‘lang leve de dictatuur van het imaginisme!’

ALS IK OOIT zou mogen kiezen waar en wanneer ik mijn leven zou willen overdoen, dan wist ik het wel. Ik zou in 1895 of daaromtrent geboren willen worden, ergens op dat onmetelijke Russische platteland. Ik zou in mijn jongelingsjaren, stuiterend van verveling en van verlangen naar hevig leven, besluiten naar de grote stad te vluchten. Ik zou even aarzelen - Moskou of Petersburg. Niet lang, want uiteindelijk was er maar één stad die tragisch genoeg was voor mijn wens: die gigantische, o zo ongelukkige stad aan de Moskva. Daar zou ik me, hongerend en klaplopend, door de oorlog en de revolutie heen slepen, om me vervolgens mee te laten zuigen in de tornado van intellect en talent die in de daarop volgende jaren door de stad raasde.

Wat er van me geworden zou zijn, ik weet het niet, zelfs niet of ik het vege lijf lang zou hebben weten te redden, maar mijn leven zou vervuld zijn geweest.
Zou ik een bolsjeviek zijn geweest, zo een als de spetterende Boecharin, de Daniel Cohn-Bendit van die jaren, die voor de partij het Moskouse Kremlin veroverde? Zou ik een revolutionair dichter zijn geweest, iemand als Majakovski, die zijn hart en ziel tegelijk aan Lenin en aan de vrouw van zijn leven verkocht en aan die dodelijke combinatie te gronde ging? Of zou ik toch meer afstand hebben gehouden, meer een melancholieke fellow-traveller zijn geweest, zoals de aartstwijfelaar Pasternak? Maar niet uit te sluiten valt dat ik de revolutie als een vorm van ultieme gekte zou hebben ervaren, een marxistisch einde der tijden, waar maar één levensstijl bij paste: die van de dandy. En dan had ik misschien Anatoli Mariëngof geheten.
IK DOE HET ervoor. Ik zou dan niet onknap zijn geweest, lang en slank, een fijn besneden gezicht. Altijd strak in het pak, een hoed op - toen erg uit de mode - en een wandelstok. Ik zou mijn haren pijnlijk zorgvuldig tegen mijn schedel hebben geplakt, met een messcherpe scheiding iets links van het midden. Ik zou zwierig over straat hebben geslenterd, naar mijn werk op de staatsuitgeverij, naar mijn boekhandel, of naar mijn literaire café. Ik zou tegen iedereen hebben geglimlacht, en er ondertussen het mijne van hebben gedacht.
En ik zou, samen met mijn beste vrienden, het culturele leven op stelten hebben gezet. We zouden, met een ironisch ‘In naam van de revolutie!’, al het oude naar de schroothoop hebben verwezen en al het nieuwe hebben uitgelachen. We zouden alles hebben gedaan wat God en de Goede Smaak maar zou kunnen mishagen. Terwijl het volk arm en het leven grof was, zouden wij er rijk en fijnbesnaard bij hebben gelopen. En terwijl de politiek en de letteren naar de gunst van de massa’s dongen, zouden wij die massa’s met ons optreden en onze taal op botte wijze van ons hebben afgestoten.
En de kroon op dit alles zou geweest zijn dat ik een en ander in hetzelfde koele proza zou hebben weten vast te leggen als de echte Mariëngof.
In Roman zonder leugens schrijft Mariëngof over die jaren na de revolutie: 'Geen macht ter wereld kon ons Russen de verderfelijke voorliefde voor de kunst van het lijf schudden: de tyfusluis niet, de enkeldiepe, puddingsausachtige provinciale moerassen niet, de afwezigheid van wc’s niet, de oorlog niet, de revolutie niet, de lege buiken niet.’
WAT EEN TIJDEN moeten dat geweest zijn! Er was geen eten, geen brandstof, geen papier, en de inkt dreigde voortdurend te bevriezen. Voor kunst was in die dagen heldenmoed nodig, en de stad was vergeven van de helden. Overal bloeiden gideonsbenden van kunstenaars. Futuristen, Serapionbroeders, de Smidse, Proletkult. De groep dandy-dichters waar Mariëngof toe behoorde en die zich 'imaginisten’ noemde, was slechts een van de vele.
In 1919 traden ze naar buiten met hun eerste imaginistische manifest. 'Het beeld en niets anders dan het beeld’, was de leuze, gericht tegen de heersende mening dat het bij kunst om de inhoud ging. Om van aandacht verzekerd te zijn lieten ze op het manifest een hele reeks schandalen volgen. Ze beschimpten het publiek dat naar hun optredens kwam. Ze vervingen straatnaambordjes waarop de namen van beroemde dichters prijkten, door bordjes met hun eigen naam. Ze hingen een plakkaat om de hals van het Poesjkinbeeld met de tekst: 'Ik ben voor de imaginisten.’ Ze provoceerden de nieuwe machthebbers met leuzen als 'Lang leve de dictatuur van het imaginisme!’ en 'Imaginisten aller landen, verenigt u!’ En toen ze van de staatsuitgeverij geen papier meer kregen om hun boeken te drukken, kalkten ze hun meest provocerende dichtregels op de muren van het Passieklooster. 'Burgers, geef/ jullie zielen een verschoning/ Magdalina, ik kom/ vandaag in een schone onderbroek.’ Iets dergelijks schreef Mariëngof. En zijn kompaan Jesenin: 'Zie de vette dijen/ van deze geile muur/ ’s nachts komen de nonnen/ Jezus de broek afrukken.’
Jesenin, Sergej - natuurlijk zouden de provo’s van het imaginisme slechts een halve alinea in het geschiedenisboek van de Russische culturele revolutie hebben gekregen als die beroemde naam niet onder hun manifesten had gestaan. Toen Jesenin in 1919 naar Moskou kwam, had hij al een sterrenstatus verworven in de fijne kringen van Petersburg. Als boerendichter. De blonde engel van het Rjazaanse platteland was er in de armen gesloten door zowel de aartsconservatieve slavofielen als de wegbereiders van de 'arbeiders- en boerenstaat’. Hij verscheen in hun salons in fancy boerenoutfit, waarmee hij de dames het hoofd op hol bracht. In Moskou verwisselde hij zijn kiel voor fijngesneden pakken à la Mariëngof. Het is hem niet in dank afgenomen. De sovjetkritiek, erop gebrand Jesenin in te lijven als volksdichter, heeft diens liaison met Mariëngof en zijn bende altijd afgedaan als een tijdelijke verdwazing, een decadente uitglijer.
DAT STROOKT bepaald niet met de indruk die men overhoudt aan Roman zonder leugens. Daarin doet Mariëngof het relaas van hun vriendschap vanaf het moment dat Jesenin naar Moskou kwam tot diens zelfmoord eind 1925. Het is het verhaal van twee mid-twintigers, bulkend van talent en zelfvertrouwen, de wereld aan hun voeten. Grappend en grollend laveren ze langs alle klippen van oorlog en revolutie. Ze kloppen geld uit de zakken van goedgelovige kunstminnaars en liberale cultuurbeambten, geld waarmee ze boekhandels en literaire clubs opzetten; ze dringen zich op aan een volkscommissaris die over een privéwagon beschikt en hen op zijn dienstreizen door Rusland meeneemt, terwijl ze onderweg geld verdienen met optredens en duistere handeltjes; ze schuimen de straten van Moskou af, Jesenin mateloos zuipend, Mariëngof als een wijze engelbewaarder aan zijn zijde, en telkens wanneer ze worden opgebracht wegens straatschennerij, praten ze net zo lang met de dienstdoende agent over poëzie tot hij hen vrijlaat.
Heel veel later, in de jaren vijftig, noteert Mariëngof in zijn memoires: 'Jesenin en ik woonden in één kamer. Als in de winter de centrale verwarming het niet deed, sliepen we onder één deken. Vier jaar lang heeft niemand ons ooit zonder de ander gezien. We deelden ons geld: het zijne was van mij, het mijne van hem. We publiceerden onze poëzie in één kaft en droegen onze gedichten aan elkaar op. Niet zelden gebeurde het dat we converseerden zonder te spreken. Gewoon een soort mystiek. (…) Kortom: het was een grootse, mooie, mannelijke en, zo leek het, onverbrekelijke vriendschap.’
ZO LEEK HET. Maar wolken pakten zich samen boven het tweetal toen er vrouwen in het spel kwamen. Jesenin maakte Mariëngof de bitterste verwijten als hij eens een nacht bij zijn pasverworven vriendin Anna Nikritina, zijn latere vrouw, bleef slapen. En Mariëngof kon maar weinig begrip opbrengen voor Jesenins huwelijksgeschiedenis met Isadora Duncan, de Amerikaanse megaster van de ongeschoeide dans, die in Moskou een balletschool was begonnen.
Ook daarover, over dat verschrikkelijke huwelijk tussen de middelbare danseres en de bloedjonge dichter, een huwelijk dat door de society-pers wereldwijd met argusogen werd gevolgd, schrijft Mariëngof in Roman zonder leugens prachtige regels. Als Jesenin Mariëngof voor het eerst naar haar meetroont, doet zij voor hen een dans met een lange zijden sjaal als partner. 'Een gruwzame en schitterende dans. Het smalle roze lichaam van de sjaal slingert in haar armen rond. Ze knakt zijn ruggegraat, knijpt zijn keel toe met haar verkrampte vingers. Onherroepelijk hangt het ronde zijden hoofdje tragisch naar beneden. Tot besluit van de dans spreidde ze op het tapijt het verstijfde lijk van haar spookpartner uit.
Jesenin werd later haar heer en gebieder. Zij kuste als een hond de hand die hij voor een klap in de aanslag hield en de ogen waarin voor haar vaker haat dan liefde brandde.
En toch was hij slechts haar danspartner, niet veel verschillend van de flard roze stof - willoos en tragisch.’
In één beeld is het hele verhaal verteld, inclusief dat van hun beider dood: eerst Jesenin door ophanging, niet lang daarna Duncan door een sjaal die in de wielen van haar cabriolet verstrikt raakte en haar wurgde. 'Het beeld en niets anders dan het beeld’ - iets van het imaginisme van Mariëngofs poëzie van begin jaren twintig is nog blijven hangen in dit proza uit 1926. Maar de beelden daarin zijn niet langer de tijdloze vormen waar de imaginisten naar zochten, ze hebben historische inhoud: ze bevatten de bezinning op een onbezonnen tijd, een tijd waarin alles van waarde werd vernietigd, zodat in de herinnering alleen de vriendschap overblijft als dat waarvoor het waard was te leven.
UIT EEN ZELFDE soort inhoudsvolle beelden bestaat ook Mariëngofs roman Cynici uit 1928. Niet zo autobiografisch als Roman zonder leugens, maar wel degelijk de neerslag van zijn belevenissen in de eerste jaren na de revolutie. Een neerslag die zowel realistischer als extravaganter is dan in Roman zonder leugens. Nauwgezet tekent Mariëngof de Russische verschrikkingen op. Met een eigenaardige voorkeur voor kranteberichten over kannibalisme in de hongerende provincies. 'Er is tien pond gekookt mensenvlees geleverd aan het bestuur van het consumentengenootschap in het dorpje Bolsjaja Goesjtsjitsa in het gewest Poegatsjov. Men had het op het kerkhof “buitgemaakt”. Tien families hebben ervan gegeten.’
Korte berichten als dit, over de ellende die de revolutie over de burgers uitstortte, larderen een even decadente als hartstochtelijke liefdesgeschiedenis. Vladimir, de verteller, is ongeneeslijk verslaafd aan zijn vrouw Olga. Die neemt het echter niet zo nauw met de huwelijkstrouw. Ze doet het onder meer met Vladimirs broer en met de geschifte Ilja Dokoetsjajev, een man die erin slaagt om van de revolutie en de burgeroorlog alleen maar rijker te worden. Olga is verzot op eten en kleren, en laat zich daarvan rijkelijk voorzien door de geldschraper. Dan is het tijd voor de afrekening. ’“Vorige week - vier… maandag - vijf… gisteren - zes…” Dokoetsjajev bijt het puntje van zijn sigaar af: “Wat bent u daar aan het tellen, Olga Konstantinova?” “Ik ben daar aan het tellen hoe vaak ik met u naar bed ben geweest, Ilja Petrovitsj. Hoeveel bracht in vredestijd een goede hoer op per nacht?” Met niets begrijpende vingers overhandigt Dokoetsjajev haar zijn portefeuille.’
Cynici hangt van absurditeiten en extremiteiten aan elkaar. Het enige wat overeind staat en blijft staan is Vladimirs liefde voor Olga. Tot het volgende telefoontje: ’“Goedenavond, Vladimir.” “Goedenavond, Olga.” “Excuses voor het storen. Maar ik heb een belangrijk nieuwtje.” “Ik luister.” “Over vijf minuten schiet ik mezelf dood.”’
WAAROM HOUD ik nou zo van zulk proza? Noem het ingehouden, ontdaan van ieder ornament, nieuw-zakelijk, laconiek, geserreerd, gestileerd, lapidair - geen van die kwalificaties raakt de kern. Het is niet de sobere, koele vorm die mij raakt, het is wat die vorm doet. Die vorm houdt de anarchie in toom die heerst in de geest van de schrijver, de chaos van de gevoelens en gewaarwordingen waarin zich de apocalyptische werkelijkheid van het revolutionaire Rusland weerspiegelt. Wie in het vredige Westen van dit moment zo'n stijl hanteert, is al gauw een gemaniëreerde stilist, wie dat in de jaren twintig in Moskou doet, is een held van de letter èn de geest.
Er waren er meer die zo'n ijskoude stijl hanteerden om de lavastroom van de geschiedenis in taal te laten stollen. Hoogtepunt: Viktor Sjklovski’s Sentimentele reis, het autobiografische verslag van zijn omzwervingen tijdens de burgeroorlog, heet van de naald opgetekend in 1922 (en vertaald bij de Arbeiderspers in 1980). Dat is een van mijn meest gekoesterde boeken. Daar kan ik nu, dankzij het alerte werk van uitgeverij Perdu, de beide boeken van Mariëngof naast zetten, boeken die voor mij een verrassing waren, omdat ik de schrijver alleen van flarden poëzie kende en van zijn schimmenbestaan in de kringen rond Jesenin.
Hoe zou het overigens met mij zijn afgelopen als ik iemand als Mariëngof was geweest? Zou ik me, net als hij, bij het cultuurbolsjevistische verbod op mijn boeken hebben neergelegd en naar Leningrad zijn verhuisd, om daar een onopvallend bestaan te leiden als toneeltekstschrijver en memoirist, onopvallend genoeg om Stalins zuiveringen te overleven en op pensioengerechtigde leeftijd een rustige dood te sterven? Of zou ik, net als Jesenin, Majakovski, Boecharin en zo vele anderen, tussen de tandraderen van de revolutie bekneld zijn geraakt en onafwendbaar zijn afgestevend op een gewelddadige dood, hetzij door eigen hand, hetzij door de wrekende hand van de staat?
Het zijn geen van beide aantrekkelijke vooruitzichten. Misschien moet ik gewoon maar aanvaarden dat mijn fascinatie voor Ruslands revolutionaire jaren de fascinatie voor een beeld is en niets anders dan een beeld. En moet ik blij zijn dat ik in het reëel bestaande Amsterdam leef.