OPHEFFER

Laten zitten

Nadat we ‘gezamenlijk’ (in een kelder in een afbraakpand in de Amsterdamse Haarlemmer Houttuinen) een werk van Bakoenin hadden gelezen – hardop, waarschijnlijk in een door een kameraad zelf gefabriceerde vertaling uit het Duits – spraken we na afloop over ‘de anarchistische levenswijze’. Het boek dat we lazen bestond uit losse stencils en ging over God en de staat. Ik wou dat ik die stencils nog had. Elk woord – hoe raar ook – viel bij mij in goede aarde. Met de discussies kon ik minder goed uit de voeten, want ik vond iedereen toen al te zachtmoedig. Tegenwoordig gebruikt men daarvoor het vreselijke Engelse woord ‘soft’.
Zachtmoedigheid hoorde niet bij een anarchistische manier van leven.
Achteraf gezien waren al die anarchisten ‘aardig’.
Ik was (en ben) dat niet. Ik wilde strijd. Ik wilde bommen maken om de staat omver te gooien, want ook na de Tweede Wereldoorlog tierde bij ons het fascisme nog welig. Had de RAF leden geworven, ik zou hebben getekend.
Ik leerde een ‘anarchistische manier van denken’ aan, die ik nog bezit, zonder dat ik kan formuleren wat die manier precies is. Ik wantrouw staat en overheid, ik wantrouw politici, ik wantrouw – tegenwoordig – ideologieën; ik hou wel van de chaos, ik hou van het individu.
We lazen ook Marx. Die kon mooier schrijven dan zijn anarchistische tijdgenoot, maar iets stond me bij Marx niet aan, ik weet niet precies wat.
Wat mij toen ik ouder werd begon tegen te staan in beide auteurs was iets waar je zelden over leest: ze hielden niet van slimme mensen. Intelligentie werd niet gewaardeerd. Noch bij de anarchisten noch bij de communisten.
Iemand die bijvoorbeeld heel mooi Jacques Brel kon zingen, moest Brecht zingen – dat heb ik echt meegemaakt – en toen het meisje zei dat ze Brel mooier vond dan Brecht, werd dat meisje tot op het bot vernederd. Ik kende dat meisje. Ze haalde tienen waar ik vijfjes en zesjes haalde – en daar begon de twijfel. Ze heette, ik weet dat opeens, Jantien Toorenaar (als dit je onder ogen komt, Jantien, ik bewonder je nog steeds) en ik dacht: Jantien is slimmer dan Rooie Willem, want die heeft volgens mij nooit tienen gehaald. Hoe kan het dan dat hij Jantien vernedert? En hoe kan het dat Rooie Willem niet hoort dat Jantien heel mooi Brel kan zingen? En waarom moet je alleen maar Brecht zingen, van die Duitse pompmuziek? Wat ik ook niet begreep is dat Rooie Willem met elk lekker meisje neukte en dat hij de vrije liefde bepleitte, maar zo stikjaloers was dat hij nog in het gevang heeft gezeten omdat hij een jongen die het met een van zijn vriendinnen deed met zo’n ouderwetse fietspomp op een plankje op z’n kop had geslagen, waardoor die jongen drie maanden in het ziekenhuis moest liggen. Ik meende dat Willem beter een lid van het Koninklijk Huis, een prelaat of een politieagent had kunnen neerslaan.
Ik verliet de bijeenkomsten. Ik bleef linksaf slaan en liep dus in kringetjes rond.
Maar die grondtoon van het anarchisme, dat ‘niks nemen’, dat ‘alles ter discussie stellen’, dat ‘tegen alles zijn’, zomaar, op niets af, vind ik nog steeds een nuttige houding. Cynisme wordt altijd gezien als iets wat niet productief is, als een verkeerde levensinstelling, want je bent niet betrokken. Ik vind die zienswijze onjuist. Cynici zijn niet zachtmoedig, dat is waar, maar het zijn vrolijke mensen die het heerlijk vinden om met lijken te dansen en te spotten met alles en iedereen.
Vlak bij Artis woont een stel anarchisten op een bezet stukje terrein. Ze zijn erg links, en ik vind natuurlijk dat ze een volstrekt idiote, gevaarlijke, fascistoïde manier van denken hebben, maar ze hebben wel mijn sympathie. Ik zou ze eventueel wel neerschieten, maar nooit wegjagen. Lekker laten zitten.