Langs de neus weg

Voorpublikatie uit Piet Vroon, Anton van Amerongen en Hans de Vries, Verborgen verleider. (Ambo, 252 blz., versch. eind augustus).
Hoewel velen het reukzintuig als het minst belangrijke zien, zijn er grote commerciele en sociale belangen mee gemoeid. Geuren werden van oudsher behalve met seks ook met leven en dood geassocieerd. Een cultuurgeschiedenis van de reuk.

DE NEUS BEZET een centrale plaats in ons gezicht, hij is een gewild onderwerp in de wereld van mode en cosmetica en de brildrager kan hem niet missen. Ook in het sociale en culturele leven en in de literatuur is de neus een vertrouwde verschijning, gezien alleen al de vele spreekwoorden en gezegdes, scheldwoorden en bijnamen die betrekking hebben op dit markante deel van het gelaat.
De neus vormt echter ook het uitwendige deel van het reukzintuig, en als zodanig krijgt hij lang niet de aandacht die hij verdient. Afgezien hiervan weten te weinig mensen dat je de neus niet alleen kunt versieren en als steunpunt gebruiken, en dat de neusademhaling ook van belang is voor de lichamelijke en de geestelijke gezondheid. Deze manier van ademhalen zorgt er namelijk voor dat de lucht enigszins wordt verwarmd en gefilterd; bovendien ontstaat dan een juiste druk in de aderen in de borstkas. Bovendien ruik je meer bij neusademhaling, wat in het algemeen gesproken ook de stemming en het herinneringsvermogen ten goede komt. Bij kinderen die door hun neus ademen, komen concentratiestoornissen op school wat minder voor. De achtergrond daarvan is vermoedelijk dat het ruiken een regelrecht en doorgaans heilzaam effect heeft op diverse hersenfuncties.
De smaak en de reuk zijn de zogenaamde ‘chemische zintuigen’. De reukzin is in veel opzichten niet alleen mysterieus in de betekenis dat men nog steeds maar weinig van de werking van dit zintuig begrijpt, de meeste mensen zien ook het belang van het ruiken onvoldoende in. Anders gezegd: als drager van het reukvermogen wordt de neus onderschat. Als men mensen vraagt welk zintuig zij eventueel zouden willen missen, staat het gezichtsvermogen op de laatste plaats en de reuk bovenaan. Dit is een discutabele keuze, gezien het feit dat de reuk een belangrijke rol speelt bij tal van psychische processen en gedragingen. De reuk is essentieel voor het functioneren van de smaakzin, hij heeft invloed op het seksuele leven, op motivatie- en geheugenprocessen met inbegrip van het leren. Verder is de reuk belangrijk voor de gezondheid en gevoelens van veiligheid en welbevinden: het reukzintuig heeft een alarmfunctie in levensbedreigende omstandigheden (denk aan gaslucht en dergelijke). Op sommige vliegvelden wordt de geur van dennenaalden verspreid om vliegangst te bestrijden, Japanse bedrijven gebruiken luchtjes om de arbeidsmotivatie te verhogen, warenhuizen proberen op die manier tot kooplust aan te zetten enzovoort. Bovendien komt de neus vaak als winnaar uit de strijd in het geval van onderlinge 'competitie’, dat wil zeggen als verschillende zintuigen tegelijkertijd geprikkeld worden - een fraai ogende appel die muf ruikt, lusten we niet.
In historisch perspectief is de discussie over de status van de reuk ingewikkeld geweest. Vooral in westerse landen heeft de aandacht voor dit zintuig eeuwenlang zelfs een dubbelzinnig karakter gehad. De invloedrijke filosoof Plato sprak de banvloek uit over parfums omdat zulke stoffen verwekelijking en lichamelijk genot in de hand zouden werken; het gebruik van aromaten was voorbehouden aan prostituees. Eerbare mensen moesten zich vooral bekommeren om het heil van hun ziel via het beoefenen van muziek en wiskunde. Het lichaam met zijn luchtjes was slechts het tijdelijke graf van die ziel, bovendien stond de neus door zijn positie dicht bij de hersenen in direct verband met gevoelens en lusten die maar beter konden worden uitgebannen. Socrates was in dit verband iets minder dogmatisch: hij meende dat geuren een weerspiegeling vormden van de sociale klasse waartoe iemand behoort, wat betekent dat geuren een zekere informatieve waarde zouden hebben.
Over het algemeen beschouwde men het oog en het oor echter als veel belangrijker hulpmiddelen. In het sociale verkeer werden het horen en vooral het zien als 'edele’ handelingen ervaren omdat deze zintuigen ons met de wereld van de volmaaktheid in contact brengen. De meetkunde wordt ontsloten door het zien, de harmonie der sferen van de pythagoreers 'gehoord’ (akroasis); proeven is al enigszins dubbelzinnig, tasten en ruiken waren volgens menig wijsgeer vulgaire en vaak zelfs wat viezige activiteiten. De mens loopt rechtop, zo luidde een andere veelgehoorde redenering die ook door Freud naar voren is gebracht, wat betekent dat hij met behulp van zijn gezichtsvermogen al van ver kan opmerken wat er in de omgeving gaande is. In tegenstelling tot dieren zouden wij de reuk nauwelijks nodig hebben, evenmin als een staart. Dat idee is niet helemaal onzinnig. Veel reukstoffen zijn zwaarder dan lucht, wat betekent dat men op de grond liggend meer ruikt dan in staande houding.
OOK LATERE FILOSOFEN schreven nauwelijks over de reuk, en als zij dat al deden (bijvoorbeeld Immanuel Kant aan het eind van de achttiende eeuw), dan brachten zij dit zintuig meestal in diskrediet. Mede om deze redenen werd ook onderzoek naar de werking van de reukzin vrijwel niet verricht, in tegenstelling tot onderzoek naar het gezichtsvermogen.
We moeten echter niet te snel gaan. Een belangrijke ontwikkeling in de filosofie en in de wetenschappen is de volgende geweest. Tijdens de periode van de 'wetenschappelijke revolutie’ (de zeventiende en achttiende eeuw, toen tal van wetenschappen tot bloei kwamen) en de Verlichting (eind achttiende eeuw) met de daarop aansluitende industriele revolutie, werd veel nadruk op het verstand gelegd. Men beschouwde de menselijke rationaliteit als de motor van de vooruitgang. Dit bracht met zich mee dat voor emoties en voor het lichaam als geheel een zekere minachting ontstond. Dat gold ook voor de reuk, omdat dit zintuig onder andere is verbonden met (onaangename) lichaams- en ademgeuren. Kortom, een opvatting die aansloot bij het werk van zowel Plato als Immanuel Kant.
Anderzijds was daar het Engelse empirisme, een filosofische stroming die de bron van alle kennis in de zintuigen legde. Gegeven het idee dat kennis geheel en al op ervaring zou stoelen, gingen veel wetenschappelijke onderzoekers hun zintuigen op een intensievere manier gebruiken, met inbegrip van de reuk. Dat gold ook en vooral voor artsen en de scheikundigen die met hen samenwerkten. Opmerkelijk is dat men pas laat ontdekte dat er een verband bestond tussen geuren en chemische stoffen. Zo was Boerhaave nog van mening dat een geur berustte op een afzonderlijk 'fluidum’, spiritus rector genaamd, die olieachtig van aard zou zijn. Datzelfde gold voor de lucht: chemici waren er niet van meet af aan achter dat lucht bestaat uit een mengsel van elementen en verbindingen.
De belangrijkste oorzaak voor de vele aandacht die met name in de achttiende en het begin van de negentiende eeuw naar de reuk uitging, was de geneeskunde. Wegens gebrekkige inzichten op het gebied van de aard en de herkomst van (infectie)ziekten werd de oorzaak van allerlei kwalen en epidemieen met inbegrip van de pest en malaria (letterlijk: 'slechte lucht’) gezocht in kwalijke dampen (miasmen), afkomstig van rottende lijken, urine en faecalien, moerassen, dampen die na aardbevingen uit spleten opstegen (volgens de physica subterranea bevatten de ingewanden van de aarde een niet ongevaarlijk 'stanklaboratorium’ dat de mensheid ziek kan maken), tot en met het verenbed ofwel 'een waar mengelmoes van mefitische uitwasemingen’ zoals iemand schreef ('mefitisch’ betekent zowel stinkend als giftig), en niet in de laatste plaats ziekenhuizen alsmede gevangenissen, waarin niet alleen menig gevangene maar ook veel advocaten vanwege de stank zouden zijn omgekomen. Nog in de negentiende eeuw probeerden rechters zich bij het bezoeken van gevangenissen tegen tyfus te beschermen door zich te omgeven met antimefitische geuren, en de bizarre kleding van de 'pestdokter’ is iedereen bekend.
DE ASSOCIATIES TUSSEN lucht en ziekte hadden een nogal oppervlakkige achtergrond. Een arts observeerde in die tijd dat de stank van zijn winden niet te onderscheiden was van de lijkenlucht die in de ontleedzaal hing. De rottingsprocessen in de ingewanden en het levensbeginsel vormen een eenheid binnen een levend organisme, zo constateerde hij, maar de andere kant van de medaille zou zijn dat ziekmakende geuren ook door de huid werden opgenomen. Zelfs was het denkbaar dat het door de neus opsnuiven van de laatste adem van een stervende je het leven zou kosten omdat het gif zich naar de hersenen spoedde. Ook moest worden opgepast met het inademen van de ademlucht van runderen; als gevolg daarvan werd men mogelijk overvallen door kolieken en misselijkheid. (Terzijde: knoflook is tot diep in de negentiende eeuw gebruikt om boze geesten uit de buurt te houden.) Artsen onderzochten hun patienten bij voorkeur met een hand, met de andere hielden zij doosjes onder hun neus, gevuld met amber, zwavel en een soort wierook. Familieleden en andere belangstellenden dienden zich bij ziekenbezoek dik aan te kleden en hun speeksel niet door te slikken, maar uit te spugen.
Deze gedachtengang bracht met zich mee dat men koortsachtig op zoek ging naar 'antimefitische geuren’ die zowel de stank als het gevaar voor het ontstaan van ziekten konden uitschakelen, een speurtocht die aanvankelijk leidde tot het stoken van vuren waaraan een reinigende werking werd toegeschreven, en pas veel later tot de ontdekking van ontsmettingsmiddelen zoals bleekwater (1788). Sommige chemici gingen zelfs zo ver dat zij zich omgordden met stopflessen teneinde hun lichaamsgassen ter nadere analyse op te vangen; een Italiaanse kanunnik huurde voor dit doel bedelaars in die hij tot aan hun middel opsloot in leren zakken.
Voorts schreef men ook kraamvrouwenkoorts toe aan de atmosfeer, en niet aan met micro-organismen besmette handen. De Hongaarse geneesheer Semmelweis viel dan ook bespotting ten deel toen hij in 1847 beweerde dat deze ernstige ziekte kon worden voorkomen als artsen en verloskundigen voorafgaand aan iedere behandeling hun handen wasten (de verloskamer lag vlakbij het lijkenhuis). Semmelweis meende dat een uit het mortuarium afkomstige 'smetstof’ de kwaal veroorzaakte. Ondanks het feit dat door passende maatregelen in de sfeer van het handen wassen het sterftecijfer van kraamvrouwen in de kliniek met negentig percent daalde, werd Semmelweis zo fel tegengewerkt dat hij Wenen moest verlaten. Pas enkele decennia (en vele honderden onnodige sterfgevallen) later aanvaardde men zijn inzichten.
OMDAT GEUREN ZOUDEN openbaren wat er in het lichaam aan de hand is, werd een uitgebreide diagnostiek ontwikkeld op basis van de geur van het zweet, de adem, het bloed, alsmede die van urine, ontlasting, fluimen, zweren, etter en zelfs de ruimte tussen de tenen en in de oksels (de basis voor deze praktijken was overigens al gelegd door de Arabische arts Avicenna in de elfde eeuw). En wat medische instrumenten betreft: de stethoscoop raakte niet in zwang opdat de arts beter kon horen wat zich in het lichaam afspeelde, het motief voor het gebruik van dit hulpmiddel was veeleer dat de dokter niet onnodig met stank in contact zou komen. Omgekeerd zetten de artsen geuren in bij de therapie (aromatherapie, osmotherapie, kruidenbaden). Vooral vluchtige, warme, olieachtige en aromatische stoffen alsmede 'luchtkuren’ in de bergen zouden ervoor zorgen dat de verstoorde 'levensgeesten’ weer goed door de (hypothetische) buizen in het lichaam gingen stromen.
Aangezien lichaams- en ademgeuren als een afgeleide van leefgewoonten en van de kwaliteit van de lichaamssappen werden beschouwd, bleven ook krachtige uitspraken op andere terreinen niet achterwege. Excessief geslachtsverkeer ofte wel overvloedige lozing van sperma zou ervoor zorgen dat de lichaamssappen van de vrouw werden verpest. Met het oog daarop duidde men prostituees aan als les putains, de 'stinkenden’ (wat in de oudheid al was gezegd door de dichter Juvenalis).
Ook homoseksuelen moesten het ontgelden. Deze mensen werden vaak in de buurt van publieke latrines aangetroffen; als symbool van de 'analiteit’ waren zij derhalve omgeven door een dierlijke stank. Een ander idee hield in dat het sperma volgens de artsen van weleer de organen en lichaamsvezels prikkelde; het zaad bracht 'die stinkende geur voort die van krachtige mannen uitgaat’ en die eunuchen moesten ontberen. De lichaams- en ademlucht van de man werd derhalve aangeduid als de aura seminalis. Woede zou hun ademgeur nog eens extra versterken wegens de versnelde afbraak van hun gal. Dergelijke ideeen waren voor menig deskundige een reden om vooral mannen af te raden zich te wassen, anders konden zij wel eens hun seksuele aantrekkelijkheid verliezen. De atmosfeer van de vrouw daarentegen zou zijn doortrokken van melk: 'Onze vrouwen zweten melk, plassen melk, kauwen en snuiten melk, en geven melk af bij de stoelgang’, schreef een arts in een handboek over chronische ziekten.
Uit vrees voor ziekten en epidemieen leidde de onvoorstelbare stank die vrijwel overal hing op een gegeven moment tot interventies door 'hygienisten’ en stedelijke Gezondheidsraden (in Engeland de Gezondheidspolitie). De hygienisten slaagden er op veel plaatsen in de enorme stank in steden, ziekenhuizen, gevangenissen en woningen te bestrijden. In grootse projecten werden gesloten rioleringssystemen aangelegd, ventilatoren en blaasbalgen geplaatst, fabrieken gesloten, ziekenhuizen voorzien van gemakstoelen met potten, kerkhoven bewerkt met zout, kalk en zwavelzuur, beerputten geleegd, gedragscodes voor putjesscheppers ontworpen, stinkende moerassen drooggelegd, muren, gewelven en houtwerk gepleisterd, geplamuurd, geschilderd en gewit teneinde zich tegen de miasmen te wapenen; zelfs bewerkte men meubelen met 'antimefitische lakken’. Een Schotse hygienist ging zelfs zo ver dat hij met het oog op de stankbestrijding de ruiten van arbeiderswoningen kapot sloeg.
De overwegend negatieve betekenis die aan de reuk en aan allerlei geuren werd gehecht, bracht met zich mee dat dit zintuig net als in Plato’s tijd door menig geleerde naar een plaats onderaan in de hierarchie van de zintuigen werd verwezen: als het zintuig van de lust, van de begeerte en van de drift droeg dit zintuig het stempel van de dierlijkheid. De meeste geuren waren er immers om bestreden te worden. Afgezien van medische praktijken werd die associatie ook op de volgende manier gerechtvaardigd: dieren snuiven vaak, en bovendien is de mens dikwijls niet in staat om geuren in taal uit te drukken, een bij uitstek humaan en van beschaving getuigend vermogen. De reuk zou derhalve meer animale dan menselijke trekken hebben. Sporen van die opvatting zien we nog steeds in de waardering van bepaalde beroepen. Wie veel met stank te maken heeft, staat als regel laag op de maatschappelijke ladder: de putjesschepper, de toiletjuffrouw, de vuilnisophaler, de boerenarbeider.
Een vooruitstrevende stap was dat binnen het Institut de France in 1803 de afdeling 'Onderzoek van zintuiglijke gewaarwordingen en ideeen’ werd opgericht. Men stelde zich ten doel geuren in taal te classificeren. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn om de reuk te ontdoen van associaties met het dierlijke in de mens, zo meende men. Die onderneming leverde onbevredigende resultaten op, wat tot op de dag van vandaag nog steeds het geval is: de 400.000 geuren die wij naar schatting van elkaar kunnen onderscheiden, zijn slechts in enkele tientallen gevallen te benoemen.
HET SPREEKT VANZELF dat het wassen van het lichaam in die tijd tot heftige disputen leidde. Door vuil te blijven kon men voorkomen dat miasmen in de onbeschermde huid doordringen; tevens 'verwekelijkte’ het organisme als het vaak met water in aanraking kwam, meende de ene partij. Bovendien zou je door veel te baden in seksueel opzicht onaantrekkelijk worden; een dramatisch gevolg kon zelfs onvruchtbaarheid zijn. Volgens anderen daarentegen zou het lichaam via een schone huid van ziekelijke uitwasemingen worden bevrijd, in welk kader een groot aantal badvoorschriften werd opgesteld. Op z'n minst dienden zichtbare delen van het lichaam gewassen te worden. De door het baden ontstane paarlemoeren huid waardoorheen men het blauwe bloed door de aderen zag stromen, was het ideaal van deze deskundigen. Een doorschijnend lichaam werd gezien als een spiegel van een zuivere ziel; tevens zouden op die manier seksuele driften (van de vrouw) worden beteugeld. Met het oog hierop liet P. Marie de Saint Ursin in het begin van de negentiende eeuw het volgende weten. 'Wanneer een bleek meisje (…) de eenzaamheid opzoekt en zich overgeeft aan melancholische dromerijen, dan kan een langdurig heet bad de oorzaken van dit erotische orgasme afzwakken.’ Afgezien hiervan deed men er goed aan een zittend leven te leiden, koelte op te zoeken en handschoenen te dragen ter bescherming van de handen. Na het baden, een ritueel dat zeker niet meer dan een maal per week mocht worden uitgevoerd, moesten de ogen gesloten blijven bij het afdrogen van de genitalien, en jonge meisjes werd geadviseerd eerst in het water te roeren teneinde te voorkomen dat het oppervlak als een spiegel zou fungeren als zij in het bad stapten. Na de 'tweede rilling’ rustte de ongelukkige uit van de vermoeienissen.
Even terug naar algemene visies op de werkelijkheid en op het menselijke functioneren. In de loop van de tijd benadrukten niet alle wetenschappelijke onderzoekers, filosofen en kunstenaars de rationaliteit in de mate waarin de filosofen van de Verlichting dat hadden gedaan. Rousseau en Goethe onderkenden het grote belang van intuitie en emotionele betrokkenheid, ook voor het beoefenen van wetenschap, en zij prezen de reukzin zelfs. In het tijdperk van de Romantiek, dat op de Verlichting volgde, kwam zelfs een cultuurbeweging op gang die zich tegen de dominante rol van de ratio verzette en die zich bezon op de plaats van de mens in de wereld en in de natuur. Begrippen als 'Sturm und Drang’, 'Weltschmerz’, kunstzinnige produkten als Hymnen an die Nacht, de nocturnes van Chopin alsmede de grote aandacht voor emoties en voor het gevoelsleven in het algemeen, met inbegrip van aangename geuren, stammen uit deze periode. Veelal trachtte men de beperkingen van het burgerlijke bestaan te overwinnen door te leven in eenzaamheid, het doorvorsen van gevoelens, het zoeken van de roes (onder andere door stimulerende middelen te gebruiken) en het opgaan in melancholie (de paradis artificiels, zoals te vinden bij Baudelaire). Ook de erotiek kreeg weer een enigszins gewaardeerde plaats in het leven.
Los van deze filosofische overwegingen kwam er vooral in de negentiende eeuw in zoverre een verandering in de houding ten opzichte van de reukzin, dat artsen hun neus in mindere mate gingen gebruiken vanwege ontwikkelingen in de scheikunde en (later) de bacteriologie. De ontdekking dat stank doorgaans geen ziektekiemen bevat, dateert echter pas van omstreeks 1880. Werd in het begin van de negentiende eeuw het zintuiglijk geluk met inbegrip van de reuk door de romantici verheerlijkt, niet iedereen was het daar mee eens.
Opnieuw raakte het reukzintuig ook en vooral met seks gelieerd; beide werden in veel westerse culturen afkeurenswaardig gevonden, alweer vanwege de aloude connecties met 'dierlijkheid’. Later, gedurende het Freud-tijdperk, kwam het ruiken weer (even) in beeld, in ieder geval in de literatuur, zij het overwegend in negatieve zin (de reuk zou volgens Freud vooral verband houden met faecalien en met 'de anale fase’ in de psychische ontwikkeling). Een andere invloedrijke man in die tijd was de KNO-arts Dr. W. Fliess, met wie Freud veel contact had. Fliess ontwikkelde een uitvoerige 'neustheorie’ over de seksualiteit. Zo zou er een 'reflexneurose’ bestaan die berustte op connecties tussen de neus en de geslachtsorganen. Fliess voerde kleine operaties uit aan de binnenzijde van de neus teneinde psychische en gynaecologische klachten te verhelpen. Ook het toedienen van cocaine behoorde tot zijn therapeutisch arsenaal.
IN DE VORIGE EEUW werden 'dierlijke’ geuren zoals leer en muskus wel als afrodisiaca beschouwd. Emile Zola was daar niet gelukkig mee. 'Met behulp van een stukje muskus geeft ze zich over aan verboden genietingen. Ze heeft de gewoonte er in bed stiekem aan te ruiken. Ze bedwelmt zich ermee tot orgastische stuiptrekkingen haar overvallen.’ En H. de Balzac schreef: 'In het internaat stapelen het mefitisme van de muren, de stank van het dienstpersoneel en de spermalucht van de surveillant en de masturberende leerlingen zich op. Deze stank, die als typisch mannelijk ervaren wordt, verhevigt het verlangen naar de aanwezigheid van vrouwen.’ In 1855 werd aan het Franse hof schande gesproken van koningin Victoria, die tijdens een staatsbezoek parfum had gedragen dat een beetje muskus bevatte, naar de gevoelige neuzen van de hofdames meenden te hebben opgemerkt. Omgekeerd stelde Gustave Flaubert allerlei regels op het gebied van de reuk aan de kaak. 'Kak in de laarzen, pies uit het raam, schreeuw stront, schijt eens lekker, laat harde scheten, rook als een schoorsteen, boer onder de mensen hun neus’, raadde hij een vriend aan.
Kortom, er zijn ingewikkelde golfbewegingen alsmede liefde-haatverhoudingen geweest in de interesse voor de reukzin. Als we heden ten dage denken aan de Ster-reclameoorlog met betrekking tot inlegkruisjes, tampons, luiers voor zuigelingen en volwassenen, lekker ruikende wasmiddelen en wasverzachters, huidverzorgende stoffen, deodorants, parfums en wat dies meer zij, mogen we zeggen dat de reuk weer belangrijk wordt gevonden, maar het aantal onderzoekers op dit gebied is wereldwijd nog steeds klein.
Hoe dan ook is duidelijk dat binnen het reukonderzoek commerciele belangen van de cosmetica- en voedingsmiddelenindustrie een hoofdrol spelen. En daarnaast is er natuurlijk het algemene maatschappelijke probleem van de stankoverlast. De reukonderzoekers spinnen doorgaans het nodige garen bij commerciele opdrachten, maar hier staat tegenover dat (derhalve) geen onderzoek van betekenis wordt gedaan naar reukstoornissen, die vaak ernstige gevolgen hebben (zoals geheugenproblemen en depressies), en naar stoffen die onze stemming, prestaties en eventuele ziekten kunnen beinvloeden. Zo zijn er nota bene aanwijzingen dat de ziekte van Alzheimer zijn oorsprong vindt in een achteruitgang van het reukorgaan, een defect waar mogelijk iets aan te doen is. Het is jammer dat er zo weinig aandacht wordt besteed aan deze vragen en problemen: te weten reuk en dementie, de genoemde reukstoornissen alsmede de manier waarop geuren (afgezien van parfums) invloed kunnen hebben op ons gedrag en welzijn. Zowel vanuit een medisch als een economisch gezichtspunt lijken dergelijke thema’s vooralsnog niet interessant te zijn. Dat is vreemd: iedereen weet immers dat factoren als herrie en de kleurtemperatuur van het kunstlicht invloed hebben op ons welbevinden, dus waarom nauwelijks onderzocht wat je met geuren kunt bereiken?
Opvallend ten slotte is dat de geschiedenis zich tot op zekere hoogte lijkt te herhalen. Werden vroeger de lucht en geuren op grond van vooroordelen verantwoordelijk gesteld voor talloze kwalen, iets dergelijks ziet men tegenwoordig gebeuren bij aids. Het staat volgens menig gerenommeerd onderzoeker, met inbegrip van de ontdekker van het virus L./Montagnier, niet vast dat het HIV-virus een voldoende voorwaarde is om verwoesting van de lichamelijke afweer te bewerkstelligen (daar zou meer voor nodig zijn), en bovendien moet men direct of indirect een aanzienlijke hoeveelheid van het virus in het bloed krijgen. Desondanks menen veel mensen dat je seropostieven maar beter niet kunt aanraken, dat contact met hun kleren vermeden dient te worden en dat je deze mensen al helemaal geen zoen moet geven. Ook omdat elke aanwijzing voor het lopen van een risico bij dergelijke handelingen ontbreekt, dringt een analogie met de absurde raadgevingen inzake het ziekenbezoek van enkele eeuwen geleden zich op.