Langzaam schilderen

Het beroemde zwart-in-zwart van Frans Hals zorgt voor een licht en veerkrachtig oppervlak, en voor een helderheid als in fris daglicht. Vergeleken bij de ‘snelschilder’ Hals werkte Rembrandt een stuk trager en beschouwelijker.

Het portret van een onbekende man, door Frans Hals, is klein en zonder opsmuk. Omdat zijn kleding sober is en stemmig zwart, en de man bovendien een kalotje draagt, is wel geopperd dat het om een predikant zou gaan. Maar de individuele portretten van Hals, of van andere meesters uit die tijd, zijn nooit erg groot. In doorsnee zijn ze rond een meter hoog, soms iets meer. Ik weet van maar één schilderij, Willem van Heythuysen, waarvan de hoogte net meer dan twee meter is – maar dat ijdel heerschap voert zichzelf met pontificale zwier op. In de Republiek was groot vertoon niet gebruikelijk. Bovendien waren de huizen veel te klein voor grote schilderijen. We moeten ervan uitgaan dat de meeste kunstwerken (en niet alleen portretten) voor huiselijk gebruik waren. Dus is de onbekende man, geschilderd zo tegen 1660, niet eens zo klein. Wel is het, ook in die spaarzame uitvoering en 37 centimeter hoog, een portretje dat een vrouw misschien van haar man laat maken voor een bijzondere verjaardag. Zo persoonlijk en intiem ook is het door Hals geschilderd.

Op dat kleine formaat is het hoofd ongeveer acht centimeter groot. Het rust stil op een eenvoudig gesneden kraag waarvan het strakke wit wat licht op het gezicht laat afstralen. Een sterk licht van linksboven valt verder op het glanzende voorhoofd van de man en glijdt vandaar over zijn gelaatstrekken naar beneden. Tegen de gedempt bruine achtergrond ziet het gezicht er extra helder uit. Rechtsonder zorgt een zwakke schaduw (die van het hoofd) voor wat ruimte zodat de donkere contour van het lichaam daar wat loskomt van de gesloten achterwand. De handen daar, los over elkaar gevouwen, vormen in de compositie een ander rustpunt, in een stil evenwicht met het gezicht. De contour van het lichaam, tussen gezicht en handen, heeft een bijzonder voornaam verloop. Ik bedoel de rustige, schuine lijn van de schouders en dan verder naar beneden. Het lichaam dient als sokkel voor de prachtig heldere kop die ook zo helder is omdat hij lichter gemaakt wordt door vlugge toetsen wit licht – op de neus, het jukbeen en in het wit van het linkeroog. Ook het zwarte laken van de kleding wordt hier en daar verlevendigd door lossere streken in een dwarse richting geschilderd zodat ze net een wat ander licht vangen. Dat is het fameuze zwart-in-zwart van Frans Hals dat heel terloops en onopvallend zorgt voor een licht en veerkrachtig oppervlak. Zulke effecten zorgen in het schilderij voor die helderheid, als in fris daglicht, die zo kenmerkend is voor Hals op zijn best.

Heel anders was het schilderskarakter van Rembrandt – langzamer en beschouwelijker vooral. Het portret van de arts Ephraim Bonus, dat zo vergelijkbaar is met dat van Hals, is nog eens de helft kleiner. In de eenvoudige compositie van Hals bevindt het hoofd van de man zich vlak boven het midden (waar de kin op de kraag rust) en iets naar links. Daar zien we ook minder achtergrond dan rechts van het gelaat. Zo zit een klassieke compositie in elkaar. In het portret van Rembrandt komt de man met kraag en schouders boven de middellijn van het paneeltje uit. Het gezicht zit beduidend hoger in de compositie. Wat betreft houding staat de man ietwat scheef in beeld en iets naar links gedraaid. Wat gedrongen in een nauwe ruimte. Tegelijkertijd zien we het hoofd wat gedraaid en wat naar voren geneigd. Daarmee vergeleken lijkt de man bij Hals naar achteren te wijken. Wegens zulke gegevenheden oogt Ephraim Bonus, hoewel klein van formaat, bijna zo monumentaal als Jan Six in zijn luisterrijke portret.

Het schilderij van Rembrandt is zo klein omdat het een schets is voor een ets die hij in 1647 heeft gemaakt. Die ets is iets groter dan het schilderijtje omdat de arts er met meer ruimte staat opgesteld. Daar staat hij onder aan de trap met zijn hand op de leuning in een deftig kostuum – alsof hij op het punt staat om uit te gaan. We zien vaker dat Rembrandt zich de geportretteerde in een levendige handeling probeert voor te stellen. Rembrandt kijkt ook veel aandachtiger. Misschien lijkt dat omdat hij al dacht aan het dicht verweven zwart-wit van de ets die gemaakt moest worden. Maar het schilderij is, het meest nog in de passages van kraag, gezicht en hoofd, met heel korte stevige toetsen geschilderd. Bijna zien we het penseel de verf betten. Mijn indruk is dat hij langzaam keek en dus ook langzaam schilderde. De vlot geplaatste toetsen en lichtvlekken bij Hals duiden op een alerter, impulsiever kijken. Dat past ook bij zijn reputatie als vrolijke snelschilder. Uit heel het oeuvre van Rembrandt blijkt dat hij veel moest nadenken en dubben voor hij wat kon afmaken. Dat is iets wat mij bevalt.


PS Voor meer Frans Hals kunt u de komende maanden terecht in het Frans Hals Museum in Haarlem. De twee portretten die hier zijn ­afgebeeld hangen in het Rijksmuseum