#MeToo in historisch perspectief

Lastige vragen stellen

Het openbaar maken van seksueel machtsmisbruik betekent een nieuwe ronde in de vrouwenemancipatie. De geschiedenis van vrouwenrechten is de geschiedenis van het doorbreken van stiltes.

Fernand Siméon, La lettre surprise uit Gazette du Bon Ton, 1920. Houtsnede met de hand gekleurd, 24,7 x 18,9 cm © Rijksmuseum, Amsterdam

De dagen dat de #MeToo-beweging me het opwekkende gevoel gaf dat eindelijk weer unverfroren de strijd werd aangebonden tegen het misbruik van vrouwen liggen achter me. Ik vind het nog steeds een belangrijke strijd, want het patriarchaat, om dat woord maar weer van stal te halen, is nog altijd levend en doet zichtbaar en onzichtbaar zijn onderdrukkende werk. Maar in het kielzog van #MeToo gebeuren er dingen die me behoorlijk tegen de haren in strijken. Zoals het feit dat Ian Buruma als hoofdredacteur van The New York Review of Books het veld moest ruimen vanwege de publicatie van het artikel van de van seksueel misbruik beschuldigde Canadese radiomaker Ghomeshi. Buruma wilde hem laten vertellen wat er gebeurt na zulke beschuldigingen.

Als je door een rechtbank wordt veroordeeld weet je waar je aan toe bent, maar dat ligt anders bij straf door de publieke opinie, de sociale media. Veel vergrijpen die onder de vlag van ‘grensoverschrijdend gedrag’ vallen, zwemmen door de mazen van de wet heen, want moeilijk bewijsbaar en vaak al weer verjaard. Maar de straf door de sociale media is onbegrensd en kent zijn eigen meedogenloze dynamiek.

Buruma heeft met Ghomeshi’s artikel, ‘Reflections from a Hashtag’, werd al gauw duidelijk, een paar gevoelige steken laten vallen. Het was niet zo’n goed artikel, hij had het moeten inleiden, het miste een context, hij had het stuk moeten factchecken – nu kwam Ghomeshi weg met een verzachte versie van wat hem ten laste werd gelegd. Stevige redactionele tekortkomingen, maar toch geen reden voor ontslag?

De woede die het stuk ontketende had als refrein dat Buruma deze man, dit seksuele roofdier, nooit een platform had mogen bieden om zijn verhaal te vertellen over zijn diepe val – een verhaal dat ook weer erg zelfingenomen was en weinig blijk gaf van het besef wat hij vrouwen had aangedaan. Maar het ging er vooral om dat Ghomeshi geen recht had om zijn verhaal te vertellen, dat was deel van zijn straf. Het ging nu om de verhalen van anderen: de slachtoffers.

Ik merk elke keer opnieuw hoe lastig ik het vind om hier vrij over te denken. Mijn eerste reflex is steun en adhesie aan al die vrouwen die betast zijn, aangerand, verkracht, en ook mijn haat tegen ranzig mannetjesgedrag is groot, en wordt niet minder. Maar als de ruimte om te onderzoeken wat er gaande is, en wat dit oproept, nog voor de discussie begonnen is wordt ingeperkt en de poging afgestraft, dan wordt iets aangetast dat ook van vitale waarde is: de openheid om lastige vragen te stellen, het uitzoeken wat er speelt, over en weer. Naast de strijd op de barricaden is ook iets anders nodig: de ruimte om te kijken wat er gebeurt, waarom dat nu gebeurt, welke emoties worden gewekt, welke woorden gebruikt. De blik op afstand. Die lastig is als de strijd woedt, want zij wordt al gauw gezien als gebrek aan betrokkenheid.

Zo viel mijn oratie als hoogleraar vrouwenstudies over De belasting van de bevrijding destijds, in 1987, niet bij iedereen in goede aarde, want aandacht voor de lastige kanten van bevrijding, voor vrouwen en mannen, maakte de zaak ingewikkelder en kon zand gooien in de machine van de vooruitgang. De sfeer binnen vrouwenstudies werd gaandeweg opener, de blik genuanceerder, ambivalenties en interacties werden deel van het verhaal, wat het interessanter maakte dan het stramien van dader en slachtoffer, goed en kwaad, schuld en onschuld. Intellectuele distantie kon goed samengaan met emotionele betrokkenheid.

Ik dacht dat deze winst nu voorgoed geboekt was. Naïef, blijkt nu. Want de woede over plaatsing van het stuk van Ghomeshi maakt duidelijk dat de beoogde discussie al bij voorbaat verdacht was, gezien werd als poging tot rehabilitatie, van goedpraten van wangedrag en van miskenning van het leed dat vrouwen hiermee was toegebracht. De taal was al snel die van mannen tegenover vrouwen, van daders en slachtoffers. Het ging om wie recht van spreken had, wiens verhaal ertoe deed, en de plaatsing van Ghomeshi’s verhaal werd schandelijk bevonden, een aantasting van vrouwen. Opnieuw.

***

Het bracht me weer terug in de jaren zeventig, de tijd van de tweede feministische golf, en nog verder terug, de tijd van Freud, rond de vorige eeuwwisseling, toen de eerste feministische golf opkwam. Steeds valt hetzelfde te zien: hoe patronen van machtsmisbruik bloot komen te liggen als de machtsverhoudingen veranderen. En hoe bevrijdend het is als verhalen verteld worden over wat zich afspeelde en de schade die is berokkend. Maar al snel, en ook dit is een patroon, vernauwt de discussie zich tot een vast stramien van schuld en slachtofferschap, en kunnen vragen buiten die orde niet meer gesteld worden, of ze worden al snel verdacht gemaakt. Er ontstaan nieuwe zonden als seksisme, en de verdenking hiervan is al reden genoeg om iemand in diskrediet te brengen. Wat begon als het kritisch bevragen van mannelijke regels en machtssystemen ontwikkelde zich tot een klimaat waarin de richting van de verontwaardiging vastligt.

In 1895 publiceerde Freud zijn eerste stukken over hysterie; seksualiteit en de verdringing van vroegere traumatische ervaringen op dit gebied speelden hierin een grote rol. Dat laatste kon, ontdekte hij, leiden tot onverklaarbare symptomen als verlammingen, doofheid en sprakeloosheid waarmee vrouwelijke patiënten bij hem kwamen, en die vanwege de onvindbaarheid van fysieke oorzaken hysterisch werden genoemd. Hij verhief deze ontdekking tot kern van zijn theorie waarin het belang van seksualiteit en verdringing een belangrijk bestanddeel vormen.

Freud geldt als een van de grondleggers van de kennis van vrouwelijke seksualiteit, maar een verdere ontginning van dit geheimzinnige gebied liet hij graag over aan vrouwelijke psychoanalytici als Jeanne Lampl-de Groot, Marie Bonaparte, Melanie Klein. Voor Freud bleef het een duister continent, maar zijn verdienste is dat hij ook vrouwen seksualiteit toekende als bron van genot en verlangen, en dat hij luisterde naar hun verhaal. Daarin was, aanvankelijk tot zijn ontzetting, geregeld sprake van seksueel misbruik door vaders en andere volwassen mannen.

De eer van de ontdekking hiervan, in elk geval van de bekendmaking van deze ontdekking, en van de schaal waarop seksueel misbruik voorkwam, komt Freud toe, maar de erkenning die hij hiervoor binnen de vrouwenbeweging kreeg was kortstondig. Er was sprake van een abrupte omslag van Freud als bevrijder naar aartsvader van het kwaad, want hij herzag zijn theorie: misbruik door mannen kwam voor, maar was voor een deel ook fantasie van de vrouwen in kwestie, voortkomend uit hun verlangen. Het was een radicale omslag, waarbij de blik gericht werd op de vrouwen, hun verlangens en hun fantasie, en niet meer op de mannen en hun wangedrag. Het was een gevoelige verschuiving van perspectief, die de mannen (als altijd) ontlastte van hun machtsmisbruik en hun grensoverschrijdend gedrag. Een verschuiving die ‘de schuld’ al gauw weer bij vrouwen legde: was het niet hun eigen fantasie? En een stap verder: gaven zij geen aanleiding, riepen ze het niet over zichzelf af? – het korte-rokjes-argument, zoals dat in deze tijd wordt genoemd.

De waardering voor Freud tijdens de eerste feministische golf was kortstondig

De winst van de ontdekking van de vrouwelijke seksualiteit verdampte al snel in een beperkende morele arena waarin vastgehouden moest worden aan het patroon van daders en slachtoffers en alles wat dit gecompliceerder maakte gehoond en gehekeld werd. Freud werd in de ban gedaan, en zijn belangrijke verdienste van aandacht voor vrouwelijke seksualiteit en voor vroege traumatische ervaringen van incest en seksueel misbruik door volwassen mannen werd onder tafel geveegd. Hij werd weggezet als weer iemand die het verhaal van vrouwen hierover niet altijd geloofde en terugbracht tot hun eigen fantasie. Of hij terugschrok voor zijn eigen ontdekking of voor de sociale afkeuring hiervoor is nooit helemaal duidelijk geworden. Dit speelde begin twintigste eeuw, de tijd van de eerste feministische golf, de suffragettes en de strijd voor vrouwenkiesrecht.

***

De tweede feministische golf was breder en besloeg meer terreinen dan de eerste: het ging nu om de strijd voor gelijkberechtiging en economische onafhankelijkheid, voor een gelijkere verdeling van werk en zorg. Het ging ook over de vrouwelijke lust, over de bevrijding van de vrouwelijke seksualiteit, die mede mogelijk werd door de voorbehoedsmiddelen.

Maar al gauw veranderde de toonzetting. Was die bevrijde seksualiteit niet wederom vrouwenonderdrukking, ook als ze niet het gevolg was van fysieke overweldiging of van gewoonterecht (binnen het huwelijk)? Het was bijvoorbeeld de klacht achteraf van vrouwen na de Maagdenhuisbezetting. Niet alleen hadden ze de broodjes gesmeerd en ander zorgend achtergrondwerk verricht, er heerste ook een sfeer van vrije seks die ze achteraf als dwang ervoeren. Of misschien toen ook al, maar durfden ze dat niet te zeggen, want dan werd je burgerlijk gevonden. Een dwang tot beschikbaarheid, in naam van de vrijheid; al werd dat pas later zo beseft en benoemd, want de noemer was toen nog lust en bevrijding. En gelijkheid: ook vrouwen hielden ervan, net als mannen.

En toen kwam die andere ontdekking die het vertoog over lust deed kantelen: de grote schaal waarop incest bleek voor te komen, in alle sociale milieus, ook bij die nette mannen die je er nooit van zou verdenken. Ook hier werden de verhalen, net als in de tijd van Freud, vaak niet geloofd en waren er de angst en schaamte om ermee naar buiten te komen. Ook hier de schok en ontzetting, en de opluchting van de erkenning. Maar ook hier de lastige bijvangst, net als bij #MeToo, van de onterechte beschuldigingen, alles wat mee spoelde in de golf van de publieke verontwaardiging, mannenhaat, opgekropte woede, vernedering, wraakbehoefte. Het was een nieuw wapen dat ook ingezet kon worden bij echtscheidingen: als de man beschuldigd werd van incest had hij geen been meer om op te staan, weerloos tegen deze beschuldiging.

Het was soms moeilijk te ontwarren wat waar gebeurd was en wat niet, of er sprake was van hervonden of van geconstrueerde herinneringen. Mensen voegen hun gevoelens van onbehagen en soms vage beelden naar het verhaal of het vocabulaire van de tijd. Het is ingewikkelder dan waarheid of leugen, feit of fictie. Het waren in elk geval soms omstreden herinneringen; een moerassig gebied waarin psychologen en juristen zich van een verschillende taal bedienen, andere methoden hanteren, en op zoek zijn naar andere ‘waarheden’: de ‘belevingswaarheid’ versus de feitelijke toedracht. Het was dezelfde kluwen als waarin Freud belandde toen hij luisterde naar de verhalen van vrouwen en de manieren waarop ze zich misbruikt voelden. Het ging hem om de beleving, te lang veronachtzaamd, maar de verhouding met de feitelijke toedracht bleef soms duister.

***
Maurice Denis, illustratie bij gedicht uit de bundel Sagesse van Paul Verlaine, Essaie de bois gravé pour Sagesse, L’Épreuve (serietitel), 1895. Houtsnede, 4,5 cm x 5,6 cm © Rijksmuseum, Amsterdam

Inmiddels zijn we beland in een derde golf, volgens sommigen de vierde, waarvan de golven nog hoger zijn. We zitten er middenin, ze is nog lang niet uitgewoed. Er is een nieuwe generatie jonge vrouwen opgestaan, hoogopgeleid, die mannen voorbij streven en zich minder laten welgevallen, dit tot verwarring en ongenoegen van mannen, die in hun schulp kruipen, of agressief terugslaan, om maar twee uitersten te noemen. De eisen gaan verder dan het recht op werk en de papa-dag voor de jonge vader, de klachten gaan ook over zo willen wij niet leven, zo laten we niet met ons omgaan.

Seksueel grensoverschrijdend gedrag (in de taal van vandaag), lang gezien als iets wat er nu eenmaal bij hoorde, wordt niet meer getolereerd: de ene na de andere sociaal gewichtige man die dacht zich alles te kunnen permitteren wordt ontmaskerd. De gemeenschappelijke noemer is macht: mannen met macht, die gunsten kunnen verlenen of intrekken, die de weg vormen naar macht, posities, naar rollen in films, toneel, muziek, dans. ‘Geen seks, geen solo’: de deal was duidelijk, al dan niet uitgesproken.

Veel van de nu loskomende verhalen openbaren deze vorm van machtsmisbruik, maar ze laten iets anders onbelicht: klassenverschillen. De meeste slachtoffers van seksueel geweld, schrijven Alissa Quart en Barbara Ehrenreich in The New York Review of Books, vallen onder de onzichtbare mensen die schoonmaken in hotels, kantoren, restaurants, die op het land werken, achter de coulissen van de samenleving. De meeste #MeToo-activisten besteden weinig aandacht aan een wereld die zij zelf niet kennen. Een wereld waarin de machtsongelijkheid zo groot is dat er nauwelijks iets geruild wordt: verzet wordt gestraft met ontslag of, in geval van migranten, dreiging van uitzetting. Ook hun verhalen moeten verteld worden.

Een oceaan van verhalen, zoals Rebecca Solnit dit noemt in haar boek The Mother of All Questions, die de stilte doorbreken: ‘The history of women’s rights is a history of breaking silence.’ Het weten en niet durven praten geeft een griezelige stilte, vernedert nog eens extra, maakt klein, maakt weg. Het durven vertellen, je verhaal doen is een bron van macht, maar die werkt alleen als het gehoord wordt, als de kracht zo groot is, en zo massaal, dat mensen gedwongen worden om ernaar te luisteren, er niet meer onderuit kunnen. Het tast de positie van de machtige mannen aan, ze vallen van hun voetstuk. Het wordt een stroom die niet meer tegen te houden is, een vitale beweging, zonder de nuance van het onderscheid of de belangstelling voor de precieze gang van zaken. Je ziet de lust van wraak en vergelding; van de kanteling in de machtsverhouding die weer leidt tot ontsluiting van nieuwe domeinen waar hetzelfde speelt: na het gezin (incest), de kerk, de media en de sport nu ook de muziekwereld en de wetenschap.

Er ontstaat een nieuwe moraal: niet die van het gewoonterecht, niet zoals opgetekend in het strafrecht of civiele recht, maar een moraal van slachtofferschap. De erkenning van het leed toegebracht aan vrouwen wordt de grond, de basis. Wie een vraag stelt over wat er precies is gebeurd roept de verdenking op zich het leed van vrouwen te bagatelliseren. Nuanceringen worden als snel als patriarchaal bestempeld. De stroom kreeg in korte tijd een vaste bedding en mag niet meer buiten die oevers treden, de oevers van de woorden van macht, vergrijp, schuld en slachtofferschap. En daarmee wordt de discussie verbannen, en resoneren oude geluiden: mannen vergrijpen zich aan vrouwen als ze kunnen. Het lustvolle van seks voor vrouwen is als bevrijdend inzicht verdampt, en vragen over dat schimmige gebied van lust en het seksuele spel zijn al gauw verdacht want kunnen een kiem van verontschuldiging voor het wangedrag van mannen bevatten.

De emancipatie van de vrouwelijke lust hoort bij de oogst van de tweede golf

Wat het lastig maakt is hoe de uitrekking van het begrip misbruik het inzicht versluiert: bij flirten is echt iets anders in het spel dan bij brute verkrachting; verontwaardiging over het eerste ondermijnt het zicht op het kwaad van het laatste. Het zijn twee verhalen: het ene gaat over gewelddadige verkrachting en heeft met het erotische spel weinig van doen – de traumatische werking van het vergrijp is groot. Het andere voltrekt zich in het schimmiger gebied van de soms erotiserende werking van macht, van verleiding over en weer, wat kan uitmonden in ongevraagde half gewilde aanrakingen, soms intimiderend en vernederend – ook kwalijk, maar van een andere orde. Dit laatste verhaal nestelt zich in het eerste, wat het koor van verontwaardiging massaler maakt, maar de discussie minder onhelder. En het laat de lust wegzinken in het alles doordringende besef van macht en misbruik.

***

Een oud idee over seksualiteit is dat het iets is voor mannen: voor hen een genot, voor haar een plicht. Vaak een zure plicht want vrouwen houden er niet van, en hebben daarbij ook nog de angst voor zwangerschap, maar het hoorde nu eenmaal bij de huwelijkse plichten. Het was belangrijk om ‘jezelf’ tot die tijd te bewaren, want anders gaf je de buit al weg. Dit laatste gold als een van de bezwaren tegen de grotere seksuele vrijheid na de pil: vrouwen zouden daarmee hun waarde weggeven, en ‘nobody knows what the new bargain will be’, zoals ik ooit een oudere feministische sociologe hoorde zeggen. De ruil was seks voor veiligheid en maatschappelijke positie, voor inkomsten en een plaats als vrouw en moeder.

Een andersoortige ruil die al eeuwenlang dienst doet is seks voor geld: prostitutie. En, een variant, seks voor toegang tot rijkdom, macht en positie, tot die felbegeerde rol in toneel en dans, de plaats in een orkest, de positie op het werk. De eerste vorm van ruil, binnen het huwelijk, is nog steeds maatschappelijk gerespecteerd. De tweede, prostitutie, wordt, al dan niet gereguleerd, gedoogd. De derde, seks in ruil voor promotie (‘geen seks, geen solo’) wordt nu als onwettig ruilmiddel beschouwd, en is herdoopt tot seksueel misbruik, de taal is die van macht en slachtofferschap.

Seks vraagt om iets anders, is nu de moraal: om gelijkheid, ontdaan van macht en onderschikking, om veiligheid en vertrouwen. Misschien behoeft het de veiligheid en duidelijkheid van een contract, zoals wordt geopperd en op Amerikaanse universiteiten ingang heeft gevonden: de voorwaarden zijn afgesproken, geen misverstand, misbruik of schimmigheden meer mogelijk. Maar, is de vraag, werkt het zo? Wat te doen met het complexe spel van verleiding, met de opwinding van de onderwerping? Met de verwarrende eis aan mannen van gelijkheid in huis, maar ook het verlangen naar een beest in bed? Het opwindende van het onbekende, van het geheim, van seks om de seks? Welke seks is nog geoorloofd? Wat zijn de grenzen? Wat is goede seks, wie bepaalt dat, en verliest die misschien juist aan erotische spanning bij vertrouwdheid, gewenning en gelijkheid?

***

De emancipatie van de vrouwelijke lust hoort voor mij bij de oogst van de tweede golf. Het kan het overzichtelijke beeld van mannenmacht en vrouwelijk slachtofferschap flink compliceren, maar je gooit veel weg als je uit angst voor die complexiteit vasthoudt aan simpele beelden van mannen als ongeremde roofdieren en vrouwen als machteloze prooien. Dat het machtsmisbruik ontmanteld wordt en de angst om te spreken verdwijnt is van niet te onderschatten belang – de beklemmende verhullende stilte wordt eindelijk doorbroken. Een nieuwe ronde in de vrouwenbeweging. Maar ook hier bestaat het gevaar, net als destijds rond de ontdekking van de grote schaal waarop incest voorkomt, dat er van alles mee spoelt op de golf van de publieke verontwaardiging, de opgekropte woede en de wraaklust.

En ook hier de weerloosheid van de beschuldigde: voordat juridisch onderzoek is afgerond of zelfs maar begonnen is het oordeel geveld. Ook al is het recht niet goed toegerust op deze goeddeels verborgen en soms al weer verjaarde zaken waarbij geen getuigen zijn, toch blijft het van basaal belang om de beginselen van de rechtsstaat niet overboord te gooien. Al is de woede en het gevoel van onrecht nog zo groot. Juist dan niet.

De vlek van verdachtmakingen breidt zich snel uit. Het aan het woord laten van een beschuldigde is al verdacht, maakt medeplichtig: zie Ian Buruma. Zelf is hij niet van enig wangedrag beticht, maar hij biedt de misbruiker een podium. Dat is zijn vergrijp, want dat betekent weer een man die de zonden van de andere man toedekt, zodat deze zich weer vrij kan pleiten.

De winst van #MeToo is duidelijk: een verschuiving van macht en moraal. Seksueel grensoverschrijdend gedrag is niet langer onvermijdelijk want nu eenmaal horend bij mannen, maar is ontoelaatbaar geworden. Het is een revolutie, al woedt die wereldwijd gezien in beperkte kring, en bij een revolutie gaat het niet altijd zachtzinnig toe. Maar als de kruitdampen zijn opgetrokken, waar mogen we dan op hopen?

In elk geval dat de ontoelaatbaarheid ervan niet alleen met de mond wordt beleden, maar ook doorwerkt in het gedrag: dat noemen we beschaving. Dat mannen, overal, leren dat ze hun handen thuis moeten houden, en zichzelf en elkaar in het gareel moeten houden. Dat het niet stoer is om vrouwen te overweldigen, een bewijs van mannelijkheid, maar laf en onfatsoenlijk. Dat vrouwen beter voor zichzelf en elkaar opkomen, zich niet in schaamte en eenzaamheid hullen als een man, of vrouw, zich aan hen vergrijpt. Dat ze van zich afbijten als dit ongewenst is. Dat ze elkaar meer steunen, en zich beter organiseren. Dat geeft, na en naast de vloed aan beschuldigende verhalen, een blijvender basis aan de machtsverschuiving die nu gaande is. Vrouwen hebben hun achterstand op het gebied van onderwijs ingehaald en hun positie op de arbeidsmarkt versterkt, ze laten hun stem meer horen, en kunnen ook sterkere eisen stellen aan de intieme omgang met mannen.

Maar hoe te voorkomen dat deze machtswinst van vrouwen tot een verbeten masculiene backlash leidt (zoals bij ‘incels’, een online community van gefrustreerde vrouwenhatende mannen). Of tot het mijden van vrouwen, want gevaarlijk (zoals mannelijke bankiers op Wall Street wordt aangeraden om etentjes en één-op-één-vergaderingen met vrouwen te vermijden). Leidt dit tot een scheiding van sferen die we achter ons hadden gelaten? Valt aan zo’n backlash te ontkomen, en hoe valt de emancipatiewinst te behouden die het openbaar maken van het seksueel machtsmisbruik met zich meebrengt? Solidariteit is dan onmisbaar, over de klassengrenzen heen. En over de seksegrenzen heen, maar dat vereist een minder categorisch denken in termen van mannen als soort, als bedenkelijk soort. Want dan jaag je de soort tegen je in het harnas, ook al die mannen die zich solidair voelen met vrouwen en zich daar ook naar gedragen.

***

Ik bekijk opnieuw de woedende reacties op de publicatie van het verhaal van Ghomeshi in The New York Review of Books. Het is veelzeggend: de mensen die Buruma adhesie betuigen, gerenommeerde schrijvers, medewerkers van het blad, staan in een zwart omlijnd kader dat iets weg heeft van een rouwadvertentie. Daaromheen, pagina’s lang, brieven van verontwaardigde lezers, over pijn, woede, vernedering. Deze opmaak maakt ook duidelijk dat het nu gaat om de stem van de lezers. Ook dit wijst op een verschuiving van macht, met op de achtergrond de adem van de adverteerders die dreigen hun advertenties in te trekken: de macht van het kapitaal.

Ik hoop dat de arena waarbinnen het debat over seks, macht en moraal wordt gevoerd niet het mijnenveld blijft dat het nu dreigt te worden: dat er vragen kunnen worden gesteld, ook over mannen, over sekseverschillen, over waar de grenzen liggen naar ontoelaatbaar. Dat aandacht voor de effecten van mannelijk positieverlies niet meteen wordt weggezet als verontschuldiging voor wangedrag. Dat de universiteit, de journalistiek en de roman, met de zorgvuldigheid van onderzoek en de ruimte van de verbeeldingskracht, de enclaves blijven waarin het debat straffeloos gevoerd kan worden, betrokken en nieuwsgierig, waarin lastige vragen kunnen worden gesteld, onwelgevallige inzichten gedeeld. Zoals de vragen over de geëigende straf voor seksueel misbruik: de schandpaal, wereldwijd, via de sociale media, of via het recht; en hoe dit laatste geschikter te maken voor de bestraffing van dit soort vergrijpen.

Daarnaast dienen zich ook vragen aan over de verknoping van macht, seks en agressie. Macht erotiseert, en effent de weg naar machtsmisbruik, maar wanneer noemen we het misbruik, en wie bepaalt dat? En hoe te voorkomen dat wat als liefde voelde later als misbruik wordt ervaren? (het verhaal van Monica Lewinsky). De reflex in deze tijd is om seks per contract te regelen: vooraf schriftelijk toestemming. Maar dit geeft slechts een illusie van beheersbaarheid. Op dit gebied gelden andere wetten: psychologische wetten van verlangen, verleiding en begrenzing, die ook weer nauw samenhangen met de machtsverhouding tussen de seksen.

Een laatste, deprimerende, vraag: wordt de beschuldiging van misbruik niet ook soms gebruikt als wapen van mannen om, via de aanklachten van vrouwen, elkaar onderuit te halen? Deprimerend, omdat het dan weer niet om vrouwen zou gaan en om de versterking van hun positie. En de winst van dat laatste moeten we zien te behouden.