Landingspoging op New Foundland



Landingspoging op New Foundland



door Graa Boomsma



Wayne Johnston schreef een boeiende roman, die persoonlijke geschiedenissen verknoopt met de historie van Newfoundland.



 


HET GEBEURDE omstreeks het jaar 1000 dat de viking Leif Eiricsson verder naar het westen voer dan iemand ooit had gedurfd, voorbij IJsland en Groenland. Hij stuitte op een kust van een woest land dat later de naam Vinland kreeg. In Amerikaanse romans als Vineland (1990) en The Ice-Shirt (1990) van de avontuurlijke auteurs Thomas Pynchon en William T. Vollmann groeide dat door ‘Leif the Lucky’ ontdekte barre en boze Noord-Amerika (Nova Scotia, Labrador, Newfoundland, Baffin Island) uit tot Vineland of ‘Wineland the Good’: een land dat in de geest ligt, een gebied vol druivenranken en esdoorns, een wereld die onophoudelijk bezig was te ontstaan en die nooit exact is te lokaliseren.


‘Geen man wordt meester als hij thuisblijft, en hij vindt ook geen leraar achter de kachel.’ Dat schreef de alchemicus Paracelsus in 1590, en Vollmann gebruikt die oproep om op pad te gaan als een motto voor zijn reisroman The Ice-Shirt. In dat boek laat hij de Noorse mythen en de oude Edda-verhalen botsen op de ontredderende vertellingen van hen die na de Vikingen probeerden Vineland bewoonbaar te maken, ondanks al die zeelieden die net als ‘Leif the Lucky’ het land alleen aandeden om rijkdommen te vergaren en de bevolking — Inuit en Beothuk-indianen — te terroriseren en uit te roeien. Het aloude koloniale verhaal, en deze keer spelen de Britten daarin de hoofdrol.


Laten we Vineland Newfoundland noemen, al liggen de geleerden nog steeds met elkaar overhoop over waar dat land precies gesitueerd dient te worden. Misschien verplaatst Vineland zich zelfs af en toe heimelijk, schuift het als een soort eiland van de ziel een beetje van west naar oost en van noord naar zuid. Juist daarom is het zo’n dankbaar onderwerp voor schrijvers. Andrea Barrett heeft er gebruik van gemaakt in haar verhalenbundel Ship Fever (1995) en haar formidabele avonturenroman in het barre Canadese noorden The Voyage of the Narwhal (1998). In Howard Normans roman The Bird Artist groeit Newfoundland bijna uit tot een personage dat de hoofdpersoon zowel vleugels geeft als vleugellam maakt. Wat moet je op een eiland dat leeggeroofd en kaalgeplukt wordt en dat aan de rand van de beschaafde wereld lijkt te liggen? Weggaan en weer, door onverdraaglijk heimwee, terugkeren.



De bekendste Amerikaanse roman rond Newfoundland is natuurlijk Scheepsberichten van E. Annie Proulx (1993). Hoofdpersoon Quoyle, een uit de moderne wereld vol moord en doodslag weggevluchte derderangs journalist, probeert op het eiland weer te ‘aarden’ en bevaart de oceaan die dag en nacht op de kust beukt. ‘In deze wateren (…) spoken vergane schepen rond, vissers, ontdekkingsreizigers die door zeegrotten zo zwart als hondenkelen waren opgeslokt. Die schreeuwend de zoute soep waren ingegaan. Vikingen die met harde wind in de rug en op het gepolariseerde licht van zonnenstenen door de mist voeren. De Inuit in boten van leer, die ademden, ademden, die ritmisch de ijskoude lucht inademden, die hun beijsde peddels lieten zakken, de bevroren nevel, een oprijzende gladde rug, een gedrang, de boot die openscheurde, omlaag kringelde.’ Het Titanic-syndroom is nooit ver weg aan de kust van Newfoundland.


Maar niet alleen de Noord-Amerikaanse literatuur kent een lichte fixatie op Newfoundland. In Nederland bestond twintig jaar geleden een tijdschrift dat Newfoundland heette, en die titel kan voor een deel op het conto worden geschreven van een dwarse schrijver die een paar jaar na de Tweede Wereldoorlog het hem tegenwerkende literaire wereldje ontvluchtte (ik maak het met opzet wat romantischer dan het in werkelijkheid was) en een houthandelbaantje in Canada aannam. Hij schrijft achteraf een verhaal over de aankomst, per boot, in Noord-Amerika, publiceert dat in 1952 in Het Parool en neemt het vijf jaar later op als openings- en titelverhaal van een bundel die nu een legendarische naam heeft: Een landingspoging op Newfoundland.


Op zondag 19 juli 1948 meert een schip aan in een van de vele haventjes die Newfoundland rijk is, om een lading hout in te nemen: Cox’s Cove. Aan boord bevindt zich een veelbelovende jongeman die de Newfoundlanders karakteriseert als glimlachende mensen die bij wijze van groet nee schudden, als drankzuchtigen en lelijkerds: ‘Zeker acht van de tien Newfoundlanders hadden hazenlippen of aangeboren gaten in de wangen, of nooit voltooide neuzen.’ Het eiland ruikt naar hars en terpentijn. De jongeman blijft een paar dagen, regelt het inladen van het hout, drinkt veel en ontdekt dat er een cruciaal volksreferendum wordt gehouden: moet Newfoundland een Britse kolonie blijven of zal het zich als nieuwe provincie aansluiten bij de federatie die Canada heet? De federatie-aanhangers winnen op het nippertje. ‘Nu zouden er nieuwe wegen worden aangelegd.’ Dat referendum, dat de bevolking tenslotte minder oplevert dan beloofd werd, lijkt net zo’n nutteloze en tot mislukking gedoemde onderneming (pseudo-democratie) als het baantje van de veelbelovende jongeman, die zijn depressie en zwarte kijk op het mensdom in drank smoort. Als hij zich voor de zoveelste keer dronken van boord laat zakken, overvalt hem een troostend inzicht: ‘Op zulke ogenblikken heeft de mens de indruk dat de doldrieste dingen, de krankzinnige, volslagen nutteloze, onmogelijke ondernemingen, het enige zijn dat hem waardigheid verlenen kan en dat al het andere dat zich in het leven voor kan doen, naäperij en slaafse sleur is.’ Waarna de jongeman als een kind in snikken uitbarst.


Dit citaat uit Een landingspoging op Newfoundland van Willem Frederik Hermans geldt in wezen voor alle personages die Hermans geschapen heeft, of die nu Ossegal, Muttah, Osewoudt of Albregt heten. En toevalligerwijze kunnen die typisch hermansiaanse zinnen over sleur en nutteloze avonturen net zo goed slaan op de hoofdpersoon uit een heel ander boek: Kolonie van onvervulde dromen (1999) van de Canadese schrijver Wayne Johnston. De protagonist heet Joe Smallwood, en hij is niet alleen gevormd door de koloniale geschiedenis van Newfoundland; met de inzet van zijn hele persoon probeert hij een beslissende wending aan die historie te geven, wat hem lukt. Smallwood wordt na 1 april 1949 de eerste premier van de Canadese provincie Newfoundland. En inderdaad, hij beloofde wegen, elektriciteit, telefoon, radio, gezondheidszorg, postbesteldienst, goed onderwijs, enzovoort. In Scheepsberichten van Proulx duikt Smallwoods naam al op in een kritische discussie over zijn historische en politieke betekenis. ‘Oh jawel, Joey Smallwood zei: “Jongens, trek je boot maar op het droge, verbrand de schubben en vergeet de visserij; voor iedere man in Newfoundland zijn er twee banen.”’ Maar er kwam nauwelijks werkgelegenheid, en de visserij stort in omdat de Canadese regering aan vele landen visrechten geeft, ‘terwijl ze ons met al hun regels uit de markt drukten. Die gore buitenlandse trailers. Daar is alle vis in verdwenen. Toen kregen we die klootzakken van Greenpeace, die een einde probeerden te maken aan de zeehondenjacht’.



MAAR IN ZIJN ROMAN over deze hoofdrolspeler in de historie van Newfoundland legt Wayne Johnston niet de nadruk op de wapenfeiten van Smallwood als premier. Hij probeert er eerder achter te komen wat iemand als Smallwood dreef, waar hij precies vandaan kwam, hoe hij belangrijke dingen uit zijn jeugd verdrong, wat hem bezielde om zijn hele leven op te offeren aan een steeds wisselend ideaal, waarom hij zo’n onbenaderbare Einzelgänger bleef die iedereen in zijn buurt wantrouwde en het liefst alleen op pad ging om de dingen te regelen, en waarom hij de liefde eraan gaf ten gunste van een plekje in de geschiedenisboekjes.


De opbouw van Kolonie van onvervulde dromen weerspiegelt meteen de kern van het verhaal: het achteraf vertelde ik-verhaal van Smallwood — als armeluiszoon met dronken vader, als leerling op een elitaire kostschool, als journalist en socialist, als vakbondsman die uitputtende voettochten over het eiland maakt en als opportunistisch politicus die na veel tegenwerking eindelijk het centrum van de macht bereikt — wordt stelselmatig onderbroken door tweeëndertig ultrakorte hoofdstukjes over de geschiedenis van Newfoundland, geschreven door een zekere Fielding, dochter van een ‘borstarts’. Van haar zijn ook dagboekfragmenten en krantencolumns door Smallwoods egotistische vertelling geweven, teksten vol onuitgesproken geheimen en verlangens die alles te maken hebben met haar verhouding met Smallwood, die er een is van aantrekken en afstoten.


De alternatieve Fielding-geschiedschrijving slaat een ironische, sarcastische toon aan en levert permanent commentaar op The History of Newfoundland (1895) van D.W. Prowse. Een voorbeeld uit vele: ‘De (Engelse — gb) koning is ervan overtuigd dat de ontvolking van het hele eiland de enige manier is om een halt toe te roepen aan de uitbuiting van de kooplieden door de kolonisten.’


Als motto heeft Johnston een fragment van Prowse uitgekozen, dat zo begint: ‘De geschiedenis van de Kolonie is slechts zeer ten dele in druk verschenen…’ Waarmee Johnston suggereert dat zíjn roman een veel uitputtender, deels fictieve geschiedschrijving is. En hij heeft gelijk. Het boek van Prowse speelt niet alleen qua inhoud mee op de achtergrond mee. Een tastbaar exemplaar van dit geschiedenisboek grijpt direct in in het (school)leven van Smallwood en Fielding en trekt een muur tussen hen op.


Maar Smallwoods verhaal alléén redt het niet, al zijn de schoolfragmenten en zijn journalistieke observaties van een moordende robbenjacht beeldend en indrukwekkend genoeg om op zichzelf te kunnen staan. Maar Wayne Johnston had Fielding nodig als commentaarstem in de coulissen, als relativerende tegenstem, als lokster en onbereikbare geliefde voor de gepreoccupeerde politicus in de dop Smallwood, als geheimzinnige en ondoorgrondelijke vrouw die uiteindelijk bekent wat ze tientallen jaren heeft achtergehouden. En door die bekentenis komt Smallwood tot het besef dat De Ander in wezen onkenbaar blijft, waarmee we weer bij het wereldbeeld van W.F. Hermans zijn aanbeland.



ZONDER FIELDINGS teksten, waarachter zich een kameleontische persoonlijkheid verschuilt, zou Kolonie van onvervulde dromen een mislukt boek zijn geworden, want Smallwood zelf heeft te weinig in zich om een roman van bijna zeshonderd bladzijden te dragen. Fielding beschrijft Smallwoods innerlijk meedogenloos als hij een primitieve variant van het opkomend socialisme omarmt (‘Ik wist niet waar ik naar op zoek was tot het mij vond.’). Daarop ontleedt zij hem, die bijna het hele boek door vel over been is en vaak honger lijdt in dienst van zijn hogere doelen, tot op het bot: ‘Je bent geen kunstenaar, je bent geen wetenschapper en je bent geen intellectueel. Dan blijft alleen de politiek nog over.’ Smallwood is in zijn eigen wereld van familie en gezin slecht op zijn gemak (net als zijn alcoholische vader, die in feite geen vader is, wat dickensiaanse taferelen vol verloochening oplevert) en, in Fieldings woorden, ‘niet wakker in andere werelden’.


Het is de politieke wereld, dat wil zeggen de machinaties en intriges en machtsspelletjes ten koste van het algemeen belang en de democatie die maar niet van de grond komt, die in Kolonie van onvervulde dromen stelselmatig ontluisterd wordt. De schrijver Johnston neemt wat dat betreft dezelfde positie in als Fielding, de vrouw die haar verdriet om gepleegd verraad, om verloren gegane liefde en een hopeloos kwijtgeraakte tweeling verdrinkt en compenseert met columns en dagboekaantekeningen. Tijdens een volksopstand staat zij, de criticaster van iedereen, van een afstand en aan ‘de veilige kant van het hek’ naar het opstootje te kijken. Maar afstand nemen is voor Fielding niet hetzelfde als afstandelijkheid. Fieldings sardonische teksten zijn stuk voor stuk gericht aan hen die ze is kwijtgeraakt: haar vader, de vader van haar kinderen (die de zoon is van historicus Prowse), haar kinderen en Smallwood. Alles en iedereen grijpt in elkaar via haar historische, journalistieke en persoonlijke aantekeningen.


Toch is er iets vreemds aan de hand met deze roman. In de Smallwood-gedeelten manifesteert zich steeds nadrukkelijker een soort onthechting tussen het persoonlijke en het politieke. De geloofwaardigheid van de roman wordt enigszins ondermijnd door het fenomeen gezinsleven, dat er hopeloos bij bungelt en dat keer op keer de vraag oproept wat Smallwood nu precies mankeert, wat hem drijft, waarom hij doet wat hij doet. De lezer raakt hem soms kwijt en stelt dan, net als Fielding, de vraag: ‘Wat voel je, Smallwood? Voel je wel iets?’ Hij draagt een leegte in zich mee die voor een deel voortkomt uit de onmacht van de schrijver hem een conflictrijke inhoud te geven. Te vaak loopt hij als een simpele robot rond in de roman. Bovendien lijkt het er soms op dat de ik-verteller Smallwood en de schrijver elkaar voor de voeten lopen. Ik kan dat het beste duidelijk maken met een voorbeeld.


Na de melding dat Newfoundland ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog een torenhoge schuld heeft en een zeer hoge werkloosheid in de crisistijd van de jaren dertig, laat Johnston de ex-socialist Smallwood tegen opstandige werklozen (‘een zee van tweedpetten’) zeggen dat ‘het helemaal niet hypocriet was om zichzelf, bovenop het salaris als premier, een jaarlijkse toelage van meer dan vijfduizend dollar toe te kennen als hoofd van de naoorlogse herstelbetalingen, terwijl hij tegelijkertijd de uitkeringen aan oorlogsveteranen verlaagde’. Hier, en elders ook, zit de schrijver niet ín zijn personage maar loopt hij er omheen en verliest hij zijn greep op de narratieve geloofwaardigheid. Hier is Smallwood gereduceerd tot een buikspreker van Johnston, die tussen de regels commentaar levert op de malafide meningen van Smallwood. Tweehonderd bladzijden verder, als Smallwood zelf premier is, duiken soortgelijke zinnen op, die dezelfde afstandelijkheid oproepen: ‘Ik bestuurde de provincie toen al met zo’n ijzeren hand dat vrijwel niemand zich tegen mij durfde uitspreken. Ik hield vooral de kranten onder de duim.’ Zo’n afstandelijke toon hoort eigenlijk in een hij-verhaal thuis en lijkt mij een literair-technische onhandigheid met grote gevolgen voor de geloofwaardigheid van de hoofdpersoon.


Ondanks dit soort verwringingen blijft Kolonie van onvervulde dromen een boeiende roman die de kleine, persoonlijke geschiedenisjes vol pijnlijke geheimen wil verknopen met de grote historie van het eiland Newfoundland. Het persoonlijke is politiek, maar in deze roman komt het politieke net zo sterk uit het persoonlijke gemis voort. Wayne Johnston schrijft nadrukkelijk in de Canadese traditie van schrijvers als Roberston Davies, Michael Ondaatje en Timothy Findley. Van de laatste twee verschijnen dit voorjaar twee romans die het particuliere en maatschappelijke subtiel weten te koppelen: Anil’s Ghosts, spelend op Ondaatjes politiek verscheurde geboorte-eiland Sri Lanka, en Pilgrim, waarin Findley de geschiedenis van de hele twintigste eeuw overhoop haalt dankzij een personage dat zo sterk is dat het uit de dood kan opstaan. Kolonie van onvervulde dromen is een waardige introductie op die twee, in mei te verschijnen, meesterwerken.



Wayne Johnston, Kolonie van onvervulde dromen. Vertaling Marianne Gossije (poëzie door Chawwa Wijnberg). Uitgeverij De Geus, 588 blz., ƒ49,90