Roemenië wordt leeggehaald

Landbouwgrond te koop

Sinds Roemenië in 2007 toetrad tot de Europese Unie azen westerse bedrijven op de vruchtbare Roemeense landbouwgrond. Lokale boeren vervallen in armoe.

Medium rtr43oc9

Het is een koude woensdagmiddag op het platteland van Noordwest-Roemenië. Een groep boeren is net teruggekeerd van het land dat ze bewerken. Een snijdende wind waait over het vruchtbare Banatplateau. Een 42-jarige boer in een donkere overall staat op het erf van een middelgroot landbouwbedrijf in het dorpje Sântana een sigaret te roken. Hij werkt hier al meer dan twintig jaar, maar langzamerhand begint hij te vrezen voor de toekomst. Sinds een jaar of zeven wordt de landbouwgrond rond het dorp namelijk in sneltreintempo opgekocht door Duitse landbouwbedrijven. Een collega-boer knikt instemmend: ‘De meeste boeren in Sântana hebben geen geld voor dure tractoren of landbouwmachines. Grote buitenlandse bedrijven hebben veel meer geld en willen investeren. Ze doen er alles aan om mensen ervan te overtuigen hun land te verkopen. Veel boeren werken tegenwoordig buiten het dorp omdat ze geen eigen grond meer hebben.’

Sântana is een gemeenschap van ruim tienduizend zielen in het district Arad in het uiterste noorden van de Roemeense Banat, een vruchtbare hoogvlakte niet ver van de Hongaarse grens. De regio is historisch gezien vooral bekend om zijn wijngaarden, maar tegenwoordig staan langs alle wegen grote graansilo’s. De legendarische zwarte aarde van Roemenië, de humusrijke en bijzonder vruchtbare ‘chernozem’, plus de gunstige ligging ten opzichte van de West-Europese markt maakt het plateau tot een zeer interessante locatie voor buitenlands kapitaal en internationaal opererende landbouwbedrijven.

In de winderige hoofdstraat van Sântana staan enkele Roma-zigeuners te bedelen voor de dorpsslagerij, die eigendom is van de lokale landbouwoligarch. Het is nog even zoeken naar lokale boerenbedrijven. Zoveel boeren zijn er niet meer over in het dorp, vertelt een oude man met een opapet op terwijl hij de supermarkt in loopt. Even verderop, aan de rand van Sântana, ligt wel nog een Roemeens landbouwbedrijf dat voor de lokale markt produceert. Aan het eind van een half verharde weg staat een drietal boeren hun rode tractoren te poetsen. Op het groene toegangshek van de boerderij wappert een Roemeense vlag trots in de koude voorjaarswind. Na enig aandringen zijn ze bereid om commentaar te geven op de situatie in het dorp. ‘De lage grondprijzen trekken steeds meer buitenlanders aan’, vertelt een van de boeren. ‘Vooral Duitse en Oostenrijkse bedrijven. En ze werken allemaal hetzelfde: onze landbouwgronden veranderen in grote monoculturen en die gewassen gaan allemaal de grens over. Overal om ons dorp heen liggen tegenwoordig grote graansilo’s om het spul in te kunnen opslaan. Die ontwikkelingen hebben allemaal effect op de manier waarop wij in dit dorp samenleven.’

Oude tractorbanden liggen over het erf verspreid. In het kleine, witte boerderijgebouw zitten enkele administratiemedewerkers achter hun computers te werken. Officieel is dit landbouwbedrijf een associatie die grond pacht van boeren in de omgeving. Op hun beurt bewerken ze het land of delen in de opbrengst van de associatie. De laatste jaren heeft het bedrijf echter flink aan omvang ingeboet ten faveure van de grote buitenlandse privé-bedrijven die de grond hebben opgekocht. Tegenwoordig heeft de associatie nog maar zeven boeren in dienst, vertelt het drietal. ‘Die grote bedrijven benaderen kleine boeren heel agressief en betalen zevenduizend euro voor het land. Voor een kleine landbouwer lijkt dat heel veel geld. Maar achteraf komen de meeste boeren erachter dat ze dan hun inkomen én hun land kwijt zijn.’

Sinds de toetreding tot de Europese Unie in 2007 staat Roemenië te boek als een waar El Dorado voor landbouwinvesteerders. Grond kost er nog steeds maar een fractie van wat die in West-Europa kost en nu het land een EU-lidstaat is kunnen ook Roemeense landbouwers aanspraak maken op de lucratieve Europese landbouwsubsidies. Door de combinatie van mondiale bevolkingsgroei, een toenemende vraag naar luxeproducten in opkomende economieën en de groeiende productie van biobrandstoffen is de agrarische sector wereldwijd weer interessant geworden voor investeerders. Volgens een rapport van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (fao) zijn het juist de landen in Centraal- en Oost-Europa die, samen met een aantal ex-sovjetstaten, in de toekomst een cruciale rol zullen spelen in de mondiale voedselproductie.

De laatste jaren is dan ook steeds meer Roemeense landbouwgrond in handen geraakt van buitenlandse bedrijven, veelal uit Italië, Duitsland en Oostenrijk, maar ook uit bijvoorbeeld Libanon. Vooral de vruchtbare bodems rond de Zwarte Zee in het zuiden van het land en de hoogvlaktes in het noordwesten zijn in trek bij investeerders, die zo de grondprijs steeds verder opdrijven en daarmee steeds meer speculanten aantrekken die een graantje willen meepikken van de stijgende prijzen. Met alle gevolgen voor lokale boeren van dien. In een uit juni 2013 stammend rapport van de ngo Transnational Institute (tni) blijkt dat er op meerdere plekken in Roemenië problemen bestaan met grootschalige landacquisities. Ook in het ten zuiden van Arad gelegen district Timis wordt de Roemeense landbouwgrond in toenemende mate gecontroleerd door buitenlandse multinationals.

In het kleine dorpje Dudestii Vechi, zo’n zeventig kilometer verwijderd van districtshoofdstad Timisoara, bestaat al jaren een langlopend conflict tussen het Italiaanse bedrijf SC Emiliana West Rom SRL en een groep lokale boeren. Het Italiaanse bedrijf opereert vanuit een voormalige staatsboerderij net buiten het dorp en bewerkt zo’n dertienduizend hectare landbouwgrond. Een deel van de lokale boerengemeenschap vindt de aanwezigheid van het grote landbouwbedrijf wel best, maar een groeiende groep dorpsbewoners is fel gekant tegen de intensieve en grotendeels gecomputeriseerde teeltmethoden van Emiliana, zo meldt tni. Daarbij krijgt het Italiaanse bedrijf op het stadhuis voorrang als nieuw land de verkoop ingaat, waardoor de Italianen de facto de mogelijkheid hebben om de grond rond Dudestii Vechi te monopoliseren.

‘Als het zo doorgaat zijn we straks allemaal slaven van de Duitsers die onze grond gebruiken om te exporteren’

Daarnaast is het bedrijf er meerdere malen van beschuldigd de lokale watervoorziening in tijden van droogte voor de rest van het dorp af te sluiten om de productie van maïs geen gevaar te laten lopen. De in het dorp gevestigde activist en kunstenaar Ivan Vasilchin vertelt: ‘Emiliana heeft in de rivier die de hele omgeving van water voorziet een aantal dammen aangelegd, zodat ze het water voor zichzelf kunnen houden als de waterstand laag is. Mijn oom bezit een stuk land van vijf hectare, toen hij in het voorjaar naar zijn land toe ging om in te zaaien had Emiliana dat land allang ingezaaid met hún gewassen. Zij gebruiken grote zaaimachines, dus voor hen is het makkelijker om gewoon door te zaaien dan om een stukje land waar ze geen eigenaar van zijn te omzeilen, waarna ze de eigenaars financiële compensatie aanbieden. Veel kleine boeren wilden hun land niet verkopen aan de Italianen, maar de praktijk heeft ze ertoe gedwongen.’

Waar in Dudestii Vechi een Italiaans bedrijf fungeert als grootgrondbezitter, is de landbouwgrond in het 2,5 uur rijden verderop gelegen Sântana sinds 2007 in rap tempo in handen gekomen van de Duitse bedrijven Schuetz Agra en Jostin Agrara. Volgens lokale boeren opereren de twee bedrijven als een consortium en volgens gegevens van de Roemeense bedrijvendatabase ListaFirme steekt achter beide ondernemingen inderdaad dezelfde groep Duitse investeerders. Gegevens over grondbezit zijn in Roemenië niet altijd even makkelijk te achterhalen, maar uit die informatie blijkt ook dat zowel de vaste activa, schulden als de bedrijfsomzet van de Duitsers sinds 2007 opeens sterk zijn gestegen. Op dit moment gebruikt het landbouwconsortium de Roemeense landbouwgrond vooral om granen en oliezaden te verbouwen voor de export.

Sântana wordt dan ook langzamerhand omringd door buitenlandse graanproducenten die optimaal profiteren van de goedkope grond en de gunstige ligging ten opzichte van de West-Europese afzetmarkt. De drie boeren van de Roemeense landbouwassociatie aan de Strade Ghioceilor aan de rand van het dorp steken nog maar eens een sigaret op. ‘Sommige boeren willen hun grond niet verkopen en blijven daarin volharden’, zeggen ze. ‘Maar overal om ons dorp heen liggen ondertussen grote silo’s om graan in op te slaan. Als het zo doorgaat zijn we straks allemaal slaven van de Duitsers die onze grond gebruiken om te kunnen exporteren.’

Medium anp 33440595

Roemenië is een land van kleine boeren, ook nu nog. Een derde van de beroepsbevolking is werkzaam in de agrarische sector, waarvan 94 procent een familiebedrijf van minder dan tien hectare runt. De boerenstand speelt in Roemenië dan ook een grotere rol dan in de verder ontwikkelde kenniseconomieën van West-Europa. Toch heeft het land als nieuwbakken EU-lid na een overgangsperiode van zeven jaar begin 2014 zijn grondmarkt moeten liberaliseren. Kleine boeren zijn zo steeds meer verwikkeld geraakt in een concurrentieslag om de kostbare landbouwgrond met kapitaalkrachtige buitenlandse bedrijven, vertelt Attila Szöcs van boerenorganisatie Eco Ruralis.

Hij licht toe: ‘Recentelijk zijn wij begonnen met onderzoek naar de grote landacquisities die je sinds enkele jaren in heel Roemenië ziet. Je kunt stellen dat die grote landaankopen vaak veel lijken op wat je in Afrikaanse context al snel land grabbing zou noemen. Je ziet hier dezelfde dynamiek, al zijn de manieren waarop grote bedrijven aan land komen in Roemenië fundamenteel anders. Hier worden boeren niet van hun land af gedwongen door gewapende milities. Maar het is wel een feit dat landbouwgrond in toenemende mate wordt geconcentreerd in grote percelen waarop intensieve en exportgeoriënteerde landbouw wordt bedreven. En vaak gebeurt dat met zeer nadelige economische en sociale gevolgen voor de lokale gemeenschap. De rurale armoede aan de kust van de Zwarte Zee is echt onvoorstelbaar. Arme boeren wonen daar in lemen hutjes terwijl sommige grote landbouwbedrijven bewaakt worden door mannen met kalasjnikovs.’

Eco Ruralis is gevestigd in Cluj-Napoca, de grootste stad van de bergachtige landstreek Transsylvanië in het centrum van Roemenië. De organisatie houdt kantoor in een nauw straatje net buiten het centrum van de pittoreske studentenstad. Hoewel de tegenstelling tussen enorm grote boerenbedrijven en heel kleine familiebedrijfjes niet nieuw is in het land, heeft de influx van buitenlandse bedrijven sinds 2007 een flinke stimulans gekregen door de manier waarop het EU-beleid is ingericht, legt Szöcs uit in een kleine moestuin waar de medewerkers van Eco Ruralis verse groenten telen. De organisatie is in 2009 opgericht door vijf boerenfamilies en telt ondertussen enkele duizenden leden verspreid over het hele land.

‘Plattelandsdorpen dreigen eilandjes te worden in een oceaan van op export gerichte monoculturen’

Na de val van het Ceausescu-regime in 1989 werden veel voormalige communistische staatsboerderijen opgeknipt en in kleine lapjes landbouwgrond teruggegeven aan de oorspronkelijke boerenbevolking, terwijl ruim de helft van het in totaal ongeveer tien miljoen hectare tellende landbouwareaal van Roemenië in handen viel van oligarchen die onder het communisme rijk waren geworden. ‘Na de revolutie in 1989 investeerde niemand hier in landbouw, dus zijn de eerste grote investeerders ermee aan de haal gegaan’, zegt Szöcs. ‘Meestal Roemeense cowboys die bereid waren om risico’s te nemen. Maar de multinationale landbouwondernemingen uit het Westen lieten niet lang op zich wachten. Zeker sinds bekend werd dat Roemenië zou toetreden tot de EU is de belangstelling voor Roemeense landbouwgrond snel toegenomen.’

Sindsdien zijn de spelregels steeds een beetje meer aangepast in het voordeel van grote landbouwbedrijven, meent Szöcs. De drie grootste ontvangers van Europese landbouwsubsidies in 2013 mochten volgens gegevens van het Roemeense landbouwagentschap apia bij elkaar opgeteld bijna vijftien miljoen euro uit Brussel toucheren. Terwijl kleine boeren met minder dan een hectare aan grond, toch bijna de helft van het totale aantal Roemeense landbouwbedrijven, helemaal geen aanspraak kunnen maken op die subsidies uit Brussel. Een fiks probleem in een agrarisch land als Roemenië, constateren onderzoekers van de eveneens in Cluj-Napoca gevestigde Babes-Bolyai Universiteit dan ook in 2011. Het gevaar is volgens Eco Ruralis reëel dat kleine boeren in de run op de vruchtbare Roemeense landbouwgrond steeds meer van hun land gedrukt zullen worden in de jacht van tegen elkaar opbiedende landbouwinvesteerders naar zo groot mogelijke percelen grond. Met niet alleen het gevaar van toenemende rurale armoede, maar ook migratie van die landloos geworden Roemenen naar West-Europa als gevolg.

‘Als je op de kaart kijkt waar in Roemenië de meeste armoede voorkomt’, zegt Szöcs, ‘dan is dat over het algemeen in dezelfde gebieden waar grote landbouwbedrijven de grond hebben overgenomen van kleine boeren. Plattelandsdorpen dreigen zo eilandjes te worden in een oceaan van op export gerichte monoculturen, terwijl Roemenië als geheel veel meer afhankelijk wordt van import omdat de lokale landbouw langzaamaan verdwijnt. Banen worden er niet gecreëerd door die intensieve exportlandbouw, dus vertrekken veel Roemeense boerenzonen naar Italië, Duitsland of Nederland om daar tegen minimumlonen gewassen te oogsten die vervolgens weer naar Roemenië geëxporteerd worden. Het Westen vreest voor immigratie van Roemeense landarbeiders terwijl wij hier bang zijn voor westerse landbouwbedrijven.’

Net buiten het stadscentrum van Cluj-Napoca ligt achter een prachtige gele poort de groene en lommerrijke campus van de in 1869 opgerichte landbouwuniversiteit. De oude gebouwen stralen de rust en grandeur uit die verwacht mag worden van een befaamde onderwijsinstelling. Er is zelfs een nieuwe bibliotheek in aanbouw op het campusterrein. Een fikse moderniseringsslag van de kleinschalige en vaak inefficiënte Roemeense landbouw is ondanks alles geen slecht idee, vertelt Cristina Pocol in een stille hal naast de ingang van de universiteit. Roemenië is een van de armste landen van de EU en er is een enorm landbouwpotentieel waar niets mee gedaan wordt; een luttele acht procent van het totale aantal boerenbedrijven produceerde in 2011 structureel voor de markt. Pocol is als PhD-docente rurale economie verbonden aan de universiteit en waakt ervoor om al te romantisch te zijn over het kleine boerenbestaan. Ze vertelt: ‘Veel kleine boeren die na de revolutie land terugkregen, gebruiken nog steeds landbouwmethoden van zestig jaar geleden. Daarbij is de gemiddelde leeftijd op het platteland boven de vijftig. We hebben dan wel genoeg vruchtbaar land in Roemenië, maar niet de mankracht om dat land te bewerken.’

Maar om de concurrentieslag op de mondiale landbouwmarkt aan te kunnen, moeten de kleine familiebedrijven sterk moderniseren, legt Pocol uit. Groepen studenten drommen langs over de houten trappen van de oude landbouwuniversiteit. De belangstelling voor het boerenvak neemt onder jongeren de laatste jaren weer toe, constateert ze tevreden. ‘Maar jonge boeren moeten zich realiseren dat ze wel voor de markt moeten kunnen produceren om te overleven. Ze moeten waarde aan de primaire producten leren toevoegen. Geld verdienen met alleen hun primaire productie kan niet meer op een wereldmarkt van miljoenen boeren. Het verkopen van fruit alleen is niet voldoende, je moet zelf jam leren maken.’

De traditionele, zelfvoorzienende landbouw zoals veel kleine boerenbedrijfjes die nu nog steeds in de praktijk brengen heeft op zichzelf dan ook weinig toekomst in de moderne wereld, denkt ze: ‘De lage ontwikkelingsgraad van de Roemeense landbouw is een groot probleem. Als boer moet je ook ondernemer zijn. Maar alleen industriële landbouw werkt ook niet. Dat is leuk om geld mee te verdienen, maar grote agribusinessbedrijven nemen maximaal enkele tientallen mensen aan. Werk creëer je er dus niet mee. En eventuele milieuproblemen, door bodemuitputting of overdadig gebruik van chemicaliën, spelen natuurlijk ook een rol. Het Roemeense landbouwmodel moet uiteindelijk een hybride worden tussen lokaal opererende boeren en grootschalige exportlandbouw.’

Medium pns 2141324
‘Veel boeren lezen de kleine lettertjes van een contract niet en dan voelen ze zich achteraf belazerd’

Tijdens de ruim vijf uur durende treinreis van Cluj-Napoca naar Arad verandert het landschap snel. Tussen de heuvels van Transsylvanië liggen overal lapjes omgeploegde zwarte grond. Boeren trekken hier nog met houten karren rond tussen kleine, pittoreske boerderijtjes. Naarmate het landschap vlakker wordt neemt het aantal grote landbouwbedrijven langzaam toe, totdat in de buurt van de 160.000 inwoners tellende districtshoofdstad Arad de eerste graansilo’s in de avondschemering opduiken. Volgens onderzoek van Eco Ruralis zijn de meeste van die silo’s in handen van grote voedselmultinationals als het Amerikaanse Cargill. Toch is die definitieve overstap van Roemenië van traditionele naar grootschalige, industriële landbouw noodzakelijk voor de vooruitgang van het land, vertelt een in een roze overhemd gestoken medewerker van het lokale apia-kantoor de volgende ochtend.

APIA is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de Brusselse landbouwsubsidies in Roemenië zelf. Na een klein uur wachten op de derde verdieping van een in typisch communistische stijl vormgegeven administratiekantoor met bruine, geblindeerde ramen duikelt de veertiger razendsnel een aantal cijfers op uit zijn computer. Het Duitse landbouwconsortium twintig kilometer verderop in Sântana bezit op dit moment ruim tweeduizend hectare aan grond rond het dorp en verbouwt daarop tarwe, maïs, zonnebloemen en raapzaad. De Duitsers zijn al sinds 2004 actief in het dorp maar hebben hun areaal sinds de Roemeense EU-toetreding in 2007 snel uitgebreid, leest hij op van zijn beeldscherm: ‘De Duitsers gebruiken heel modern landbouwmaterieel waardoor onze grond nu veel efficiënter bewerkt kan worden. De winst vloeit misschien wel naar het buitenland, maar wij Roemenen zijn trots op de hogere landbouwopbrengsten die zo gerealiseerd kunnen worden.’

Volgens de ambtenaar houden de groeiende bezwaren van lokale boeren tegen de landconcentratie dan ook geen stand: ‘Een contract is een overeenkomst tussen twee partijen. Veel van die boeren lezen de kleine lettertjes van zo’n contract niet en dan voelen ze zich achteraf belazerd omdat ze misschien meer geld hadden kunnen krijgen voor hun grond. Maar ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun handtekening.’

De gemiddelde prijs voor landbouwgrond in Roemenië is inmiddels gestegen van vijfhonderd euro per hectare in 2000 tot ruim vierduizend in 2015. Sinds de toetreding tot de EU is de grondprijs zelfs verdrievoudigd. En er zijn nu meer kapers op de kust die de druk op lokale boeren nog eens extra vergroten. Want na de ontdekking van fossiele brandstoffen in de Roemeense bodem willen internationale energiebedrijven ook toegang krijgen tot de toch al felbegeerde grond.

Razvan Bulboaca is gemeenteraadslid in het dorp Curtici, tien kilometer van Sântana. Op een zonnige woensdagochtend geeft hij tekst en uitleg in een hippe koffiebar aan de Revolutieboulevard in Arad. ‘In de zomer van 2013 heeft de gemeenteraad in Curtici besloten om boren naar schaliegas te verbieden. Dat besluit is door zowel de regering in Boekarest als de schaliegasbedrijven zelf naast zich neergelegd. De bevolking van het dorp is bang voor de vervuiling die fracking met zich meebrengt, maar het Nationale Agentschap voor Minerale Hulpbronnen heeft toch een perceel voor schaliegaswinning toegewezen aan de energiebedrijven.’

Schaliegas zit opgesloten in hard gesteente, waardoor er grote hoeveelheden water en chemicaliën de bodem ingespoten moeten worden om het gas te kunnen bereiken, met alle milieurisico’s van dien. De lokale gemeenschap zit dan ook absoluut niet te wachten op de schaliegaswinning. SC Panfora Oil Gas SRL, het bedrijf dat verantwoordelijk is voor het verkennen van de mogelijke gasconcessies, is contractueel aan het Hongaarse moederbedrijf MOL Oil Gas verplicht om dit kalenderjaar nog uit te vinden hoeveel gas er precies in de grond rond Curtici zit, zegt het raadslid: ‘Lokale boeren zijn bedreigd door Panfora. Als er daadwerkelijk gas gevonden wordt zullen de boeren gedwongen worden hun land te verkopen. Dat zou een ramp zijn in een landbouwgebied als dit.’

Bulboaca is bang dat in het meest zwarte scenario zijn landbouwdorpje kan veranderen in een oliestad. Achter de ramen van de winkeltjes en restaurants van het 7500 inwoners tellende Curtici hangen daarom overal pamfletten tegen de schaliegaswinning. In het dorp is geen sprake van strijd tussen kleine en grote boerenbedrijven, benadrukt de in leren jack gestoken raadsman. ‘Deze regio staat bekend om zijn tomaten. Die worden verkocht in heel Roemenië. Aan de tomatenteelt verdienen ook de kleine boeren erg goed. Het grote bedrijf hier in de buurt is een Roemeens landbouwbedrijf, Cai Curtici. De eigenaar daarvan huurt het land dat de boeren zelf niet gebruiken voor een behoorlijk goede prijs. Land grabbing is niet aan de orde in Curtici. Maar op nationaal niveau is inmiddels een flink deel van de vruchtbare landbouwgrond in handen van buitenlandse bedrijven, waardoor de grondprijs blijft doorstijgen. Welke gevolgen dat heeft voor kleine boeren weet ik niet, maar de tijd van goedkope Roemeense landbouwgrond is definitief voorbij.’

‘Het land moet de mensen voeden, niet de winsten van olie- en gasbedrijven spekken’

Dimitrie Musca zit onderuitgezakt in een leren fauteuil in het ruim bemeten hoofdkantoor van zijn landbouwimperium Cai Curtici. Op zijn bureau staat een gouden tractor en aan de muur hangen zeven flatscreentelevisies waarmee hij de 35 supermarkten die hij bezit in de stedelijke gebieden rond Arad en Timisoara in de gaten houdt. Zijn bedrijf bewerkt in totaal zo’n vijfduizend hectare aan landbouwgrond rond Curtici, die hij niet van plan is op te geven. ‘Schaliegaswinning is een erg onveilig proces, er worden altijd fouten gemaakt en er lekken altijd chemicaliën de bodem in die onze oogst kunnen vergiftigen en in het grondwater terechtkomen’, zegt hij stellig. ‘Dat laat ik niet gebeuren. Het land moet de mensen voeden, niet de winsten van olie- en gasbedrijven spekken. Het is nu zaak die schaliegasbedrijven te stoppen voor ze de bodems verpesten. Wij zorgen ervoor dat mensen in het dorp goed op de hoogte zijn van wat de landprijs is, aangezien er regelmatig medewerkers van de schaliegasindustrie in suv’s rondrijden om boeren onder druk te zetten om hun grond te verkopen.’

Musca is steenrijk geworden sinds hij Cai Curtici in 1991 begon op de structuren van een voormalige communistische staatsboerderij. Hij heeft de hele voedselketen verticaal weten te integreren van veevoerproductie, via twee grote veebedrijven tot aan de supermarkten in de stad. Hij huurt grond van lokale boeren die hij, naar eigen zeggen, naar tevredenheid laat meeprofiteren van de winsten die het bedrijf boekt. Hoewel hij tegenover de schaliegasbedrijven die azen op grond in de buurt een radicaal standpunt inneemt, is kritiek op grootschalige landacquisities bij Musca aan dovemansoren gericht. Landbouw moet efficiënt gebeuren en dat kunnen grote bedrijven volgens de rijke herenboer nu eenmaal het beste. Wie precies de grond cultiveert doet er volgens hem niet zo veel toe.

Door het gewicht dat hij zelf in de schaal kan leggen hoeft hij zich weinig zorgen te maken over buitenlandse concurrentie. In de regio Arad is zijn bedrijf het op een na grootste, na het Oostenrijkse Ineu SRL. In de aankoop van Roemeense landbouwgrond door buitenlandse landbouwbedrijven ziet hij dan ook weinig verkeerds, zegt hij: ‘Dat is wat de markt dicteert, ik wens daar verder geen commentaar op te geven. Ik zorg ervoor dat boeren die mij hun land verhuren een goede deal krijgen. Ze kunnen in geld uitbetaald worden of krijgen anderhalve ton graan per hectare.’

Toch is het maar de vraag wat al die opwaartse prijsdruk op Roemeense landbouwgrond, de wereldwijd stijgende voedselprijzen en de almaar groeiende belangstelling van internationale landbouwinvesteerders gaan betekenen voor de boerenstand in Roemenië. Steeds meer Roemeense boeren vinden dat de grondaankoop door buitenlandse investeerders nu toch echt eens aan banden gelegd moet worden, zo blijkt uit onderzoek van het in Boekarest gevestigde consultancybedrijf DTZ Echinox.

In de uitgestrekte velden rond het net buiten Arad gelegen dorp Vladimirescu zijn nog maar weinig kleine landbouwers of familiebedrijfjes te vinden, vertelt een boerenzoon die zich op zijn fiets een weg baant over een modderig pad. Vladimirescu is langzaamaan veranderd van een boerendorp in een voorstad met forenzen die niet veel binding meer hebben met de oorspronkelijke boerengemeenschap. Veel grond in en rond het dorp, zo’n vijfduizend hectare, is ondertussen in handen van het Oostenrijkse bedrijf Donauland SRL.

Vier oude boeren in blauwe overalls zijn aan het werk tussen de witte gebouwen van een voormalige communistische staatsboerderij aan de rand van het dorp. De schuren op het erf worden omringd door velden met maïs, raapzaad en andere bulkgewassen. ‘Donauland heeft veel land opgekocht van kleine boeren om ervoor te zorgen dat ze grote aaneengesloten stukken land kunnen bewerken’, vertelt de oudste van het viertal. ‘Op die manier kunnen ze natuurlijk heel efficiënt landbouw bedrijven, maar ze trekken wel steeds meer macht naar zich toe waardoor kleine boeren geen poot meer hebben om op te staan.’ Lokale boeren hebben verleden jaar dan ook tijdens een door activisten georganiseerde bijeenkomst met de burgemeester van het dorp hun onvrede geuit over de schamele hoeveelheid graan die ze jaarlijks ontvangen van Donauland voor de verhuur van hun grond. Het bedrijf heeft Oostenrijkse werknemers uit het moederland gehaald om de Oostenrijkse machinerie die ingezet wordt te kunnen bedienen. Daarbij blijkt Donauland in handen te zijn van dezelfde eigenaar als het grootste landbouwbedrijf in de buurt, Ineu SRL. De beide bedrijven ontvingen in 2013 gezamenlijk bijna twee miljoen euro aan landbouwsubsidie uit Brussel.

De boeren op het erf van de voormalige communistische staatsboerderij wijzen naar het dorp Horia, aan het einde van de weg die zich onder een grijze wolkenlucht tussen de grote groene akkers met jonge maïs heen slingert. ‘In het volgende dorp vind je misschien nog één of twee kleine boeren’, zeggen ze. ‘De rest is verdwenen. Donauland heeft die boeren allemaal uitgekocht om zich van een groot areaal bestemd voor bulkproductie te kunnen verzekeren. Ze zijn zelfs naar Brussel gegaan om een klacht in te dienen toen ze daarin dwars werden gezeten door de lokale autoriteiten. Zo machtig zijn die buitenlandse bedrijven ondertussen.’


Beeld: (1) Graanoogst in Orezu, Zuidoost-Roemenië (Bogdan Cristel /Reuters); (2) Boekarest, april 2015. Twaalfhonderd boeren protesteren tegen achterstallige betalingen en voor meer subsidie (Daniel Mihailescu/ AFP / ANP); (3) Hooien in Bocicoel, Noordwest-Roemenië (Yvan Travert / Photononstop RM / HH)