De bevlogen kerstredes van koningin Beatrix

«Landgenoten»

De bezorgdheid van koningin Beatrix over de toekomst van onze door egoïsme geïnfecteerde wereld, zoals uitgesproken in haar kerstredes, vormt een contrast met de jingle bell-cultuur van het hedendaagse Kerstfeest.

In een vrolijk verwoord tafereeltje tovert koningin Beatrix haar volk de koninklij ke familie voor. Inclusief het snel aanwassende aantal kleinkinderen slaan de Oranjes op het borders van Huis ten Bosch de entree van de kerstman gade. Licht en vrolijkheid. Het is eerste kerstdag, ’s middags even na enen. Met de jaarlijkse kerstrede van de koningin is het Kerstfeest pas werkelijk begonnen.

Een dergelijke joyeuze voorstelling van het Kerstfeest zou misstaan in de serie redes die Beatrix sinds haar aantreden in 1980 ten gehore heeft gebracht.

«Kerstmis inspireert tot inkeer», laat Beatrix ons meteen aan het begin van haar eerste rede weten. Dat deze roep om inkeer niet zonder reden is, maakt zij telkens op niet mis te verstane wijze duidelijk. Daarbij gaat het niet om de fraaie verwoordingen, de subtiele allusies. Voor literair vertoon is de kerstboodschap van een staatshoofd niet het platform. Bepalend is de bekommernis om het lot van de wereld en van degenen die er leven, de stemmigheid en zwaarte die een tegenwicht bieden aan de opgeklopte blijheid van een in oppervlakkigheid verzadigde maatschappij. Vanaf haar eerste kerstrede voert Beatrix de toehoorders naar een wereld «die bedreigd wordt door toenemend geweld en onbegrensde vernietigingskracht». Keer op keer waarschuwt zij voor het gebrek aan menselijke solidariteit, dat zij als een belangrijke oorzaak beschouwt van armoede en andere ellende.

Het pleidooi voor meer solidariteit behoort tot de vaste punten in de toespraken. Wie ze achter elkaar leest komt niet een naar de waan van de dag bijeengeveegde verzameling items tegen, maar de ontwikkeling van een visie, waarbij soms directe verwijzingen voorkomen naar gebeurtenissen die het land of de wereld sterk beroerd hebben.

Bij de duiding van de kerstredes mogen wij niet uit het oog verliezen dat deze bij een christelijk feest horen. Van het christelijke denken over Kerstmis maakt hoop een integraal onderdeel uit. Hoewel de koningin een groot aantal wereldomspannende problemen signaleert, staan haar toespraken toch in het teken van een verbeterde, lichte wereld. «Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht», citeert zij «met heel oude woorden» (1981). In datzelfde jaar: «Van oudsher is Kerstmis het feest van het licht dat doorbreekt in de duisternis. Licht dat wij mogen ontvangen en doorgeven daar, waar de wereld donker lijkt.»

Deze gedachte krijgt in de toespraken tegenhangers in de verwoording van de duis ternis, het kwaad, dat in niet mis te verstane bewoordingen naar buiten komt. «Fanate haat en de vernietigende kracht van het kwaad troffen de westerse wereld dit jaar met een schok die gevoelens van geborgenheid aantast en diep ingrijpt in vermeend welbehagen», laat Beatrix aan het einde van 2001 weten. Hoe kan het anders, na de vernietiging van de Twin Towers?

Het laatste citaat toont een belangrijk kenmerk van de toespraken. Goede speech schrijvers leggen zich doorgaans toe op het concretiseren van de zaken die zij te melden hebben. Beelden zijn voorstelbaar, blijven bij de luisteraar hangen en zorgen in hoge mate voor de indruk die de toespraak maakt. Juist zulke concretiseringen, die toespraken kunnen doen uitstijgen boven het voorspelbare, zijn in de kerstredes van de koningin grotendeels afwezig. Enerzijds heeft dit te maken met de positie van degene die de toespraken uitspreekt. Iedere concretisering kan vervangen worden door een andere. Het noemen van man en paard kan anderen het idee geven dat zij worden overgeslagen. De woorden van Beatrix zijn universeel bedoeld. Dus zelfs in het geval van de Twin Towers gaat het niet aan de «vernietigende macht van het kwaad» in concrete termen te verwoorden. Let wel: alleen een vorstin kan zich een meer algemene formulering in een «verheven» stijl veroorloven. Daarbij geldt één restrictie: wanneer de teksten van de kersttoespraken zouden vervallen in algemeen heden zou dit met des te grotere kracht tegen ze werken. Maar zo is het niet.

Doordat de koningin in korte tijd meestal veel te zeggen heeft, vraagt dit om een pregnante verwoording. Ook daarom laten de redes zich beter lezen dan beluisteren. Bij dit lezen onderging ik een gewaarwording die ik niet verwacht had. Ik las de teksten met toenemende bewondering. Dit komt door de grote persoonlijke betrokkenheid waarmee de koningin zich teweerstelt tegen de dreigende teloorgang van de wereld. Maar ook door haar weloverwogen visie op zaken die het menselijk bestaan waardevol kunnen maken, zoals het besef dat wat in het heden gebeurt zijn bronnen vindt in het verleden.

In haar rede van 1985, een jaar dat in het teken stond van jongeren, laat Beatrix zich expliciet uit over de geschiedenis. Veertig jaar eerder kwam de Tweede Wereldoorlog tot een einde. «Herdenken», zegt Beatrix, «is het bewust oproepen van de herinnering, het zoeken naar een overbrugging tussen de wereld van het heden en die van het verleden. In de geschiedenis vindt het leven zijn continuïteit.»

Nu, weer twintig jaar later, hebben wij een spel als Wie is de Grootste Nederlander nodig om de bijna totaal verloren aandacht voor de geschiedenis vooral bij jongeren weer aan te jagen. Wat deze jongeren aangaat is de vorstin in 1985 nog positief: «Jongeren willen het verleden, waaruit ook hun generatie voortkomt, niet ontkennen. Zij vragen wél het recht op een eigen beleving daarvan.» Tegenwoordig lijkt het erop alsof eigen beleving de overhand heeft gekregen boven zelfs de geringste feitenkennis, die ten grondslag ligt aan het ontwikkelen van een visie. Toch zouden de woorden die onmiddellijk volgen op de geciteerde zin als een motto kunnen gelden bij de hedendaagse pogingen de geschiedenis tot leven te wekken: «Het verleden is niet een last die door de oudere generatie op de schouders van een volgend geslacht kan worden gelegd. Het is een voorbije werkelijkheid, die telkens opnieuw een plaats moet krijgen in het heden. De opgave is, het goede uit het verleden steeds een nieuwe gestalte te geven.»

De uitspraken over het belang van de geschiedenis krijgen enkele jaren later een verbreding. In 1991 plaatst Beatrix het creatief invullen van de toegenomen vrije tijd tegen over de ontspanning die ontaardt in een neiging «zich te onttrekken aan een werkelijkheid vol moeite en zorgen». Hierop volgt een aantal opmerkingen over het belang van cultuur, die niet een vlucht betekent uit het leven, maar «beleving, zingeving en verbeelding van het bestaan». Volgens Beatrix manifesteert cultuur zich in de vorm die aan het leven wordt gegeven, in de «ordening van de fysieke ruimte, in gebouwen, monumenten en voorwerpen, in acties en reacties van mensen, in de wijze waarop we elkaar bejegenen, in de taal». Bovendien zijn wij in de cultuur de dragers en doorgevers van een gemeenschappelijk verleden. Cultuur is niet erfelijk in biologische zin, maar «het erfgoed dat moet worden overgedragen en aangeleerd. In de geschiedenis raken normen en waarden van generatie op generatie in het bestaan ingeslepen.»

Zouden politici, ministers incluis, die zich met onderwijs bezighouden wel eens naar de redes van de koningin luisteren? Het is verleidelijk nog veel meer te citeren uit de kerst rede van 1991. Ook voor degenen die zich opwerpen als behoeder van de kunst staan hier woorden die, dertien jaar na dato, bijna schrijnend zijn: «Kunstenaars roepen gedachten en gevoelens op, verwondering en vragen, verrukking en verbijstering. In de kritiek op de massaliteit loopt kunst voorop, is zij onontkoombaar elitair, exclusief en soms moeilijk te volgen.»

De uitspraken over kunst sluiten naadloos aan bij de algehele teneur van de redes. In de wereld van de bezinning waartoe de koningin oproept, kennen zij een belangrijke functie toe aan de vervaardigers van het unieke. Kunst mag inderdaad elitair zijn en «moet zelfs eenzaam zijn om haar uitzonderlijke voortrekkersrol te kunnen vervullen». Wat hierop volgt zou het huidige kabinet zich persoonlijk kunnen aantrekken: «Van de samenleving wordt gevraagd daarvoor de ruimte te geven, ruimhartig te tolereren wat niet onmiddellijk wordt begrepen, wat zelfs provoceert en kwetst.»

Een koningin die oproept tot tolerantie voor kunstzinnige provocaties is een zegen voor het volk. En degenen die ieder jaar weer met verbijstering gadeslaan hoe de koninklij ke familie zich als uiting van gemeenschapszin onder het volksdansende deel van het volk begeeft, kunnen zich op die momenten misschien troosten door te denken aan de intellectuele missie van de koningin. Dit is een kritiekpuntje op de redes: voor de gemiddelde koek happer is het abstractieniveau ervan te hoog.

Overigens plaatst Beatrix wel een kritische kanttekening bij de oproep tolerantie te betonen tegenover kunstuitingen: «Kunst vertolkt soms ook lelijke en afstotende gedachten en gevoelens.» Zij laat het echter over aan degenen die van deze uitingen kennis nemen om zelf vanuit hun eigen waarden tot een beoordeling te komen. Ook hier gaat het weer om een kritische toetsing, «en te blijven zoeken naar kwaliteit, oprechtheid en integriteit». Want: «In een vrij samenspel tussen kunstenaar en politiek, protest en instemming, krijgt de samenleving glans.»

Het pleidooi van de koningin voor kunstenaars die «onze ogen en oren, onze harten en zinnen openen voor dat wat juist niet deel uitmaakt van de sleur van alledag» staat niet op zichzelf. Het vormt onderdeel van haar denken over de almaar groeiende aandacht voor de materiële kanten van het bestaan. De koningin spreekt in dit kader haar zorg uit over de ongebreidelde techniek. In 1990 benadrukt ze dat de mens technieken beheerst waarmee hij alles wat leeft kan beïnvloeden. Dit stelt ons voor de vraag hoe ver wij met het uitbouwen daarvan moeten gaan. Alleen al het respect voor de natuur is «moeilijk in overeenstemming te brengen met onze hedendaagse leefwijze en onze manier van produceren». Maar het is de koningin niet alleen daar om te doen. Respect voor de natuur is namelijk ook niet «te rijmen met pogingen dieren – en straks misschien zelfs mensen – om te vormen tot door ons bedachte creaturen». De mens moet zijn vooruitgangsgeloof in bedwang houden: «Kritisch zullen wij de vele mogelijkheden die de menselijke geest weet te ontwikkelen, tegemoet moeten treden.» En even daarvoor: «Nieuwe ontwikkelingen kunnen alleen worden omgezet in welzijn voor mens en natuur als zij begrensd en beheerst worden door moraal en levensovertuiging.»

Essentieel bij deze gedachten is de passage waarin Beatrix oproept de vele mogelijkheden die de menselijke geest weet te ontwikkelen kritisch tegemoet te treden «in een moraal die harmonie met de Schepper, de natuur, de medemens en de eigen ziel tot uitgangspunt neemt». Ook voor degenen die de Schepper uit dit rijtje schrappen, geeft deze zin voldoende stof tot nadere overweging. Immers: «Weten en geweten liggen in elkaars verlengde. Leven vanuit beginselen – dáárin is de mens uniek.»

In het herhaalde benadrukken van de noodzaak tot wederzijdse verantwoordelijkheid spreekt de koningin er impliciet haar bezorgdheid over uit dat het leven vanuit de beginselen die zij voorstaat onderhevig is aan voortdurende inflatie.

Soms lijkt het erop dat de koningin ieder jaar iets meer prijsgeeft van de samenhang in haar opvattingen. In 1992 spreekt zij over de drang tot individuele vrijheid en het nastreven van persoonlijk succes. Maar individualisme vraagt om toetsing aan waarden, omdat geen mens ongebonden kan leven. «In deze tijden», echter, «heerst onzekerheid en grote verlegenheid met het overbrengen van waarden van de ene generatie op de andere. Dit geldt zowel in het gezin als in het onderwijs en andere maatschappelijke instellingen.» Sprak Beatrix al in 1985 over het belang van de geschiedenis, hier gaat zij expliciet in op de omgevingen waar jonge mensen respect voor opvattingen en gevoelens van anderen, geduld, wellevendheid, begrip en verantwoordelijkheid voor elkaar en mededogen met zwakken en misdeelden moeten leren. Deze laatsten immers vormen de maatstaven voor menselijk handelen die een samenleving bijeenhouden. En opnieuw laat Beatrix haar zorg blijken over de «bijna onbegrensde kennisoverdracht», die tot niets leidt als het niet lukt nieuwe generaties te inspireren tot gemeenschapszin. Het overdragen van normen en waarden is daarbij moeilijker dan kennisoverdracht. Van de opvoedende generaties vraagt zij hun schroom af te leggen en jongeren aan te spreken op hun verantwoordelijkheden. Alleen zullen zij daar pas in kunnen slagen als zij in hun persoonlijk handelen iets van hun overtuigingen laten zien.

Inmiddels zijn we bijna dertien jaar verder en kunnen we de vraag stellen wat er van de oproep tot verantwoordelijkheid is terecht gekomen.

In haar kerstredes stelt koningin Beatrix zich met elan teweer tegen de vervlakking, tegen het gemakkelijke en het egoïsme. Zij toont zich bekommerd om armoede en om het lot van daklozen, dit laatste aan het einde van het jaar 1987, dat in het teken stond van dit «leed dat zo veelomvattend en zo schrijnend (is) dat het ons voorstellingsvermogen te boven gaat». Zij wijst op de miljoenen zwerfkinderen, van wie het aantal toeneemt, ook in het rijke Westen. «Zij zijn de kinderen van de rekening, de onbetaalde rekening van de verstedelijking: vereenzaming te midden van massa’s mensen.» En opnieuw stelt ze met nadruk dat de mens onwaardige toestanden waarin zwervers leven niet hun zorg is, maar die van ons: «Armoede is onrecht. Armoede ontneemt mensen hun vrijheid. Daarom is het een probleem van de hele maatschappij.»

De redes kun je dus het beste in chronologische samenhang lezen. Hoewel Beatrix het als haar opdracht beschouwt in deze wereld vol onheil uiteindelijk een bemoedigend woord te spreken, worden haar toespraken er op den duur niet bepaald vrolijker op. «Kerstmis richt onze aandacht juist op het positieve», meldt zij in haar allereerste toespraak. En: «Vooral nu voelen wij allen, en zeker zij die eenzaam, verlaten of angstig zijn, hoezeer wij elkander nodig hebben.» De zekerheid van dit «allen» vermindert in de loop der jaren. Natuurlijk, de velen die er ellendig aan toe zijn voelen nog wel degelijk die behoefte aan hulp. Maar de anderen, zij die niet opgejaagd worden, die geen honger hebben en die zich wel veilig voelen «in gemeenschap met anderen», hoe staat het met hen? Beter wordt het er allemaal niet op. «Wij leven in een verwarrende tijd, vol onvrede en onbestemde angstgevoelens», zegt Beatrix in 2002. Voor de lezers die het denken van de koningin hebben zien evolueren, komt deze mededeling niet als een verrassing. En als op deze woorden volgt dat de samenleving «lijkt te verloederen» spreekt zij zich explicieter uit dan ooit. Hoe kan het anders, na de gitzwarte 11de september? De herhaalde verzekering dat het licht van Kerstmis ondanks alles schijnt «in de donkerte van menselijke wreedheid en barbarij» is bij alle bekommernis de topos die bij het Kerstfeest hoort, inclusief het kerstkind, dat de koningin overigens in plaats van in een kribbe in een voederbak voor dieren laat leggen. Daarmee loopt zij al in 1987 vooruit op een discussie die juist de afgelopen maanden werd gevoerd.

Belangrijk is de constatering dat koningin Beatrix dieper, welsprekender en bevlogener op het handhaven en uitbouwen van normen en waarden ingaat dan welke politicus van christelijke huize ooit voor elkaar heeft gekregen. Daarin toont zij zich een ware voorgangster. Om het belang van haar constateringen en de ernst waarmee zij een betere wereld nastreeft, behoort er zorgvuldig naar haar stem geluisterd te worden. Misschien, zoals gezegd, is het beter de redes te lezen dan ze te beluisteren. Zinsbouw en woordgebruik zijn nu eenmaal niet toegesneden op het direct enthousiasmeren ofwel begeesteren van de luisteraars. Zij zijn er om te overdenken en te overwegen. En degene die daar werkelijk toe bereid is, moet de werkelijk belangrijke uitspraken selecteren uit de «verheven» bewoordingen, die een onzorgvuldige lezer gemakkelijk als clichés zal bestempelen. Maar de woorden die Beatrix uitspreekt zijn geen gratuite bemerkingen bij een oud christelijk feest; zij komen voort uit de overtuiging dat het, als we niet uitkijken, nog verder misgaat met de wereld. Daarin schuilt tevens het verdriet, dat voor de goede verstaander in toenemende mate naar voren komt uit deze toespraken.