TONEEL Woyzeck

‘LANGZAAM, LANGZAAM’

De toneeltekst Woyzeck is een bundel van zo’n 35 ongenummerde scènes, in 1837 geschreven door een stervende jongen van nog geen 24, Georg Büchner. Het duurde 42 jaar voor zijn dramatische fragment in druk verscheen en pas in 1914 was de wereldpremière (in Wenen). Woyzeck dankt zijn reputatie onder meer aan de opera Wozzeck die Alban Berg in 1929 componeerde.
Gerardjan Rijnders regisseerde Büchners zwanenzang onlangs bij het RO Theater. Op de stapel scènes die wij Woyzeck zijn gaan noemen werden de afgelopen decennia onder meer de volgende drie interpretaties losgelaten: theatrale bijdrage tot het juridische discours over ontoerekeningsvatbaarheid van misdadigers; filosofisch commentaar op de experimenteerdrift van de mens om de evolutie naar zijn hand te zetten, en sociale aanklacht over de underdog in een repressieve maatschappij. Door de compactheid van de tekst – bij een rustig leestempo zijn toneelspelers in drie kwartier klaar – kwamen theatermakers nogal eens in de verleiding om de immense ruimte tússen de teksten met vondsten dicht te metselen. Die verleidingen laten Rijnders en zijn team van vertaler en vormgevers links liggen. Zij vertellen het verhaal over de langzame Werdegang van de eenling die zich niet anders verweren kan dan met nuchtere observaties en wilde associaties. Dat zijn de twee uitersten in de geest van Woyzeck: de gewone jongen die zijn plek kent enerzijds, anderzijds de dolende mens wiens kop overloopt van koortsige fantasieën en angsten waar niemand in zijn omgeving een touw aan vast kan knopen.
In deze voorstelling vindt die confrontatie plaats in een circusomgeving, het circus als freakshow, het vernederend tentoonstellen van alles wat vreemd en anders is (ook Woyzecks kind is hier een pop met een waterhoofd). Circus is de alles beheersende metafoor van deze voorstelling, van het spectaculair effectieve toneelbeeld (een uitdijende circustent) tot in de details van schmink en kostuums, de zowel weemoedige als opzwepende Balkan-muziek, en het jongleren met evolutie en racistische ressentimenten, via de intrieste circusaap en de negroïde tamboermajoor. De hectiek van deze bij elkaar gelogen vrolijkheid sluit perfect aan bij de rusteloosheid van Woyzecks fysieke aanwezigheid. Door al die bijbaantjes leeft Woyzeck snel, hij holt voortdurend en zweet als een otter, hij heeft een fysieke tic die meteen in de eerste scène met een welgemikte trap tot stilstand wordt gebracht. Dat lijkt een sleutelmoment in de voorstelling omdat Woyzeck hier met geweld gedwongen wordt tot iets wat hij niet kan: stilstaan, denken. ‘Langzaam, Woyzeck, langzaam’ – de gebiedende wijs geeft de maalstroom in zijn kop vrij spel, en dat maakt hem kapot, half dood en uiteindelijk gek.
De makers van deze voorstelling doen niks om de koele observaties van Büchner op te leuken, de kijkers mogen schuiven met de brokstukken van een mensenleven waarin een schuldeloze schuldig wordt gemaakt. Ik heb ademloos gekeken, intens genoten en nogal wat gelachen ook, was aangedaan en prompt alle eerdere Woyzecks vergeten, zag tijdens het slotapplaus de pop die Woyzecks kind voorstelde van de circustribune lazeren en heel raar neerkomen – zelfs dát was prachtig, al werd het meteen gecorrigeerd. Prachtavond!

Woyzeck, RO Theater, t/m 23 december. www.rotheater.nl