essay: lang leve het doodsbericht. De necrologie als celebration of life

Lang leve het doods bericht

Van sommigen verschijnt na overlijden een necrologie in de krant. Vooral in Groot-Brittannië en Amerika is de obit vermakelijk. Met venijn geschreven is het daar een celebration of life. Waarom niet in Nederland?

Als student, besmet met het lijden van de Jonge Werther, schreef ik een verhaaltje over een necroloog, een uitgebluste, verzuurde journalist die belast was met het schrijven van de «in memoriams» voor zijn krant. Hij zocht naar mensen die het niet lang meer zouden redden, schreef verlekkerd hun doodsbericht en priemde de drukproef wraakzuchtig als een koppensneller op de lange spijker op een blokje hout. Eenmaal gespietst was er geen ontsnappen meer aan, was hun lot bezegeld.

Het waren de jaren vijftig. De dood ging nog in het zwart gekleed en droeg een zeis. Wie niet op school De tuinman en de dood had gedeclameerd zong wel bij begrafenissen Dag van rampspoed, dag van smarten. Ik schreef dat verhaal over de necroloog toen ik ontdekte dat in memo riams vaak al klaar lagen voor het slachtoffer de pijp uit was, logisch, maar luguber.

De tijden veranderden en in de jaren zestig verdween de dood uit het leven. De maatschappij was maakbaar, we hadden recht op geluk en het memento mori paste daar niet in. Wie doodging, werd snel afgevoerd. Dood is dood. De rituelen verdwenen. Het crematorium was een onpersoonlijke vrieskast met muzak of muziek die voor een andere omgeving was geschreven.

Vooraanstaanden – de koningin, ministers, grote kunstenaars – kregen nog wel plichtmatig hun «necro». Vaak moesten sportverslaggevers of politieke verslaggevers over een gerenommeerd iemand even snel een in memoriam tikken: de dood werd diep betreurd, de overledene liet steevast een grote leegte na. Het verplichte stukje kwam ergens oneerbiedig in de krant terecht. Het ging om de verdiensten, nooit om de persoon.

Hoe anders in Engeland, waar ik in 1964 correspondent werd. The Times had iedere dag een hele pagina necrologieën. Het waren lange verhalen en ik vond dat belachelijk ouderwets.

Pas langzamerhand ontdekte ik dat die anonieme obituaries vanouds en vaak jaren tevoren geschreven werden door beroemde auteurs als Graham Greene, Evelyn Waugh (schrijver van Brideshead Revisited), J.B. Priestley, de historicus A.J.P. Taylor. Nooit zomaar door een sportjour nalist of kunstredacteur. Niet zelden werden ze geplaatst na het over lijden van de schrijver die dan al lang zijn eigen obituary had gehad. De obits hoorden bij The Times zoals de kruiswoordraadsels en het weer bericht.

Het verhaal gaat dat een oude lord op een ochtend zijn naam bij de obits zag staan en verschrikt The Times belde. De verantwoordelijke obit redacteur luisterde en reageerde laconiek: «My Lord, als ik vragen mag, waar belt u mij vandaan?»

De obits in The Times kregen het toen moeilijk. De nieuwe tijd had ook Engeland bereikt. Historici vertellen nu dat de obit eigenlijk al na de Eerste Wereldoorlog in verval was geraakt. De mensen, schreef de Australische hoogleraar Nigel Starck in Revival of a Dying Art, «waren ziek van de dood». De Tweede Wereldoorlog had daar nog een schepje bovenop gedaan.

De glorietijd van de obituaries begon volgens Starck aan het eind van de achttiende eeuw, ten tijde van de gothic novel en de graveyard poets. Zij smulden van de dood. Langzamerhand veranderde de uitbundige smart in belangstelling voor de precieze toedracht van moord en zelfmoord, iets wat toen ik in de journalistiek kwam absoluut nooit vermeld mocht worden. In de obits van de tweede helft van de negentiende eeuw spatten bloed en hersenen tegen muren en plafond. Dracula verscheen, daarna Sherlock Holmes. In die tijd werd ook heel aandoenlijk geschreven: «Mrs Harrison’s lichaam», aldus een Amerikaanse obit uit 1892, «werd opgebaard in het vertrek waar zij overleden was. In de middag werd zij gelegd in de kist waarin zij eeuwig rusten zal. Haar lichaam was uitgeput en toonde de sporen van de slepende ziekte die in acht maanden haar mooie en waardige gestalte had doen verschrompelen tot een broze schim.»

The Times in Londen gaf zich echter niet gewonnen en hield eenzaam vol. De krant kwam in handen van de Australiër Rupert Murdoch, en de Canadese persbaron Collin Black kocht The Daily Telegraph, reactionair lijfblad van oud-kolonialen en militairen.

Black wist – als Canadees – wat een obituary was. Midden jaren tach tig blies hij de obit nieuw leven in. Hij zou The Times het predikaat «de enige echte» afnemen. De obits van The Daily Telegraph moesten de beste worden. In de harde concurrentiestrijd was de obit een dodelijk wapen. Het was een strijd om de oude lezer, niet de jonge lezer, zoals nu. Ons arsenaal lezers – oorlogshelden en avonturiers – zo redeneerde de Telegraph, biedt de mooiste levensverhalen, spannender dan het beste jongensboek. De Telegraph zette zijn beste, mooiste pennen op de obit. Er kwam een obitredactie van vijf vaste redacteuren en tien vaste mede werkers die dagelijks een pagina moesten vullen. Zij beantwoordden de telefoon met: «Obits here, can I help you.»

De toon werd gezet door de legendarische Hugh Massingberd. Hij besloot de necrologie te behandelen als een aantrekkelijk kranten verhaal. Hij was afkerig van de eerbiedige hagiografie. Massingberd wist de obit te verheffen tot een eigen genre, met eigen toon en ritme, gebonden aan strenge regels. Iedere Telegraph-obit begint met dezelfde zin: John Jones, die op die en die leeftijd is overleden, was… en dan passeren de hoogtepunten van zijn of haar leven in enkele steekwoorden de revue. Een voorbeeld van zo’n eerste zin: «Digby Tatham-Warter, voormalig compagniecommandant, 2e bataljon parachuteregiment, die op 75-jarige leeftijd is overleden, was beroemd om de bajonetcharge die hij in september 1944 in Arnhem leidde met een oude bolhoed op het hoofd en een verfrommelde paraplu in de hand.»

Ander voorbeeld: «Edward Warton Tiggar, die op 82-jarige leeftijd is overleden, was saboteur en brugopblazer voor de Special Operations Executive tijdens de Tweede Wereldoorlog, vooraanstaand diamant delver en ’s werelds meest vooraanstaande verzamelaar van sportplaatjes uit sigarettendoosjes.»

Het verrassingselement is belangrijk. Wat te denken van de kop boven de obit: «Die en die, vurig voorstander van de doodstraf en hondenhater»?

De beroemdheden krijgen hun obits, soms vragen ze tevergeefs die nog voor hun dood te mogen lezen. De obit geeft status. Maar het instituut van de obit geeft ook plaats aan minder bekenden en onbekenden. De echte obitliefhebber leest het liefst de obit van iemand van wie hij nooit heeft gehoord. Bijvoorbeeld de conciërge van een universiteits college die prijzen won met het kweken van de grootste komkommers, de man die de aap trainde die bij de opening van de Olympische Spelen in Korea de Koreaanse vlag mocht dragen, de kapper in de City of Londen die aan zijn klanten zag of de aandelen zouden dalen of stijgen.

En dan mijn lievelingsobit, die begon met: «Graham Mason, de journalist die op 59-jarige leeftijd overleed, was in de jaren tachtig de meest beschonken figuur in de Coach and Horses, de pub in Soho waar in de halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog zich iedere avond een tragi komedie afspeelde onder de stamgasten.» En die eindigde met: «Graham Mason was een voortreffelijke kok van Middellandse gerechten, hield van Pierro della Francesca en Fidelio, de vespers op de radio en vuurwerk. Na de dood van zijn vriendin en de meeste van zijn vrienden zat hij gevangen in zijn woningwetflat met een zuurstofapparaat bij zijn stoel en flessen witte wijn binnen handbereik, kijkend over de Theems, nog altijd heel kwaad.»

De obit wordt beschouwd als de eerste aanzet tot een biografie, een eerste snelle schets. De Britse criticus Anthony Lane schreef in The New Yorker dat de obit vooral «suggereert», terwijl de biografie mag en moet uitweiden. De biografie legt de verbanden waar de beknotte obi tuary geen ruimte voor heeft. Omdat de obitschrijver zo snel en precies te werk moet gaan, moet hij gevoel voor humor hebben. Een obit gespeend van humor, zegt Lane, is het lezen niet waard. Als bewijs dat de Amerikanen ook obits kunnen schrijven, gaf Lane het volgende voorbeeld, de eerste zinnen uit de necrologie van mevrouw Helen Bunce: «Helen Bunce die zoveel wollen wanten breide dat ze niet wist wat ze moest doen als ze niet meer wanten breide, stierf in een verzorgingshuis in Watertown, New York, waar ze bekend stond als de Wantendame. Zij was 86 en breide wanten tot een paar dagen voor haar dood.»

De obit, zeggen kenners, toont verwantschap met de light verse die in de negentiende eeuw zo geliefd was. De obit als literatuur.

Ik ben op bezoek geweest bij de obitredactie van The Daily Telegraph. De chef obits stelde mij gerust en zei: «Met de dood heeft de obit niets te maken. Wij zijn de meest boeiende, meest veelzijdige redactie van de krant. De stroom des levens, zoals mijn voorganger zei, vliedt hier aan ons voorbij. Het is een celebration of life. Hier vieren wij het leven.»

De necrologie treurt niet maar vertelt dat het leven mooier, verrassender, gemener of dwazer is dan je vaak denkt. Over Lord Moynihan die op 55-jarige leeftijd stierf, schreef de Telegraph: «Hij was vooral actief als bongodrummer, oplichter, bordeelhouder, drugssmokkelaar en politie-informant. Maar Tony Moynihan beweerde ook op ander gebied ervaring te hebben als professioneel onderhandelaar, internationaal diplomatiek koerier, beursmanipulator en rock-’n-roll expert.»

De Telegraph en The Times ondertekenen niet. Kranten als The Guardian en The Independent, die pas later in de jaren tachtig de kracht van de obit ontdekten, doen dat wel. Hun obits worden vaak door bekenden of collega’s geschreven. Het gevolg is dat zij soms minder scherp en objectief zijn. De anonieme auteurs zijn afstandelijker en durven details te schrijven die ondertekenaars vaak uit piëteit laten liggen.

De vraag is en blijft: hoe ver mag je gaan? Hoeveel wratten en puisten mag je tonen?

The Guardian begon de obit van oud-minister Peter Shore met: «Geen politieke loopbaan kan droever eindigen dan van een man die eerst volkomen onverwacht tot minister wordt benoemd en oude rotten het nakijken geeft en twintig jaar later bij de verkiezing van de beste backbencher van het Lagerhuis op de twaalfde plaats komt.»

Dat leidde tot protest, vooral ook omdat Shore een Labour-minister was en The Guardian door Labour-aanhangers wordt gelezen. Maar er kwam geen protest tegen de vernietigende obit in The Daily Telegraph die over een ex-minister van Gezondheid zei dat «zijn belangrijkste daad als minister was geweest dat hij het zinnetje op sigarettenpakjes ‹roken kan schadelijk zijn› veranderd had in ‹roken kan héél schadelijk zijn›».

De Telegraph beschreef een zekere Seth Morgan als drugsdealer, pooier, junk, uitsmijter van een stripclub, gewapend overvaller en bejubeld romanschrijver. Dezelfde Telegraph noemde Daniel Farson een be kwaam televisiejournalist, schrijver en fotograaf en onuitstaanbaar als hij dronken was. Het zeer gerespecteerde British Medical Journal schreef in een necrologie van een omstreden specialist dat zijn onderzoekspraktijken nogal «dubieus» waren en dat hij wel eens de «greatest snake oil salesman of his age» kon zijn geweest, kortom, een oplichter. Een storm van verontwaardiging stak op, maar de hoofdredacteur zei: «Ik vond het een goede obit, het toont een verandering van beleid, we willen af van de hagiografie.»

The Times lokte boze brieven uit met de obit van Brian Masters, de bisschop van Edmonton. Daarin stond: «Hij was geen wetenschapper, geen begenadigd predikant, het beste wat van zijn preken gezegd kan worden is dat zij meestal kort waren.»

Een klassieker blijft de obit uit 1939 van de Ierse schrijver W.B. Yeats in The New York Evening Post: «Hij was een schrijver van stralend proza, poëtische Ierse toneelstukken, sierlijke essays. Hij was een nationalistische patriot in een tijd dat daar nog moed voor nodig was. In 1928 won hij de Nobelprijs en verder was hij een beetje getikt.»

Men kan spreken over de Angelsaksische obituary, niet te vergelijken met de continentale necrologie. Toch zijn er duidelijke verschillen tussen de Amerikaanse en Britse obit.

De Amerikanen beschouwen de obit als nieuwsverhaal dat meteen in de krant moet. De Britten nemen de tijd. Soms lees je een obit van ie mand die meer dan een maand tevoren is overleden. De Amerikanen gaan uitvoerig in op de financiën en de oorzaak van de dood. De Britten staan boven het geldelijk gewin, tenzij dit belangrijk is en dan wordt het haarfijn verteld. Over de doodsoorzaak wordt als regel ook niet geschreven, omdat de obit niet over de dood gaat maar het leven viert.

Hugh Massingberd, de oprichter van de obitpagina in de Telegraph, zei dat zijn Canadese hoofdredacteur een keer vroeg toch wat meer over de doodsoorzaak te schrijven. «De volgende dag had ik een geweldige: een stand-up-comedian die een penis-implant had die op wonderbaarlijke wijze was ontploft. En dan was er Nico, de zangeres van Andy Warhol. Zij zong volgens The Daily Telegraph decadente Duitse slaapliedjes. De afgelopen jaren was ze afgekickt van de heroïne en ze was gaan fiet sen, wat nog gevaarlijker bleek. Zij viel op vakantie van een fiets en stierf.»

Tien jaar geleden schreef The Economist – het gezaghebbende lijfblad van diplomaten, economen, politici en spindoctors in Downing Street en op het Witte Huis – uitvoerig over de opleving van de obituary. The Economist concludeerde: «De obits behoren tot de best geschreven stukken van de krant: anekdotisch, oneerbiedig, maar elegant en scherp; intelligent, ontroerend en op een vriendelijke manier verschrikkelijk geestig.» The Economist sprak over de necrologie als amusement. Een paar maanden later begon ook The Economist, op de laatste pagina, met een wekelijkse obituary.

The Economist heeft een geheel eigen stijl ontwikkeld en plaatst de overledene in zijn tijd en omgeving. De obit is geschreven als een kort verhaal van ongeveer vijftienhonderd woorden. Die van Alejandro de Tomaso, ontwerper van sportauto’s, begint met: «Elvis Presley was een auto-enthousiast, zoals men van een Amerikaanse held mocht ver wach ten. Cadillacs, vooral. Hij had er ongeveer honderd. Maar in de jaren zeventig ontdekten autofreaks een sierlijke Italiaanse sportauto die Pan tera heette en Presley kocht er een. Op een dag wilde de wagen niet starten. Presley pakte een buks en loste twee of misschien wel drie schoten op de auto.»

Je zou denken dat dit het eind van de Pantera was, maar nee. Autoliefhebbers vonden dat zelfs the king of rock-’n-roll niet op een auto mocht schieten. En de Pantera-fans steunden de schepper van hun auto, Alejandro, toen hij zei dat de auto als zoveel Europese prima donna’s kuren kon vertonen en met liefde en geduld behandeld moest worden. The Economist ein digt met de verzuchting dat de Pan tera tegenwoordig gekoesterd wordt als een vintage car: «Only occasionally is the engine allowed to come to life, with the owner listening nostalgically to the roar of its great carburator gulping volumes of air, happily polluting the atmosphere as it used to, before environmentalists spoiled all the fun.»

The Economist bracht ook andere juweeltjes: over een geisha, een schrijver-wildebras, een beroepsgokker die alles verloor, Canaan Banana, de eerste president van Zimbabwe, predikant, politicus en verkrachter. De obit van koningin Juliana begon in The Economist met: «Koningen en koninginnen zijn geen gewone mensen. Ook al ademen zij, zweten ze, ontlasten zij zich, bedrijven zij de liefde en worden ze kwaad zoals de rest der mensheid, toch hangt er nog steeds een zeker aura over hen.»

Toen op 20 januari Miriam Rothschild stierf – ze was 96 jaar en een van ’s werelds grootste kenners van luizen en vlooien – schreef The Economist: «Haar leven lang was zij atheïst, maar ze gaf eens toe even gedacht te hebben dat er een schepper was toen zij ontdekte dat de vlo een penis had.»

De Telegraph is langzamerhand door zijn koloniale vechtjassen heen, maar zoekt naar een bonte mengeling van doden die de achterblijvers in het tranendal frisse moed geven. Obits moeten je aan het ontbijt een oppepper geven, zoals de dagelijkse vitaminepil. De necrologie als het goede nieuws dat te vaak in de krant ontbreekt. Maar, kun je je afvragen, doe je iemand geen groot onrecht of maak je niet een karikatuur van de dode door saillante details te vermelden zonder te kunnen vertellen wat hem werkelijk bewoog? In zijn New Yorker-artikel schrijft Anthony Lane dat hij zelf ook lang gedacht heeft dat obituaries een collage van «ware leugens» waren. Totdat hij eens de obit van een zoon van Bertrand Russell las. Toen ontdekte hij het meest intieme geheim van de overledene. Russell junior toonde zijn bezoekers vol trots een onderbroek die aan een spijker hing. Hij had die onderbroek zelf gehaakt met garen. «Omdat ik geen patroon had moest ik hem steeds passen.»

De grote vraag is of de Angelsaksische obit mag en kan overwaaien naar Nederland. Er is de laatste jaren meer aandacht voor het in memoriam. De dood is herontdekt, we zoeken emotie, een mooi en waardig afscheid. De historicus A.Th. van Deursen zei laatst in een interview: «Geschiedenis gaat over liefde voor de medemens. Liefde houdt niet op bij de dood.»

De obit is een vorm van geschiedschrijving, een poging om te vertellen wie de gestorvene is, wat de generatie die afscheid neemt dacht en deed. Maar willen wij een Angelsaksische obit, willen wij de obit als vermaak?

Ik heb mijn twijfels en vraag me af hoeveel gezaghebbende journalis ten, mediahoogleraren en anderen die zich bekommeren om het wel en wee der natie instemmen met de directeur van The Guardian, toch een uiterst serieuze, maatschappelijk betrokken Britse kwa li teits krant, die op mijn vraag wat zijn krant nu eigenlijk als hoofdtaak had laconiek zei: «Entertainment, and of course information.»

Entertainment is in de Angelsaksische wereld geen vies woord. Entertainment staat er niet op gespannen voet met kwaliteit.

De obit komt voort uit een cultuur, een maatschappij die meer draait om mensen dan om ideeën. Dat is of was tot voor kort op het West-Europese continent niet het geval. Wij horen nog dagelijks: het gaat om de inhoud, niet om de poppetjes. In Amerika en Engeland is het andersom: je bestudeert Blair en Bush om erachter te komen wat hun politiek is. Je hebt Thatcher en het thatcherisme, maar wie kan zonder glimlach praten over balkenendologie?

Omdat aan gene zijde van het Kanaal zo’n aandacht bestaat voor de persoon zijn de begrippen privé en publiek er anders. Die zullen ook hier verwateren nu én de premier én de oppositieleider respectievelijk hun dochter en zoon in hun politieke campagne betrekken. Voor de een is dit griezelig. De ander kan zich met recht afvragen of die kinderen naar blanke scholen gaan, bijles voor de Cito-toets krijgen. Kortom, of zij practise what they preach.

De mens in zijn daden is concreet, in zijn preek is hij abstract. Die verschuiving van het accent op het persoonlijke zal de media en politiek sterk veranderen.

George Orwell is om zijn afkeer van totalitaire regimes alom geliefd en gewaardeerd, maar Orwell was ook een zeer Britse denker die grote nadruk legde op het kleine, menselijke detail. In zijn Decline of the English Murder zie je hoe hij de maatschappij en de heersende ideeën verklaart aan de hand van wat hij – in alle details – beschrijft als de typisch Engelse moordenaar. Diens hobby’s, huwelijk, burgerlijk fatsoen en noem maar op: what makes him tick. In alle Angelsaksische ernst zei de schrijver, journalist en filmer Clive James eens dat een filosoof als Jean-Paul Sartre nooit een essay had kunnen schrijven over wat er in een uitdragerij te vinden is of hoe je een perfecte kop thee zet. Daarom, aldus James, kon Sartre ook niets verstandigs zeggen over politiek. Clive James wond zich ook – zie Vrij Nederland van 17 januari 2004 – ongelooflijk op over het feit dat in de index van een biografie van Primo Levi de namen van Louis Armstrong, Fred Astaire en Ginger Rogers niet voorkwamen. Mochten we die lichte toets in het karakter van Levi niet weten?

Voor Nederlanders is niet snel te begrijpen dat een biografie van Sartre gekraakt werd omdat (zo schreef Patrick van IJzendoorn in De Groene Amsterdammer van 19 juni 2004) er niet in stond hoe de kat van Sartre heette en wie zijn maîtresses waren. Gelukkig weten we sinds kort dat minister De Geus een bevlogen koorzanger in de kerk is. Maar waarom wisten we niet dat Joseph Luns zo’n bijzondere Napoleon-collectie had? Hadden we dan niet meer van hem en zijn Nieuw- Guinea-politiek begrepen?

James Kennedy, de Amerikaanse historicus en hoogleraar aan de VU, heeft erop gewezen dat Amerikaanse historici veel meer dan hier aan dacht besteden aan opvattingen en ge drag van gewone mensen. Hij zei in De Groene Amsterdammer (17 december): «In Nederland weten ze nog zo weinig van gewone burgers.»

Moge de obit ons helpen. A cold body is hot stuff.

Onlangs verscheen van Peter Brusse: Met vlinder net door swinging Londen (Balans, 239 blz., e 15,-)

De foto’s zijn afkomstig van de website www.timetales.com, een project van fotograaf Astrid van Loo en webdesigner Dick Dijkman