden dus, naar een dokter ging. Met zorgpas en ID, keurig volgens de instructies die het ziekenhuis mij had gestuurd. Intussen was het ziekenhuis wederom op een nieuwer, nog veiliger systeem overgeschakeld, werd mij meegedeeld. Vernieuwde ponskaarten met een foto erop, nee, nog zonder vingerafdruk, en zo gepiept bij de balie. En inderdaad, binnen drie minuten prijkte mijn smoel op een kaart. Alle aanwezigen gerustgesteld. Stel je voor dat er in plaats van mij iemand anders geholpen zou worden. Of dat een arts in plaats van andermans fysieke noden die van mij zou lenigen. De grootste misdaad in The New Brave World.

Ik vraag me af hoe lang het zal duren voor ik deze cultuurshock heb verwerkt.


Sana Valiulina (1964, Tallinn, Estland) verhuisde na haar studie in Moskou naar Nederland en publiceerde hier, onder meer, de romans Het kruis en Didar & Faroek_. In januari verschijnt_ Honderd jaar gezelligheid (roman)