Lastige rekensommetjes

GOED NIEUWS: HET AANTAL allochtonen dat een hbo-opleiding volgt is in tien jaar tijd verdubbeld. Dat staat in het rapport Making up the Gap van het Sociaal en Cultureel Planbureau, onderdeel van een grootschalig onderzoek door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling naar de onderwijsdeelname van migranten in zes Europese landen. Hiermee wordt Geert Wilders, die wil dat ministeries een kosten-batenprofiel van allochtonen maken, onbedoeld op zijn wenken bediend. Of past positief nieuws over allochtonen niet in zijn doemscenario en gaat hij beweren dat het links rekenen is?

Dit onderzoek is zónder Wilders’ troebele agenda belangwekkend. Enerzijds laten de cijfers zien dat allochtonen – meisjes meer dan jongens – hun educatieachterstand snel inlopen. Anderzijds wordt met een aantal mythes afgerekend. Zoals de stelling dat allochtone leerlingen met een goede cito-score te lage schooladviezen krijgen. Het adviesverschil met autochtone leerlingen is verwaarloosbaar en als het nog voorkomt, komt dat door slechte ervaringen in het verleden, toen er juist te positief werd geadviseerd. Allochtone leerlingen moesten dan in het voortgezet onderwijs op hun tenen lopen, bleven zitten of verlieten vroegtijdig school. Drop-outs blijven een enorm probleem.
Het onderzoek toont dat het lastig is om een kosten-batenanalyse te maken van de betekenis van het specifieke Nederlandse onderwijs en de stimuleringsmaatregelen van de overheid. De onderzoekers stellen dat er een groot bedrag – jaarlijks ruim 610 miljoen euro – is geïnvesteerd in de strijd tegen achterstanden van allochtone kinderen. Dat is onder meer besteed aan de preschool, kleinere klassen met meer leerkrachten per leerling op ‘zwarte’ basisscholen of ‘kopklassen’ voor allochtonen. De effecten daarvan zijn echter niet hard te meten ‘omdat er geen controlegroepen zónder overheidsinterventie zijn’, aldus het rapport. Je kunt dus niet gemakshalve concluderen dat de stimuleringsmaatregelen van de overheid een succes zijn. Maar omgekeerd ook niet dat er géén causaal verband is. Dat is interessant in het licht van de gewenste sommetjes van Wilders: in- en output zijn lastig meetbaar, en dat zal voor gesubsidieerde projecten in de cultuur- en welzijnssector nog meer gelden.
Eén gesignaleerd fenomeen zou iedereen zich in ieder geval moeten aantrekken. Het valt de onderzoekers op dat Nederland de merkwaardige gewoonte heeft om migranten steevast te beschrijven als ‘allochtonen’. De term legt telkens de nadruk op de aparte positie en identiteit van minderheden, terwijl dit onderscheid in andere landen niet zo frequent en nadrukkelijk wordt gemaakt. Naast het negatieve politieke effect heeft dit concept als bijproduct dat er veel statistische gegevens voorhanden zijn.
Dat is op zich niet erg, want een evaluatie van beleid met enorme overheidsinvesteringen en hoge pretenties is goed als het is bedoeld om daar lering uit te trekken. Althans door politici die serieus in staat zijn om daar een eerlijk beleid uit te destilleren. Het wordt wél ongemakkelijk als al die etnische cijfers in dienst staan van een bedenkelijk doel en verwerpelijke oplossingen. Nederland is net als andere landen geen mensen-BV.