Lang leve dingen met een B!

GERRIT KOMRIJ
Bombast en larie: De 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur
Van Gennep, Sandwich-reeks nr. 20, 52 blz., € 12,50

Gerrit Komrij, Bombast en larie. € 7,50

Michiel van Rooij
Hoe hoog de maan
onder redactie van Gerrit Komrij
Van Gennep, Sandwich-reeks nr. 19, 40 blz., € 12,50

Michiel van Rooij, Hoe hoog de maan . € 12,50

Medium downloadedfile
Medium downloadedfile

De Letter B

Ik zit hier in Eylders een beetje te dromen
van betere tijden, al kan het eigenlijk niet
beter worden dan nu.

Beetje schrijven, biertje, Bob Dylan op de
achtergrond: ‘Beyond the Horizon.’ Nu ik
erbij nadenk: lang leve dingen met een B!

Ik kan er zo nog wel vijf bedenken waar ik
erg blij van word, maar ja, als ik hier blijf
zitten, dan komt daar natuurlijk niets van.

Het is een waar genoegen heel slechte poëzie te lezen. Terwijl slechte muziek irriteert, slechte schilderijen een belediging zijn voor het oog en je een slechte roman na tien bladzijden verveeld weglegt, prikkelen slechte gedichten, mits ze een bepaalde graad van slechtheid hebben overschreden, de lachlust, zelfs in die mate dat er een zeker ontzag ontstaat voor de dichter die erin geslaagd is rommel van een dergelijk kaliber op te schrijven en nog gepubliceerd te krijgen ook. Ik heb het niet over matige en onbeduidende poëzie, zoals het merendeel van wat er op Nederlandse en internationale festivals over het voetlicht gebracht wordt, want daar betreft het vaak geneuzel waarvoor je slechts je schouders ophaalt. Dat zijn de ‘dichters van fluweel/ die schuw en humanisties dood gaan’, zoals Lucebert zegt. Werk van dat type beklijft niet. Nee, ik bedoel poëzie van bloedserieuze dichters die er maar niet in slagen tot het officiële circuit door te dringen, juist omdat ze hun métier niet relativeren. Ze gaan gebukt onder een inspiratie die ze beter hadden kunnen richten op kantklossen, duivenmelken of nordic walking.
In de archieven van sportclubs en plaatselijke sufferdjes moeten vele duizenden van dergelijke gewrochten te vinden zijn, nog afgezien van al die in eigen beheer uitgegeven bundeltjes die een enkele keer, doorgaans vergezeld van een onhandig geformuleerde smeekbede om aandacht, ook de tafel van uw poëziecriticus weten te bereiken. Dit soort poëzie moet er altijd geweest zijn, maar vooral sinds de negentiende eeuw, toen het produceren van boeken gemakkelijker en goedkoper werd, is er een machtige stroom van hilarisch drukwerk in omloop gekomen, waaruit moeiteloos de poëtische trends van de tijd afgeleid kunnen worden, juist doordat deze dichters er steeds nét naast zitten.
In het twintigste en laatste deeltje van de Sandwich-reeks presenteert Gerrit Komrij, die de reeks opzette, een ‘eredivisie’ van abominabele poëzie, al is het alleen om te laten zien dat over kwaliteit wel degelijk te twisten valt. Vanzelfsprekend gaat het om gedichten waarvan de dichters al geruime tijd overleden zijn, aangezien levende dichters geweigerd zouden hebben aan dit boekje mee te werken. Helaas stelt de verzameling nogal teleur. Enerzijds komt dat doordat Komrij ervoor gekozen heeft ook fragmenten van langere gedichten op te nemen, met als gevolg dat je niet kunt beoordelen of ze als geheel wel slecht genoeg zijn. Anderzijds bevat de bundel werk van enkele ‘dichters van fluweel’, dat weliswaar mislukt is, maar niet grappig. En ten slotte staan er ook een paar gedichten in die overduidelijk het karakter van een parodie hebben, dus die tellen eigenlijk niet mee. Tot dat laatste type behoort een anonieme lofzang op ‘De chocolaad’, die afkomstig is uit een studentenalmanak: ‘Laat anderen met de glazen klinken,/ Door Bacchus’ vuile dienst bemorst,/ Wij zullen Chocolade drinken/ Gezond en heilzaam voor de borst!’
Een meesterlijk voorbeeld van pretentieuze rommel is de Tamboerijnendans van August Heyting (1926): ‘Gij die daar bang bang bang bang bang/ Met een flang,/ Als een slang,/ Op uw heup, gesmeed,/ U te kronkelen weet/ In het kleed’. Meteen van buiten leren! Het topstuk is echter van niemand minder dan Willem Kloos, die een volslagen onbegrijpelijk sonnet beëindigt met deze brij: ‘Ach, ’k ben een Ziel, die wildlijk vloog/ Uit vreemde, weelger Streken in een onweerstaanbaar tijgen,/ Tot ’k stil verzwijm en ga naar’ t Eindeloze Ene vredig zijgen.’
Dat Komrij zijn poëtisch kompas kwijt is, blijkt zonneklaar uit het feit dat hij de debutant Michiel van Rooij gelegenheid heeft gegeven het op één na laatste Sandwich-deeltje te vullen. Helemaal verrassend is dat niet, want naast een paar voltreffers (Erik Solvanger, Helène Gelèns) omvat de reeks ook vergissingen als Abdelkader Benali en John Schoorl, maar het werk van Van Rooij is echt quasi-poëzie van het allertreurigste type. ‘Tijd, als het rijmt op eenzaamheid,/ is pijnlijke materie.’ Dat is al vrij erg. Een gedicht als Identiteit komt zeker in aanmerking om opgenomen te worden in Komrij’s ‘eredivisie’:

Ik ben een dichter in hart en ziel en nieren.
De woorden voorbij, zo ben ik dichter.

Het rekt zich uit, verschuilt zich in elke
stap. Diep en dringend raakt het aan mijn
adem.

Heel gênant is een ontboezeming over inspiratie: ‘En mijn dichtershart klapt/ gulzig open.// Poëzie dringt zich aan je op/ als een onweersbui.’ De dichter schrikt als de Muze aanbelt: ‘Het soort schrik dat een/ belofte inhoudt.’ Dat Van Rooij een poète maudit wil zijn, is duidelijk: ‘Hier wilde ik dus alles voor geven./ Tekens op papier, ongezongen.// Als opgerookte sigaretten.’ Daar kunnen zelfs August Heyting en Willem Kloos niet tegenop.