Homesteading in Amerika

Landhonger

Een nieuwe generatie zoekt vrijheid op het land dat zwart Amerika nooit gegund werd. ‘We claimen het terug.’

Phillip Rudd en JamiQuan Saenz op hun land, 10 juli, Warfield, Virginia

Brunswick stew is het Amerikaanse zuiden op je bord. Zoet van de maïs en de tomaten. Pikant van de cayennepeper. De scheut worcestersaus is een koloniale onderstreping en de groenten – okra, bij voorkeur – zijn typerend voor het schroeiend hete klimaat en moeilijke grond in dit deel van Amerika. Voedzaamheid komt van goedkope ingrediënten waardoor Brunswick-stoofpot een ideaal gerecht is voor grote families en onverwachte gasten – bonen, vooral, en soms ook aardappelen. Hedendaagse voorkeuren hebben de oorspronkelijke toevoeging van eekhoorn, opossum of wasbeer uit de recepten doen verdwijnen. Niet erg, schrijft James Beard, Amerika’s eerste celebrity chef over ‘een van de beroemdste gerechten in de VS’. Geen twee recepten zijn volgende hem hetzelfde. Tegenwoordig raden de meeste versies kip aan.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Casper Thomas over de nieuwe generatie landontginners in Amerika. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere podcastkanalen

Over de herkomst van deze schotel wordt uiteraard gekibbeld. In het plaatsje Brunswick, Georgia, staat een gietijzeren ketel op een betonnen voetstuk. Hiermee zou de allereerste stew gemaakt zijn. Wie Brunswick County, Virginia, binnen rijdt, wordt onthaald met een trots houten bord waarop staat dat het gerecht juist hier is uitgevonden, door een Afro-Amerikaanse kok die eind negentiende eeuw een lokale magistraat vergezelde op een jachtpartij. Maar wie nu een Brunswick stew wil maken in Brunswick County moet moeite doen. Verse producten zijn moeilijk verkrijgbaar in dit dunbevolkte gebied van dichte naaldwouden en grijze aarde die is uitgeput door de tabaksteelt – sigarettenfabrikant Philip Morris heeft er zijn hoofdkwartier. ‘Dit is een voedselwoestijn’, vertelt Phillip Rudd die hier is neergestreken om zijn geluk te beproeven op het land.

Er bestaat een verbond van Brunswick stew-meesters die een jaarlijkse competitie organiseert en heeft vastgelegd aan welke eisen het gerecht moet voldoen. Dierlijke proteïne gaat er altijd in. Het gerecht dat Rudds echtgenote JamiQuan Saenz op een dinsdagmiddag in juni heeft bereid, valt daarmee buiten de officiële kaders. ‘Geschikt voor vegetariërs en veganisten’, schreef ze in de e-mail waarin ze beloofde lunch te serveren bij een bezoek aan de boerderij die ze samen met Rudd is begonnen. Zodra het deksel van de pan gaat vult de keuken van hun woning op houten palen zich met een uitnodigende geur. Geen vlees in deze stoof, maar bamboescheuten.

‘Monet zou hier kunnen schilderen’

Toch brengen Saenz’ aanpassingen het gerecht misschien wel dichter bij het origineel dan alle regels en rituelen pogen te doen. Brunswick stew is een gerecht dat werd geboren uit noodzakelijke zuinigheid en de opdracht om zo veel mogelijk monden te voeden met de weinige ingrediënten die voorhanden waren. En dat is precies de zelfgekozen levensmissie van dit echtpaar geworden. Op het platteland van Virginia hopen Rudd en Saenz een zelfvoorzienend bestaan te kunnen opbouwen.

Daarmee nemen deze twee hedendaagse ‘homesteaders’ een rol aan die doordesemd is van de historische betekenis in de Verenigde Staten. Homesteading was de manier waarop Amerika zich eind negentiende eeuw verder richting het westen uitbreidde, een haasje-over van geïsoleerde boerderijen steeds verder het continent in. Volharding, veerkracht en zelfstandigheid waren de deugden die de homesteading-cultuur schraagden. In afgelegen streken kom je nog weleens oorspronkelijke homesteads tegen, meestal verlaten. Wanden van verweerde houten balken bij elkaar gehouden door een mengsel van klei en stro. Vaak staat er een metalen windmolentje bij. Het kleine huis op de prairie.

Rudd wilde het oorspronkelijke leven in de blokhut zo dicht mogelijk naderen. De prefabwoning die hij uiteindelijk liet neerzetten is een compromis, vooral aan de plannen van Saenz, vertelt het duo. Rudd ziet het liefst zo min mogelijk anderen, Saenz hoopt juist dat hun homestead een gemeenschapshuis wordt. Ze wil lessen geven over een gezond dieet in een streek waar de dichtstbijzijnde supermarkt een stuk verder is dan de plekken waar je pizza of gefrituurde kip kunt krijgen.

Bovendien heeft de hedendaagse homesteader toch wel elektriciteit nodig, al was het maar voor internet. Amazon komt overal, en pakketjes met benodigdheden – boeken om uit te leren, gereedschap om mee te werken – worden bijna dagelijks afgeleverd. ‘Volledig losgekoppeld leven is wel het doel, maar nu gaat het nog niet’, aldus Rudd. Aan Saenz’ blik valt af te lezen dat het ook heel mooi is om het bij dat streven te laten. ‘In ieder geval komt ons water uit onze eigen put’, zegt ze.

Het was de pandemie die het koppel samenbracht. Saenz werkte in San Francisco als klinisch-sociaal werker. Door de lockdown kwam ze thuis te zitten. Net als dat van miljoenen anderen versmalde haar leven zich tot het scherm. Beperkend, maar ook een gelegenheid zich om zich volop over te geven aan haar werkelijke interesse. Saenz is lid van een online-discussiegroep over landbouw die besprak hoe groenten te verbouwen, welke procedures je moest volgen om land te kunnen kopen en hoe een boerderij rendabel te kunnen maken. Alle deelnemers zijn Afro-Amerikaans. ‘Onze gemeenschap valt vaak buiten de kanalen waarmee kennis en hulp wordt doorgegeven’, vertelt Saenz. ‘Facebook bood daarvoor een oplossing.’

Rudd was al langer lid was diezelfde groep en postte regelmatig over het land dat hij kocht in Brunswick County en hoe hij het gereed maakte voor beplanting. Hij en Saenz wisselden bijna een jaar lang berichten uit, over landbouw en over hun beider levens. Rudd is een oorlogsveteraan, Saenz worstelde met psychische problemen en wilde een nieuw leven beginnen. Inmiddels is het twaalf maanden geleden dat Rudd een ticket kocht voor Saenz om van Californië naar Virginia te vliegen en zijn nieuwe levenswerk te komen bekijken.

Aanvankelijk twijfelde Saenz of ze de uitnodiging moest aannemen. Tegelijk herinnerde ze zich de woorden van haar favoriete tante. ‘Zij vertelde me: je moet op elk moment klaar zijn om je koffers te pakken’, aldus Saenz. In die levensles zat een dosis avontuurlijkheid gevat, maar ook een lange geschiedenis hoe zwart Amerika van land en thuis werd verdreven. Saenz heeft met aandacht gevolgd hoe er dit jaar werd stilgestaan bij de gebeurtenissen in Tulsa, Oklahoma, waar honderd jaar geleden Amerika’s welvarendste Afro-Amerikaanse gemeenschap werd verwoest door een blanke meute die het had voorzien op het gunstig gelegen land.

De geschiedenis van de VS hangt aan elkaar van dit soort landjepik. Het begon direct na de afschaffing van de slavernij toen grondbezit voor Afro-Amerikanen voor het eerst mogelijk werd en gaat door tot aan het heden.

The Atlantic publiceerde onlangs een artikel getiteld ‘The Great Land Robbery’ waarin werd uiteengezet op welke manier zwarte Amerikanen hun grond verliezen. Het Amerikaanse ministerie van Landbouw, bijvoorbeeld, is altijd veel bereidwilliger geweest subsidie en leningen te verstrekken aan witte boeren dan aan hun zwarte collega’s. Lokale overheden, zeker in de zuidelijke staten, hebben Afro-Amerikanen talloze malen vergunningen geweigerd die witte boeren wel kregen. Taxaties van land in zwart eigendom worden soms bewust te hoog gezet, waardoor de belastingafdracht zo veel werd dat de zwarte boer failliet gaat, en zijn land te koop komt.

Rudd en Saenz kennen de verhalen. Een buurman, ook zwart, kocht een levering zaad van de lokale afdeling van het ministerie van Landbouw. Het bleek rommel die nooit ontkiemde. Zijn oogst mislukte en hij dreigt nu failliet te gegaan, vertellen ze. ‘En raad eens wie het land wel wil kopen: datzelfde kantoor’, aldus Rudd.

‘Land verdwijnt nooit in Amerika’, concludeert Vann R. Newkirk II, de auteur van het Atlantic-artikel. Het enige wat er gebeurt is dat het van het ene paar handen naar de andere overgaat. Wat er volgens hem heeft plaatsgevonden is een massale overdracht van grond van zwarte boeren die failliet gingen of het opgaven naar grote landbouwbedrijven en individuele witte agrariërs. De cijfers laten het zien. Begin vorige eeuw waren er een miljoen zwarte boeren. In 1992 waren er nog achttienduizend.

In dit Amerika is de mogelijkheid om land te verwerven voor veel Afro-Amerikanen daarmee extra bijzonder. En dus ging Saenz in op de uitnodiging van een man die ze alleen nog digitaal had ontmoet. Rudd haalde haar op van het vliegveld. Samen reden ze in zijn rommelige Dodge-pick-uptruck naar het plaatsje Warfield. Rudd woonde daar in een schuur zonder stromend water, kookte op een houtkachel en was dag na dag bezig onkruid te wieden. Hij gaf Saenz een machete. ‘Dit is het leven hier’, zei hij. ‘Onkruid weghakken totdat de zon ondergaat, dus denk er goed over na of je dit wil.’ Het was juli, volop seizoen voor teken. Een wederzijdse controle of het beestje zich niet op een moeilijk bereikbare plek de huid had ingevreten vormde het besluit van de dag. ‘Ik vond er een op zijn kont’, lacht Saenz. De dag daarna deed hij een huwelijksaanzoek.

‘Dit is het leven hier. Onkruid weghakken totdat de zon ondergaat, dus denk er goed over na of je dit wil’

Inmiddels wordt het land kaal gehouden met behulp van een kudde geiten, die onder aanvoering van een imposante witte bok met gekrulde horens over het terrein scharrelen. ‘Ik probeer ze steeds verder van de woning te lokken’, vertelt Rudd, terwijl we over harde zandpaden rondom de boerderij lopen, gevolgd door de honden van het huishouden, gadegeslagen door stevige kalkoenen die weten dat wanneer de baas over het erf loopt, er handen voer worden rondgestrooid. De middagzon is vlijmscherp en het dauwpunt bereikt hier zulke hoogtes dat je soms het gevoel hebt dat je ogen uit je kassen kunnen ploppen. Midden in het land ligt een grote vijver, overdekt met bloeiende waterlelies. ‘Monet zou hier kunnen schilderen’, beaamt Saenz. Het plan is om er een eendenvijver te maken en de vaalblauwe eieren die de vogels leggen – veel romiger van smaak dan kippeneieren, zo weet de liefhebber – te gaan verkopen.’

Dagelijks winnen Rudd en Saenz terrein op woekerende bramenstruiken en taaie boomscheuten. Het doet recht aan de woorden die Lincoln ooit sprak. ‘De ruige gronden van dit land moeten zo verdeeld worden dat iedere persoon de mogelijkheden en kansen heeft die bij zijn gesteldheid passen.’ De uitspraak komt uit 1862, toen Lincoln zijn handtekening zette onder de Homestead-wet. Hij stelde iedereen die het wilde maximaal 160 Amerikaanse are ter beschikking, bijna 65 hectare om te bewonen en te verbouwen. De eerste vijf jaar was het land gratis. Pas als de boerderij meerdere malen de seizoenen had zien veranderen moest de bezitter bepalen of hij het land wilde kopen.

Wie nu land wil bezitten is afhankelijk van de kredietverstrekker. Saenz en Rudd hebben leningen moeten nemen om hun aren te kopen, en elke maandelijkse afbetaling onderstreept de omkering die heeft plaatsgevonden. De oorspronkelijke homesteaders kregen gratis kapitaal in handen en konden eerst geld verdienen voordat er een betaling nodig was. Die van nu beginnen in het rood en moeten hopen dat het land voldoende oplevert om schulden weg te werken.

En dus verzinnen Rudd en Saenz dagelijks nieuwe manieren om hun homestead te laten renderen. Ze leverden kweek die werd gebruikt voor groenteabonnementen, waarbij deelnemers wekelijks een doos krijgen thuisbezorgd. Langs de oprit staat een rij hokken waar konijnen worden gefokt, en de kippen leggen gelukkig veel meer eieren dan ze zelf op kunnen. Deze week heeft Saenz bedacht dat ze maaltijden kan verzorgen voor omwonenden die afhankelijk zijn van voedselhulp. De coupons waarmee normaal boodschappen worden gekocht, kunnen dan op de boerderij worden ingeleverd.

Onveranderd is de droom dat leven op het land vrijheid betekent. Toen Lincoln de Homestead-wet tekende, was de Burgeroorlog op komst en de belofte van grondbezit was een manier waarop hij Amerikanen kon verleiden om te vechten voor de Unie. Er ging een dubbele vrijheidheidsboodschap van uit: wie vocht voor de vrije Verenigde Staten, zonder slavernij, kon vervolgens zijn eigen vrijheid claimen op territorium dat aan de natie werd toegevoegd. ‘Vrijheid en imperiale expansie gingen hand in hand’, schrijft Greg Grandin in The End of Myth: From the Frontier to the Border Wall in the Mind of America, een geschiedenis van de Amerikaanse uitbreidingsdrift.

Om de reikwijdte van de Homestead-act zo groot mogelijk te maken hanteerde Lincoln slechts drie criteria. De homesteader moest ouder zijn dan 21 jaar, Amerikaans staatsburger zijn, of de intentie hebben dat te worden, en niet vechten tegen de Verenigde Staten of de vijanden van het land bijstaan. Tot aan 1976, toen de wet werd ingetrokken, werd bijna tien procent van Amerika’s grondoppervlak op deze manier vergeven aan bijna vier miljoen homesteaders in dertig staten. Daarmee was homesteading ook een economisch emancipatieprogramma. Immigranten, landloze boeren, alleenstaande vrouwen en bevrijde slaven konden hiermee een bestaansmiddel in handen krijgen.

‘Phillip vroeg: wil je hier met mij een weg aanleggen?’

Althans in theorie. In de praktijk kwam het best gelegen land al gauw in handen van grote bedrijven, en van de spoorwegmaatschappijen in het bijzonder. Veel aspirant-boeren kregen hectares toegewezen waar nauwelijks iets op kon groeien – een lot dat zwarte homesteaders bovenmatig vaak trof. De akkers die wel iets teruggaven werden snel uitgeput door monocultuur. De dustbowl, die in de jaren 1930 over vlakten joeg, draaide talloze boerderijen de nek om. Het verhaal van homesteading in Amerika gaat eigenlijk meer over tegenslag en ecologische catastrofe dan over de idylle van het vrije bestaan. Een ‘genadeloos Eden’, zo noemt natuurschrijver Doug Tims het ruige Amerika dat door homesteaders werd gecultiveerd.

Niettemin koestert Amerika de voorbeelden van emancipatie op de prairies, tussen de wouden en langs de rivieren. En die geschiedenis wordt steeds rijker verteld. In 2013 werd de eerste vrouwelijke homesteader geïdentificeerd. Mary Maier bezat een huis van vijf bij acht meter, fruitbomen, druivenranken, veertien hectare bewerkte grond, een kraal voor het vee, een kippenhok en waterput, zo bleek uit een document dat opdook in Nebraska’s staatsarchieven. Maier bleek de buurvrouw van Daniel Freeman, die de geschiedenis inging als de eerste Amerikaan die gebruik maakte van de Homestead-wet. Voor Maier werd in de officiële documenten met de hand een letter ‘s’ toegevoegd voor ‘he’. Inmiddels is de levensloop van vrouwelijke homesteaders een bloeiend onderzoeksveld. ‘Land is macht. Door land te verwerven konden vrouwen niet alleen hun economische macht, maar ook hun sociale en politieke macht versterken’, sprak Blake Bell, de historicus van Homestead National Monument in Nebraska, in een interview met nieuwszender NPR.

Diezelfde motieven golden voor zwart Amerika. Omdat de Homestead-wet geen raciale criteria hanteerde werd de gelegenheid gegrepen om utopische Afro-Amerikaanse gemeenschappen te vormen. Op de winderige vlakten van Kansas bijvoorbeeld, werd in 1877 een nederzetting gesticht door 350 zielen die vanuit de voormalige slavenplantages in Virginia die trein westwaarts namen. Het was een voorbeeld van wat de Afro-Amerikaanse socioloog W.E.B. Du Bois omschreef als een ‘landhonger’ die bezit nam van zwart Amerika na afschaffing van de slavernij (Du Bois groeide zelf op op een homestead, in Massachusetts). ‘Nicodemus’ werd het plaatsje gedoopt, naar de farizeeër die met Jezus converseerde over wedergeboorte en hielp bij de kruisafname. De naamkeuze symboliseerde wedergeboorte na slavernij. Nicodemus was een experiment in gemeenschapsvorming totdat eind negentiende eeuw droogte de homesteaders van het land dreef.

De landhonger is Rudd en Saenz bekend. Ze hebben hun terrein in rap tempo bij elkaar gesprokkeld, gekocht van boeren en landeigenaren die een stukje wilden afstaan. Soms vergde het overredingskracht, soms was het toeslaan op het moment ze er misschien net te weinig geld voor hadden. Uiteindelijk staat er vijftig Amerikaanse are op hun naam, een betekenisvol getal. Nadat Lincoln het veertiende grondwetsamendement tekende waarmee de slaven officieel vrij werden gemaakt, nam het Congres een resolutie aan die iedere vrijgemaakte slaaf veertig are in het vooruitzicht stelde om een nieuw bestaan op te bouwen. ‘Onze vijftig are zouden genoeg moeten zijn’, zegt Rudd.

Dat de belofte van de veertig are voor iedere vrije tot slaaf gemaakte nooit is ingelost, weet Rudd. ‘Echte vrijheid zou betekenen dat het land dat onze voorouders bewerkten ook daadwerkelijk van hen werd. In plaats daarvan werden de slavenhouders schadeloos gesteld voor het verlies van wat ze hun – hij maakt aanhalingstekens in de lucht – “bezit” noemden. Voor velen gold dat ze daarna alsnog in onvrijheid leefden als sharecroppers die boerden in ruil voor een deel van de opbrengst en alles moesten kopen bij hun landheer, tot aan gereedschap en het zaad aan toe. Daarom is het belangrijk wat wij hier doen. We claimen het land terug.’

Het huis van Phillip en JamiQuan op Boydton Plank Road

De slechte associaties die zwart Amerika heeft bij het leven op het land, verklaren waarom Saenz’ familie aarzelend reageerde op haar nieuwe levenskeuzes. Ze waren niet verbaasd vanwege het stormachtige huwelijksbesluit, maar vanwege de nieuwe beroepskeuze. ‘Voor de generatie van mijn ouders was er weinig begeerlijker dan een kantoorbaan bij een groot bedrijf. Voor hen was een bureau, een vast inkomen en een pensioen iets om ongelooflijk trots op te zijn’, zegt ze. ‘Het land was juist iets waar we vandaan waren gekomen en absoluut niet naar terug moesten keren.’

Saenz vertelt hoezeer ze is opgeknapt. ‘Ik worstelde met overgewicht en depressie. Ik woog op een gegeven moment meer dan 130 kilo’, vertelt ze. ‘Ik at slecht en mijn dokter zei: op deze manier ga je dood. Ik zocht een plek waar ik me kon richten op gezond eten, en waar ik anderen kon helpen hetzelfde te doen. Ik droomde altijd van een boerenbestaan, maar probeer maar eens land te kopen in Californië.’

Rudds familie komt van het platteland in Georgia, waar zijn vader leerde om niet op de verkeerde tijd op de verkeerde plek te komen om een confrontatie met de Ku Klux Klan te vermijden. Hijzelf groeide op in de buitenwijken van Richmond, Virginia’s hoofdstad, waar de zwarte middenklasse ging wonen toen de gemeenschappen in de Amerikaanse binnensteden in de greep raakten van drugs en criminaliteit. Rudd diende in Irak, raakte gewond aan zijn arm en werd verslaafd aan de opioïden die hij in ruime mate kreeg voorgeschreven om de pijn te behandelen. Zijn verslaving is hij te boven, maar hij kampt nog altijd met de gevolgen van posttraumatische stressstoornis en zoekt vooral rust.

Met die rust zit het wel goed – de huizen liggen ver uit elkaar in Brunswick County – en met het gezondere leven ook. Saenz is een stralende vrouw met een brede glimlach. Rudd vertelt hoe blij hij is dat de boerderij al zijn aandacht opslokt. Ze hebben allebei kinderen uit een eerder huwelijk. Die van Rudd zijn in Warfield komen wonen. Ze brengen hele middagen door bij de kreek die langs het land stroomt en komen vooral naar huis wanneer ze trek hebben. De vegetarische Brunswick stew laten ze staan ten faveure van tortilla’s met gesmolten kaas uit de magnetron.

Rudd en Saenz hopen dat hun Eden iets genadevoller kan zijn, door het te delen met anderen die een plek zoeken om tot rust te komen en zich voor te bereiden op een nieuw bestaan. Saenz wil een vergunning aanvragen om een officiële re-integratieplek op te zetten voor wie door ziekte, pech of de verkeerde keuzes op zeker moment buiten de samenleving is komen de staan.

Het land laat zich echter zich niet makkelijk temmen. De grond is ingedroogd, stenig en vooral: weinig vruchtbaar. Rudd vertelt dat hij zich erop verkeken heeft. ‘We moeten lange tijd flink bemesten voordat hier echt iets uit de grond komt’, zegt hij. Tot die tijd kweekt het stel gewassen op hooibalen. Het zijn vooral bladgroenten en kruiden voor eigen gebruik. Het is een slimme methode waarmee er op weinig gul terrein toch iets kan worden gedaan. Het hooi wordt uiteindelijk compost die iets meer leven in Rudd en Saenz’ hectares moet brengen.

Toen W.E.B. Du Bois eind negentiende eeuw schreef over de wens van zwart Amerika om vrijheid te zoeken op het land dat ze niet gegund werd, zag hij ook de gevaren. Zo groot was de honger dat elk terrein dat maar beschikbaar kwam, hoe schraal of klein ook, wel een koper vond, met miskleunen tot gevolg. Rudd en Saenz weten dat het succes van hun homestead niet gegarandeerd is, maar aan hun drang een nieuw hoofdstuk toe te voegen aan de geschiedenis van zwart landbezit in Amerika zal het niet liggen. Er is werk te doen. Er moet een vergunning worden aangevraagd zodat 17995 Boydton Plank Road, in Warfield, Virginia, een sociale ontmoetingsplaats kan worden. Er moet een voedselbos worden aangeplant. ‘Toen ik hier kwam, reden we samen over het terrein totdat we niet verder konden’, zegt Saenz. ‘Phillip vroeg: wil je hier met mij een weg aanleggen?’