Lapjestrap

Ze boekte veel succes met haar kwetsbare stofschilderingen. Maar nu heeft Wilma Kuil een kunstwerk neergezet dat eeuwen mee kan: een robuuste trap van terrazzo. Versierd met een Spakenburgs bloemmotiefje, dat wel
WILMA KUIL (1949) heeft alles. Een lieve man en een mooie dochter. Een mooie boerderij en een lieve hond. Maar ze is zich terdege bewust van de kwetsbaarheid van zoveel zegeningen. De vergankelijkheid van het leven is een voornaam thema in Kuils werk, schilderingen op stof die het midden houden tussen schilder- en textielkunst, of, aardiger gezegd: het goede van beide in zich verenigen.

Zij schildert voorstellingen op gedessineerde lappen stof, waarbij het bijzondere is hoe ze de voorstelling uit het dessin te voorschijn tovert; uit een stof die bedrukt is met dwarrelende veren doemt bijvoorbeeld een zwaan op die hevig met zijn vleugels klapwiekt (Bedreigde zwaan, 1990).
Vergankelijkheid in letterlijke zin vormde midden jaren tachtig ook de directe aanleiding tot het ontstaan van deze werken. In 1984 kreeg Wilma Kuil uit de nalatenschap van Anna Verwey - een jong gestorven kunstenares die beelden van textiel maakte - een doos met materialen, waaronder ook een aantal bedrukte lappen. Die lappen vormden de eerste aanzet tot het werk waarmee Kuil de laatste jaren bekendheid heeft verworven, en dat onder meer is aangekocht door het Stedelijk Museum in Amsterdam. Voor Kuil zelf vormde deze nalatenschap vooral een uitgelezen kans om van haar vroegere werk - grote arbeidsintensieve sculpturen van materialen als klei, glas en aluminium - los te komen.
Dit voorjaar exposeerden Anna (de kunstenaarsnaam van Verwey) en Wilma Kuil samen in het Stedelijk Museum te Schiedam, waarmee de cirkel rond was, het estafettestokje doorgegeven werd, of hoe je zoiets ook zou willen noemen. Geen lijkenpikkerij in elk geval, maar eerder het besef dat we allemaal op elkaars schouders staan.
Als dat zo is, dan staan we natuurlijk in de eerste plaats op de schouders van onze ouders. Kuil schilderde de afgelopen jaren in een pointillistische techniek een aantal familieportretten op bloemetjes- en stippeltjesstof, herinneringen aan haar jeugd en haar ouders. Op een soepel gedrapeerde lap gele stof met groene stippeltjes (155 x 400 cm, 1994) - zelf al zo zonnig als zomerdagen dat alleen in jeugdherinneringen kunnen zijn - verschijnt uiterst rechts, door de schildertechniek enigszins wazig, de gestalte van een man die zich bukt om met een tuinschaar een paar grassprieten die aan de maaier zijn ontsnapt, te kortwieken. Hij draagt klompen, maar ook een overhemd met een stropdas die door de gebukte houding van de man loodrecht naar beneden hangt. ‘Echt een ambtenaar in zijn vrije tijd’, zegt Kuil vertederd. In dit werk valt alles samen; materiaal, techniek en onderwerp vormen een sluitend geheel, de persoonlijke herinnering is vloeiend omgezet tot een verstild en kwetsbaar monument voor zoiets gewoons als een vader die het gras knipt.
STOFUITDRUKKING is in de kunst al eeuwenlang een cruciaal begrip. Immers, wie een mens wil afbeelden, zal zich voornamelijk bezighouden met de weergave van de kleding, de lichtval op de plooien die de plasticiteit van een lichaam moeten weergeven. De meeste schilderijen bestaan grotendeels uit de weergave van textiel, van de sobere zwarte pakken met de flamboyante kragen erop van Frans Hals tot aan de pracht en praal van de Spaanse koningen en prinsesjes bij Velazquez; het zijn misschien wel de plooien van de stof, nog meer dan de plooien van het lichaam, waarmee de kunstenaar zijn vakmanschap kan aantonen.
Door de tijd heen zijn er zelfs schilders geweest die gespecialiseerd waren in het schilderen van een stof als fluweel of zijde, en die door andere schilders, die zich wellicht bewust waren van hun eigen tekortkomingen op dit gebied, ingehuurd konden worden om een bepaalde partij te schilderen. In het achttiende-eeuwse Engeland werd zo iemand een draperyman genoemd.
Voor het werk van Wilma Kuil is stofuit drukking ook van groot belang. Zij laat immers zelfs haar onderwerp uit de stof zelf te voorschijn komen, de stof dicteert het onderwerp, en daarom zou je best kunnen zeggen dat haar hele werk rond het begrip stofuitdrukking draait.
Daarmee is het ook een treffend voorbeeld van de verregaande specialisatie in de moderne kunst. Aspecten als stofuitdrukking of perspectief, die vroeger samengevoegd werden tot een kunstwerk, zijn uiteengevallen en geven nu aanleiding tot de talloze hyperindividuele benaderingen die de hedendaagse kunst rijk is. Maar als het goed is, valt zo'n kunstwerk toch ook weer te herleiden tot voorbeelden uit de kunstgeschiedenis, en ondanks de versnippering die zich aan de oppervlakte toont, is er ook een onderstroom van continuiteit te vinden. Bijvoorbeeld doordat kunstenaars steeds maar weer in plooien van stof (en het schilderij is zelf ook van stof) en plooien van huid (een schilderij heeft ook een huid, van verf) blijven zoeken naar een manier om de vergankelijkheid van het bestaan vast te leggen.
DIE THEMA’S van stofuitdrukking en vergankelijkheid spelen ook weer een grote rol bij het project dat Wilma Kuil in haar woonplaats Vlaardingen ten uitvoer bracht.
In het voorjaar van 1995 kwam iemand van een Vlaardings terrazzobedrijf bij haar met de vraag of zij iemand kende die straatmeubilair kon ontwerpen. Kuil aarzelde geen moment en zei: 'Ja, ik.’ Van het een kwam het ander en binnen een maand had Kuil een opdracht binnen van de gemeente voor het ontwerpen van trappen in het te renoveren stadshart van Vlaardingen. Alleen was het budget van vijftigduizend gulden bij lange na niet genoeg voor de woeste plannen van Kuil. Dus stelde ze een comite van aanbeveling samen waarvoor ze met een licht beven van ontzag mensen als Benno Premsela, ontwerper Gijs Bakker en Liesbeth Crommelin - conservator van het Stedelijk Museum in Amsterdam - vroeg. Ze richtte een stichting op waarin vooraanstaande burgers uit Vlaardingen het voortouw zouden gaan nemen om sponsorgelden binnen te slepen, en ontwierp een fraaie maquette van haar plan; de verfraaiing van twee bordestrappen aan weerszijden van een viaduct, die een hoogteverschil van vijf meter moeten overbruggen, met een totale lengte van 26,5 meter. Op de maquette zijn de treden bekleed met een aantal fleurige Spakenburgse bloemenstofjes (niets is vergankelijker dan bloemen), die in terrazzotechniek - een oud Italiaans procede waarin graniet, cement, kleurstoffen en glas gemengd worden - vertaald en door een Vlaardings-Italiaans bedrijf uitgevoerd zouden worden. De totale kosten werden op 1,1 miljoen geschat.
Op de smalle trap die naar Kuils atelier leidt, werd het een gaan en komen van heren uit het bedrijfsleven van Vlaardingen en omstreken. Kuil hield lezingen voor uiteenlopende gezelschappen als de Rotary en bejaardenclubs om goodwill te vergaren voor haar project, ze ontwierp briefpapier en folders en belde zich helemaal suf. En zo kwam het dus dat in het late voorjaar van 1995 een enthousiast gezelschap van Vlaardingse notabelen in het atelier van Wilma Kuil het champagneglas hief op de goede afloop van het project.
Het geld kwam er. En Kuil werkte zich uit de naad, bijgestaan door de medewerkers van het terrazzobedrijf Tomaello, want zonder medewerking en de technische kennis van specialisten kan een kunstenaar zijn ideeen niet tot uitvoer brengen.
Bij TNO werd het ontwerp getest op veiligheid; men vroeg zich bezorgd af of het dwarrelen van zoveel bloemmotiefjes bejaarden niet aan het struikelen zou brengen. Dat bleek gelukkig niet het geval.
En zo komt het dus dat op 17 Augustus de eerste trap onthuld gaat worden. De tweede volgt komend jaar. Aangedreven door niets dan een tomeloos enthousiasme en doorzettingsvermogen heeft Wilma Kuil daar uiteindelijk zelf voor gezorgd. Natuurlijk staan we allemaal op elkaars schouders. Maar soms maakt iemand in haar eentje wel even een erg gedurfde buiteling.
Het is de eerste keer dat Wilma Kuil zo'n enorm werk gemaakt heeft, en ze heeft haar persoonlijke thema’s op een geslaagde manier monumentaal weten te vertalen. In tegenstelling tot de kwetsbare lappen stof die in het zonlicht al verschieten, is dit een werk waar heel Vlaardingen langdurig van kan meegenieten, tot aan de dag dat de wereld vergaat.