Lang leve de romankunst!

Volgens Dirk van Weelden bepalen verkoopmanagers en marketingmensen steeds vaker wat wordt uitgegeven en wat niet. Kees ’t Hart zet vraagtekens bij deze analyse: schrijf nou gewoon maar ’s een mooi boek!

DIRK VAN WEELDEN
LITERAIR OVERLEVEN
Augustus, 77 blz., € 10,-

Hoe hou je het als schrijver vol? Dirk van Weelden begint zijn pamflet Literair overleven met uitgebreide beschouwingen over de economische kant van de zaak. Het kapitalisme en de literatuur, zeg maar, en het ziet er allemaal niet goed uit. In de drie starthoofdstukken schetst hij een somber beeld van de ontwikkelingen van de literaire productie. De beeldcultuur rukt op, economische wetten prevaleren meer en meer boven literaire kwaliteit, de massacultuur heeft het steeds meer voor het zeggen. ‘Het aanbod werd commerciëler, maar lager van kwaliteit en vooral eenvormiger.’ Je leest dit de laatste jaren vaker, je zou er moedeloos van worden en het is uiteraard de vraag wat je er als schrijver aan kunt of moet doen. Er is volgens Van Weelden zelfs sprake van een toenemende ‘censuur van de markt’ waarbinnen ‘private partijen uit op zichzelf legitiem winstbejag, de bloei en vrijheid van de “ideeënmarkt” in gevaar brengen en dus de democratische cultuur beknotten’.
Dit is natuurlijk niet best, er moet onmiddellijk iets gebeuren. Maar wat? Mooiere boeken schrijven, denk ik vaak bij dit soort analyses, en verder je kop gewoon in het zand steken, misschien helpt dat. Het is allemaal de schuld van het kapitalisme, ook dat nog, waar heb ik dat eerder gelezen, wie doet daar nu eindelijk eens iets aan?
Van Weelden beroept zich voor zijn analyse op The Business of Books (2000) van André Schiffrin, die een schrijnend verhaal vertelt over de Amerikaanse situatie en zich daarbij vooral richt op de bedrijfsvoering van de grote uitgevers. Sombere verhalen, het wordt nooit meer zoals vroeger. Winstprognoses, winstmaximalisatie, bestsellers, daar gaat het steeds meer om, stelt Van Weelden in navolging van Schiffrin. ‘Niet meer de redacteuren, maar de verkoopmanagers en de marketingmensen kregen het laatste woord bij het bepalen van wat werd uitgegeven.’ Vergeet dus het controversiële boek, vergeet de ‘literair avontuurlijke boeken’, uitgevers en boekhandelaren beginnen er niet eens meer aan. Of in ieder geval steeds minder. Van een dergelijke analyse word je vanzelf somber en ik wil natuurlijk ook het liefst ‘literair avontuurlijke boeken’ lezen, al kreeg ik daar, eerlijk is eerlijk, de laatste jaren vaak zware koppijn van.
Van Weelden doet zijn best de moed erin te houden. In Nederland loopt het misschien zo’n vaart nog niet, stelt hij, men richt zich nog niet helemaal naar de ‘industriële norm’, maar veel hoeft er niet meer te gebeuren of het is ook hier afgelopen met de pluriforme literaire cultuur.

Je kunt een paar vraagtekens bij Van Weeldens analyse zetten. Ik vraag me ten eerste af of Schiffrins sombere beeld van de situatie in Amerika deugt. Misschien voor de grotere uitgeefhuizen als Random House rond 1990, maar zelfs bij die firma’s werken ook nu nog steeds mannen en vrouwen die het de hele dag alleen over literatuur hebben. Ik weet het zeker, kapitalisme of geen kapitalisme, crisis of geen crisis.
Bij de meeste Nederlandse literaire uitgeverijen besluiten nog steeds alleen de redacteuren wat wordt uitgegeven, geen verkoopmanager te bekennen bij de besluitvormende vergaderingen. De grote Amerikaanse boekwinkels puilen uit van een krankzinnige diversiteit op literair en filosofisch gebied, loop maar eens een Barnes & Noble-zaak binnen.
Het alternatieve uitgeefcircuit in de Verenigde Staten bloeit nog steeds, ondanks alles. Ik ken dat een beetje van Minneapolis en Saint Paul. Alleen daar al bestaan meer dan zestig kleine uitgeverijen waar literatuurgekken het al jarenlang volhouden. En er is het verbluffende maandblad Rain Taxi dat zich richt op alternatieve Amerikaanse uitgeverijen en op alternatieve literatuur. Neem ook literaire bladen uit New York en San Francisco als n+1, The Believer en McSweeney’s, die tegen alle verdrukking in de moed erin proberen te houden. Daar zou ik het bij een analyse liever over willen hebben, en over de uitgeverijen en boekhandelaren hier die keer op keer de raarste boeken uitgeven en proberen te verkopen. Ondanks de teruggelopen winstmarges van bijvoorbeeld uitgeverijen die een jaar of twintig geleden bij een uitgave van negenhonderd exemplaren nog min of meer quitte konden spelen, maar nu pas bij de verkoop van tweeduizend boeken geen verlies lijden. Er zijn zelfs nog steeds uitgeverijen die het wagen dichtbundels uit te geven, over de oplagen en winstmarges daarvan hoef ik het niet eens te hebben.
Van Weelden wil overigens liever geen piskijker zijn, dat zit ’m niet in zijn genen, zijn analyse behoudt steeds een opgewekte toon, die kenmerkend is voor zijn hele oeuvre. Maar toch deelt hij tussen neus en lippen door wel een stel zwarte pieten uit, zodat we goed weten waar we aan toe zijn. Het is de schuld van het kapitalisme, vertegenwoordigd door perfide uitgevers en boekhandelaren, en wij edele en onschuldige schrijvers dreigen daar net als altijd het slachtoffer van te worden.
Hij zoekt oorzaken van de teloorgang van de ‘schriftcultuur’, die haar bevoorrechte positie kwijtraakte, in ‘de massamaatschappij die ontstond met de welvaart en de culturele veranderingen van de jaren zestig’. Ik vraag me af of schrijvers de aangewezen figuren zijn om met dit soort sociologische koffietafeltermen aan te komen zetten. Schrijf nou maar een mooi boek en hou verder je kop, dit denk ik de laatste tijd behoorlijk vaak, vooral wanneer collega-schrijvers het op de televisie weer eens over de achteruitgang van van alles hebben. Dat geklaag altijd, mooie boeken, daar gaat het om.
Bovendien is het de vraag of deze teloorgang in de literaire wereld a. werkelijk bestaat en b. in vage termen van schriftcultuur, elite, massamaatschappij en culturele veranderingen moet worden geanalyseerd. Hoe dit precies zit, ontrafelt Van Weelden niet, voor hem is dit geen vraag, zo zit het gewoon, terwijl ik graag, net als boer Koekoek vroeger, ter ondersteuning van dit gesomber statistieken zou willen zien. Het kapitalisme heeft het in ieder geval weer eens gedaan en in navolging daarvan zijn dienaren: de uitgevers en de boekhandelaren. Ik vind het natuurlijk best, dan heb ik het als schrijver in ieder geval niet gedaan, dat scheelt. En Dirk ook niet. En zijn analyse klinkt aantrekkelijk, dat moet gezegd, zeker als je haar maar vaak genoeg hoort. Ik hoor haar al ruim veertig jaar en als ik me niet vergis werd dit lied honderd jaar geleden ook al gezongen. Maar ja, wat moet je ermee, mooiere boeken ben ik er niet door gaan schrijven, die hebben met heel andere dingen te maken: met verlangen natuurlijk, met zelfvertrouwen, met wanhoop. En met stompzinnig keihard werken.

Het is een mantra: ja, het kapitalisme, ja, de uitgevers, ja, de boekhandelaren. Een mantra van wanhopigen die de moed beginnen op te geven dat ze ooit nog een subliem meesterwerk zullen schrijven. En liefst twee.
Wij schrijvers zijn dus de klos, daar keek ik toch echt niet van op. Af en toe waande ik mij bij deze analyse in het land van Calimero: het zwarte eendje met het eierdopje op zijn kop dat vroeger op de televisie weeklagend door de wereld trok. Zij zijn groot en ik ben klein en het is niet eerlijk. Schrijvers zijn bij Van Weelden helden en edele types die er op uit zijn interessante, avontuurlijke en gedurfde boeken te schrijven waarin zij een gidsrol vervullen en zich en passant ook nog eens tegen de verloedering en de teloorgang verklaren. Ik wantrouw dit beeld van altruïstische schrijvers die onder armoedige omstandigheden ondanks alles toch als romantische kunstenaars blijven opereren. Ze kunnen bijvoorbeeld nooit nee zeggen tegen hun volgende boek, zoals Van Weelden het formuleert. Deden ze dat maar wat vaker, denk ik wel eens als ik er weer eentje lees. Dit alles uiteraard in flagrante tegenstelling met uitgevers en boekverkopers, die het allemaal geen reet kan schelen, als ze maar rijk worden.
Je hoeft niet eens erg veel studies over schrijvers en andere intellectuelen door de eeuwen heen te lezen om in te zien dat je deze bevolkingsgroep het best op elk gebied hartgrondig kunt wantrouwen. Het zijn meestal meelopers of ze hebben een plank voor hun kop, als het even tegenzit gaan ze piepen en ze proberen een wit voetje te halen bij machthebbers. En voor je het weet schuiven ze aan tafel bij mediahelden om daar onbedaarlijk te gaan zitten mee-ouwehoeren. Schrijf toch een mooi boek verdomme! Dankbaar voor financiële steun zijn ze ook al niet, de vanzelfsprekendheid bijvoorbeeld waarmee schrijvers hier jaar in, jaar uit genieten van staatssteun grenst aan het onbehoorlijke. Liefst klagen ze er ook nog over.
Van Weelden schetst ook zijn eigen carrière in romantische bewoordingen rondom moeizaam verworven kennis en succes, maar meer algemene en wat mij betreft kwaadaardige bespiegelingen over de rol van schrijvers in literatuurland ontbreken. Het komt niet in hem op een zwarte piet aan schrijvers uit te delen, wat toch vreemd is in een analyse van de teloorgang van de literaire cultuur. Zouden wij schrijvers buiten schot kunnen blijven? Allemachtig, wat hebben we de laatste jaren aan waardeloze boeken bij elkaar geschreven! Zeg nu zelf. En ik kan het beoordelen want ik ben nog recensent ook. Wat een na-aperij, wannabe-gedoe, maakwerk, jeugdwerk, onzin, opgefokte eigenwijsheid, stilistische onnozelheid, mooischrijverij, nep-engagement en bestsellerverlangen hebben we met elkaar pakweg de laatste twintig, dertig jaar geproduceerd. Vaak nog dikke boeken ook, want met de computer kun je ze sneller in elkaar zetten. En dan klagen over uitgevers en boekhandelaren? Laat me niet lachen.
Ik overdreef hierboven misschien een beetje, maar enige zwartkijkerij over de kwaliteit van het Nederlandse literaire proza had niet misstaan in een analyse over literaire productie. Bescheidenheid past Nederlandse schrijvers, ze zouden voorzichtig moeten zijn met zelfmedelijdende uitspraken over hun beroepsuitoefening en niet te snel beschuldigend moeten wijzen in de richting van andere betrokkenen bij deze industrie. En af en toe hun hand in eigen boezem moeten steken.
Schrijvers spelen bijvoorbeeld een niet geringe rol bij de evidente overproductie van literatuur van de laatste tientallen jaren waar men in de literaire wereld vaak over klaagt. Boekhandels puilen uit van de titels, hoe kun je daar als lezer nog een weg in vinden? Veel Nederlandse schrijvers, verreweg de meeste, ik ook, zijn voor hun inkomen gedeeltelijk of helemaal afhankelijk van een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren. Ze komen voor zo’n beurs alleen in aanmerking wanneer hun uitgever daadwerkelijk de geplande roman of dichtbundel publiceert. Zo niet, dan gaat het financiële feest niet door.
En dus staan schrijvers minstens eens in de twee jaar bij hun uitgever op de stoep met het verzoek alvast van tevoren te beloven het geplande boek in ieder geval uit te geven. Probeer als uitgever dan maar eens nee te zeggen, of te zeggen eerst het boek af te wachten en dan te zullen zien. Uitgevers voelen zich vrijwel verplicht alle boeken van hun werkbeursauteurs uit te geven, meesterwerk of niet. Doen ze dit niet, dan brengen ze hun auteurs aan de bedelstaf. En dus nemen de stapels titels in de boekhandels toe en toe. En maar klagen over de overproductie!

Gelukkig doet Van Weelden aan het eind van zijn boek een poging uit de door hem geschetste impasse te komen. Wat kunnen we doen om geen slachtoffer van de sombere ontwikkelingen te worden? Hij pleit voor ‘aanvallend spel’: niet bij de pakken gaan neerzitten, maar uitbreken uit de zelfopgelegde kooi van de media-industrie. Hij pleit er niet voor ‘om van het leven literatuur te maken, en dat kunstje af te zonderen, maar literatuur te maken met de wereld’. Literatuur moet in zijn ogen een integraal onderdeel zijn van een ‘expansieve kenniscultuur, in de geest van de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert’.
Literatuur maken met de wereld, niet van de wereld, het klinkt goed en ik wens Dirk er het allerbeste mee, dit bedoel ik niet ironisch. Hij wil als writer in residence deelnemen aan een project rondom de Amsterdamse stadsuitbreiding aan de Zuidas. ‘Ik ga in het betreffende gebied iedereen proberen te spreken, de mensen bij de voetbalclub AFC, de mensen in de fitnessclub, de mensen in de volkstuinen, de werknemers in de kantoortorens, de projectontwikkelaars, de mensen van de webcamsite, de eerste mensen die er zijn komen wonen enzovoort.’
Vervolgens wil hij al deze gesprekken en indrukken op een website verwerken, waarbij iedereen mag reageren. Uiteindelijk ontstaat er dan een verhaal rondom een personage. Ik heb geen zin hier ook maar de minste kritiek op te leveren, schrijven is iets waar je zelf in moet geloven en naar moet verlangen en dit is nu eenmaal Van Weeldens schrijfverlangen. Hij gelooft in een didactische literatuuropvatting, in laten zien wat literatuur vermag, hij wil ingrijpen in de maatschappelijke blik van lezers.
Ik vind dat hij voor dit project zo veel mogelijk subsidie moet krijgen. Maar zijn verlangen is niet mijn schrijfverlangen, dat spreekt vanzelf. En ik ga ook geen lid worden, zoals hij voorstelt, van een soort schrijfgenootschappen, waar je als schrijver met min of meer gelijkgestemden kunt discussiëren. Ik wil helemaal niet discussiëren met wie dan ook. Ik ga nergens lid van worden, ik ga de zee op van mijn eigen schrijfverlangen en verder zoeken ze het allemaal maar mooi uit. Lang leve de romankunst! Hard werken en niks laten merken, dat is mijn mantra.
Waarbij ik me vastklamp aan het verhaal van saxofonist Ian Underwood, die zich op een dag bij Frank Zappa meldde omdat hij graag bij The Mothers of Invention wilde spelen. En Frank Zappa sprak de gedenkwaardige woorden: ‘What can you do that’s fantastic?’