Lappenpoppenlevens

Sylvia Waugh, De Mennyms. Uitgeverij Gottmer, 260 blz., 329,90
Sylvia Waugh (geen familie van Evelyn) maakte haar debuut als schrijfster pas toen ze schooljuf-in-de-vut was geworden. Drie jaar geleden begon ze aan een zesdelige, onmiddellijk succesvolle serie, waarvan onlangs het eerste deel in vertaling verscheen.

De Mennyms heeft trekjes van een soapserie. Een groot huis in een nette Engelse buurt is van onder tot boven gevuld met menselijk wel en wee. Het wordt bewoond door de familie Mennym - vijf kinderen en vijf volwassenen - en alle personages voldoen perfect aan hun eigen cliché. De baby sabbelt tevreden op zijn duim, de tienjarige tweeling ruziet, terzijde van het gezinsgewoel buigt de oudste zoon zijn denkhoofd over het zoveelste prachtboek en de exotisch uitgedoste puberdochter tiranniseert iedereen met haar grillen en kuren. Aan zijn bed gekluisterd houdt de grootvader de illusie in stand dat hij het totale gezinsleven bestiert, terwijl de touwtjes eigenlijk in handen zijn van de immer breiende oma, die over de financiën gaat. Vader is een man van de pijp, de krant en weinig woorden, moeder zorgt.
De meest raadselachtige huisgenoot is een op en top gepermanente middelbare juffrouw en met haar verschijnt de eerste barst in dit bastion van herkenbare burgerlijkheid. De juffrouw namelijk woont in een gangkast. Soms komt ze eruit, wandelt ongezien door de keuken naar buiten en belt vervolgens aan de voordeur voor een bezoekje. Dan houdt men theevisite, compleet met roddels, oudbakken biscuitjes en net-alsof-thee uit het mooie serviesje, waarna de juffrouw weer verdwijnt in de kast, haar net-alsof-huisje aan het eind van de straat.
Deze familie bestaat bij de gratie van net alsof en zogenaamd, want hij wordt gevormd door menshoge lappenpoppen. Ooit werden ze gemaakt door een begenadigd handwerkster en toen die overleed, kwamen ze tot leven en namen bezit van haar huis. Daar zijn ze nu al veertig jaar met grote vindingrijkheid in de weer met mens-zijn en vooral om niemand hun ware identiteit van kapok en kraaltjesogen te laten ontdekken. Zaken worden telefonisch of schriftelijk geregeld, niemand gaat de straat op zonder zonnebril en breedgerande hoed en vader werkt als nachtwaker of kerstman. Alleen binnenskamers is veiligheid en die wordt in de loop van het verhaal bedreigd door de komst van raadselachtige brieven.
Met overtuigingskracht werkt Waugh haar intrigerende idee uit tot een complexe nieuwe werkelijkheid. De Mennyms denken, voelen en maken plannen. Ze hoeven niet te eten en zitten alleen voor de zogenaamde gezelligheid rond de gedekte tafel, waarop iedere kerstmis dezelfde kartonnen kalkoen staat. Ze worden ook niet ouder. Al veertig jaar is de familie met een rampenpuber opgescheept: ‘Ieder jaar op vier juli werd ze weer vijftien.’
Achter de kinderwereld van het poppenhuis, waar de bewoners zich gedragen naar de wensen van wie met ze speelt, schemert de realiteit van 'echte’ mensen, die zich uit vrije wil verschansen achter de veilige muren van gewoonten en rituelen. Het leidt tot een betoverende realiteit, waarin echt en onecht hun betekenis verliezen en een verbond met elkaar aangaan. Zowel jongeren als volwassenen zullen er zich in kunnen verliezen, om na de laatste bladzijde vol ongeduld te gaan zitten wachten op het vervolg.
Hopelijk zullen ze daarin dan minder last hebben van onnatuurlijke, onmiskenbaar uit het Engels afkomstige zinswendingen.