De ommekeer in Irak

Laten we vijanden maken

Naomi Klein is in Irak. In twee artikelen, geschreven vlak voor en tijdens de eerste dagen van het offensief tegen de coalitietroepen, schetst ze de ommekeer. Niet de oorlog is de voedingsbodem, maar de pacificatie daarna. «We zijn niet teleurgesteld omdat we de Amerikanen haten, maar juist omdat we van ze houden.»

BAGDAD — «Hebt u nog kamers?» vragen we aan de hotelier.

Ze bekijkt ons van top tot teen. Haar blik blijft hangen op het kale, witte hoofd van mijn reisgenoot.

«Nee», antwoordt ze.

We proberen niet te zien dat achter haar balie zestig kamersleutels in hun vakjes liggen — de zaak is leeg.

«Hebt u dan binnenkort een kamer? Volgende week misschien?»

Ze aarzelt. «Ehh… Nee.»

We gaan terug naar het hotel waar we nu zitten — waar we willen vertrekken omdat er al wordt gewed wanneer het getroffen gaat worden — en zetten de tv aan: de BBC toont Richard Clarkes getuigenis voor de 11 september-commissie, en een paar commentatoren debatteren over de vraag of Amerika door het binnenvallen van Irak veiliger is geworden.

Ze zouden eens moeten proberen een hotel te vinden in deze stad, waar de Amerikaanse bezetting een golf van anti-Amerikaanse woede heeft losgemaakt die zo intens is dat hij zich uitstrekt tot niet alleen Amerikaanse troepen, bezettings-officials en hun aannemers maar ook tot buitenlandse journalisten, hulpverleners, hun vertalers en ongeveer iedereen die iets te maken heeft met de Amerikanen. Daarom konden we de hoteleigenaar haar beslissing niet kwalijk nemen: als je wilt overleven in Irak kun je maar beter verre blijven van mensen die eruitzien zoals wij. (We overwogen nog even om uit te leggen dat we Canadezen zijn, maar alle Amerikaanse journalisten dragen het esdoornblad — dat wil zeggen, als ze niet proberen te verdwijnen achter hun pas aangeschafte hoofddoeken.)

De baas van de Amerikaanse bezetting Paul Bremer is nog niet begonnen een hijab te dragen, en pakt in plaats daarvan het groeiende anti-Amerikanisme aan met zijn normale vooruitziende blik. Bagdad is vergeven van psy-ops-instellingen als Baghdad Now, gevuld met slijmerige artikelen over hoe Amerikanen de Irakezen alles leren over persvrijheid. «Ik dacht nooit dat de Coalitie iets geweldigs kon doen voor het Iraakse volk», zo wordt een beginneling geciteerd. «Nu kan ik het op mijn eigen ogen zien wat ze goede dingen doen voor mijn land en wat ze hebben bereikt. Ik wil dat mijn volk dat kan zien, zoals ik het zie.»

Helaas zag de Iraakse bevolking onlangs een andere versie van persvrijheid toen Bremer Amerikaanse troepen opdroeg een krant te sluiten die werd geleid door aanhangers van Maqtada al-Sadr. De militante sjiïtische geestelijk leider heeft gepreekt dat Amerikanen achter de aanslagen op Iraakse burgers zitten en keurde de interim-grondwet af als een «terroristische wet». Tot nu toe heeft al-Sadr zijn aanhangers nog niet opgeroepen zich aan te sluiten bij het gewapend verzet, maar veel mensen hier voorspellen dat het sluiten van de krant, een geweldloos middel van verzet tegen de bezetting, het laatste duwtje was dat hij nodig had. Maar rekruteren voor het verzet is altijd een specialiteit geweest van de presidentiële afgezant in Irak: Bremers eerste daad nadat hij door Bush was aangewezen was het ontslaan van 400.000 Iraakse soldaten, weigeren ze hun rechtmatige loon te geven maar toestaan dat ze hun wapens behielden, voor als ze die later nodig zouden hebben.

Terwijl Amerikaanse soldaten de deur van het kantoor van de krant verzegelden, belandde ik in wat ik dacht dat een oase van pro-Amerikanisme zou zijn, de Baghdad Soft Drinks Company. Op 1 mei zal deze fabriek beginnen met de productie van een van de krachtigste iconen van de Amerikaanse cultuur: Pepsi-Cola. Ik dacht dat als er iemand over was in Bagdad die de Amerikanen zou willen verdedigen dat Hamid Jassim Khamis zou zijn, de managing director van de Company. Dat had ik verkeerd gedacht.

«Alle problemen in Irak zijn de schuld van Bremer», zei Khamis tegen me, geflankeerd door een strakke rij van dertig Pepsi- en 7-Up-flessen. «Hij heeft niet naar de Irakezen geluisterd. Hij weet geen moer over Irak. Hij heeft het land verwoest en geprobeerd het weer op te bouwen, en nu zitten we midden in de chaos.»

Dat zijn woorden die je zou verwachten van religieuze extremisten of van Saddam-loyalisten, maar nauwelijks van mensen als Khamis. Het is niet alleen dat zijn Pepsi-deal de opvallendste investering door een Amerikaanse multinational is in de nieuwe «vrije markt» van Irak. Het is ook dat weinig Irakezen de oorlog fanatieker steunden dan Khamis. En geen wonder: Saddam executeerde allebei zijn broers en Khamis werd gedwongen ontslag te nemen als directeur van de fabriek in 1999 nadat Saddams zoon Uday hem met de dood had bedreigd. Toen de Amerikanen Saddam afzetten, «kun je je niet voorstellen hoe opgelucht we waren», zei hij.

Nadat de Baath-fabrieksmanager was weggestuurd, keerde Khamis terug naar zijn oude baan. «Zaken doen met de Amerikanen heeft een risico», zegt hij. Enkele maanden geleden werden twee ontstekingsmechanismes ontdekt voor de poorten van de fabriek. En Khamis is nog steeds geschokt door een poging hem te vermoorden, drie weken terug. Hij was op weg naar zijn werk toen hij werd beschoten, en er was geen twijfel dat het een gerichte aanslag was: een van de belagers vroeg aan een andere: «Heb je de manager vermoord?»

Vroeger verdedigde Khamis graag zijn pro-Amerikaanse standpunt, zelfs als dat betekende dat hij ruzie kreeg met vrienden. Maar een jaar na de invasie zijn veel buren op het bedrijventerrein failliet gegaan. «Ik weet niet meer wat ik tegen mijn vrienden moet zeggen», zegt hij. «Het is pure chaos.» Zijn lijst van bezwaren tegen de bezetting is lang: corruptie bij het toekennen van contracten voor wederopbouw, het plunderen niet kunnen stoppen, de grenzen van Irak niet kunnen beveiligen, noch tegen buitenlandse terroristen, noch tegen ongereguleerde buitenlandse invoer. Iraakse bedrijven, die nog steeds lijden onder de sancties en het plunderen, waren tot nu toe niet bij machte te concurreren.

Bovenal maakt Khamis zich zorgen over hoe dat beleid de werkloosheidscrisis van het land heeft gevoed, en veel te veel wanhopige mensen heeft gecreëerd. Daarbij merkt hij op dat Iraakse politie beambten minder dan de helft krijgen van wat hij zijn arbeiders aan de lopende band betaalt, «en dat is niet genoeg om te overleven». De normaal zo bedeesde Khamis wordt ziedend als hij praat over de man die Irak moet weder opbouwen. «Bremer heeft meer schade toegebracht dan de oorlog, omdat bommen een gebouw kunnen beschadigen, maar als je mensen beschadigt, is er geen hoop.»

Ik ben naar de moskeeën gegaan en naar demonstraties en heb geluisterd naar aanhangers van Muqtada al-Sadr die schreeuwden: «Dood aan Amerika, dood aan de joden», en het klopt: het is huiveringwekkend. Maar het is het diepe, intense gevoel van teleurstelling en verraad zoals uitgedrukt door een pro-Amerikaanse zakenman aan het hoofd van een Pepsi-fabriek dat duidelijk maakt hoe diep de door de VS gecreëerde catastrofe hier zit. «Ik ben teleurgesteld, niet omdat ik een hekel heb aan de Amerikanen», zegt Khamis, «maar omdat ik ze mag. Als je van iemand houdt en hij kwetst je, dan doet het des te meer pijn.»

Als we in de middag de bottelfabriek verlaten, zijn de straten van het door Amerika bezette Bagdad gevuld met al-Sadr-aanhangers die bloedige wraak zweren voor de aanval op hun krant. Een woordvoerder voor Bremer verdedigt zijn beslissing op grond van het feit dat de krant «maakte dat mensen dachten dat wij het op ze gemunt hadden».

Een groeiend aantal Irakezen heeft zeker die indruk, maar dat heeft veel minder te maken met een ontvlambare krant dan met de ontvlambare acties van de Amerikaanse bezettingsautoriteit. Nu de «overdracht» van 30 juni dichterbij komt, heeft Paul Bremer een reeks nieuwe trucs onthuld om de macht in handen te houden lang nadat de «soevereiniteit» is verklaard.

Een paar recente hoogtepunten. Eind maart, voortbouwend op zijn Order 39 van september, liet Bremer weer een wet passeren die de Iraakse economie nog verder openstelde voor buitenlands eigendom, een wet die de volgende regering van Irak niet mag wijzigen onder de voorwaarden van de tussentijdse grondwet. Ook kondigde Bremer de aanstelling aan van verscheidene onafhankelijke regelgevers, die de macht van Iraakse overheidsministeries zullen verminderen.

De CPA heeft ook bevestigd dat na 30 juni de 18,4 miljard dollar die de Amerikaanse regering uitgeeft aan de wederopbouw zal worden beheerd door de Amerikaanse ambassade in Irak. Het geld zal worden uitgegeven in vijf jaar en zal ingrijpend de meest fundamentele infrastructuur van Irak herzien, inclusief de elektriciteit, het water, de olie- en communicatiesector, alsmede de rechtbanken en de politie. De toekomstige regeringen van Irak zullen geen zeggenschap hebben in de constructie van deze kernsectoren van de Iraakse samenleving. De gepensioneerde Rear Adm. David Nash, die het Project Management Office leidt dat de fondsen beheert, noemt de 18,4 miljard «een geschenk van het Amerikaanse volk aan de bevolking van Irak».

Hij lijkt te zijn vergeten dat een geschenk iets is wat je daadwerkelijk (op)geeft. En in dezelfde hectische week begonnen Amerikaanse ingenieurs de bouw van veertien «duurzame bases» in Irak, die de 110.000 soldaten kunnen huisvesten die hier worden gepost voor ten minste nog twee jaar. Ook al worden de bases gebouwd zonder mandaat van een Iraakse regering, Mark Kimmitt, adjunct-hoofd operations in Irak, noemde ze «een blauwdruk voor hoe we zouden kunnen opereren in het Midden-Oosten».

De Amerikaanse bezettingsautoriteit heeft ook een sluwe manier gevonden om de controle te behouden over de gewapende troepen van Irak. Bremer heeft een bevel doen uitgaan dat zelfs nadat de Iraakse interim-regering is ingesteld het Iraakse leger zal gehoorzamen aan de Amerikaanse commandant Lt. Gen. Ricardo Sanchez. Om dat voor elkaar te krijgen vertrouwt Washington op een legalistische interpretatie van een clausule in Resolutie 1511 van de Veiligheidsraad, die VS-troepen de veiligheid van Irak toebedeelt tot «de voltooiing van het politieke proces» in Irak. Aangezien het «politieke proces» in Irak eindeloos is, is, zo lijkt het, de militaire controle van Amerika dat ook.

In dezelfde hausse van activiteit kondigde de CPA aan dat ze verdere beperkingen zou opleggen aan het Iraakse leger door een nationale veiligheidsadviseur voor Irak te benoemen. Deze VS-aangestelde zou bevoegdheden hebben vergelijkbaar met die van Condoleezza Rice en zal vijf jaar op zijn post blijven, lang nadat Irak volgens schema de overgang heeft gemaakt naar een democratisch gekozen regering. Er is echter een deel van dit land dat de Amerikaanse regering met alle plezier laat aan de bevolking van Irak: de ziekenhuizen. Op 27 maart kondigde Bremer aan dat hij de senior Amerikaanse adviseurs had teruggetrokken uit het Iraakse ministerie van Gezondheid, zodat het de eerste sector werd die «volledige autoriteit» verkreeg in de Amerikaanse bezetting.

Bij elkaar schetsen deze recente maatregelen een veelzeggend beeld van hoe een «vrij Irak» eruit zal zien: de VS zullen hun militaire en corporatieve aanwezigheid behouden middels veertien duurzame bases en de grootste Amerikaanse ambassade ter wereld. Ze zullen autoriteit behouden over de gewapende troepen van Irak, het veiligheids- en economische beleid en het ontwerp voor de kern van de infrastructuur — maar de Irakezen kunnen hun krakkemikkige ziekenhuizen helemaal zelf regelen, inclusief de chronische medicijnentekorten en het gebrek aan de meest fundamentele hygiëne. (Secretaris Tommy Thompson van de US Health and Human Services maakte duidelijk hoe weinig prioriteit dit heeft toen hij opmerkte dat de Iraakse ziekenhuizen hersteld zouden zijn als de Irakezen maar «gewoon hun handen wasten en de troep van de muren boenden».)

Op avonden dat er geen ontploffingen dichtbij zijn, blijven we in het hotel, en springen op bij het geluid van slaande autoportieren.

Soms zetten we het nieuws aan en luisteren stiekem mee met een ver debat over de vraag of de invasie de Amerikanen veiliger heeft gemaakt. Weinigen lijken geïnteresseerd in de vraag of de invasie de Irakezen zich veiliger heeft doen voelen. Dat is jammer, aangezien die twee vragen nauw verbonden zijn. Zoals Khamis zegt: «Het is niet de oorlog die de haat heeft gecreëerd. Het is wat ze daarna hebben gedaan. Wat ze nu aan het doen zijn.»