groen

Latijn

’s Ochtends vroeg zag ik een zwerm grote vogels aankomen vanuit het noorden. Ik was in het uiterste zuiden van de Belgische Ardennen, tegen Luxemburg aan. Ganzen, dacht ik meteen, tot ik die vogels hoorde roepen. Kraanvogels, dacht ik toen, ik weet niet precies waarom. Ik rende vanuit de tuin naar de weg. Ik hoorde ze alleen nog roepen. Ik zei tegen een andere vroege mannenzaagweekenddeelnemer dat ik heel veel kraanvogels had gezien, terwijl ik daar niet eens zeker van was. Gelukkig kwamen kort daarna twee Franssprekende Belgen werkzaamheden verrichten aan de oprit. Een van de twee zei eerst vijf minuten niks, keek me niet eens aan, en toen ineens groette hij me met een prachtig ‘Goedemorgen’. En of ik ook 'les grus’ had gezien? Ik wist meteen dat ik dus kraanvogels gezien had, omdat ik voor een column hier ooit de Latijnse naam van de vogelsoort had opgezocht. En vervolgens besefte ik maar weer eens hoe geweldig het is dat biologen ooit het Latijn hebben ingevoerd als wetenschappelijke aanduiding voor planten en dieren, zodat ik zelfs met deze Franssprekende Belg mij kon verstaan. Zo heb ik jaren geleden eens een geweldig gesprek gehad met twee Deense bomenomzagers, terwijl ik toen nog geen woord Deens sprak, laat staan verstond. We hadden het heel gezellig samen, het Latijn was onze lingua franca.
We waren met tien mannen. Er werd gezaagd, gekloofd, gepoot en gebosmaaid. Ook werd er veel gedronken en gegeten en natuurlijk ongelooflijk veel gepraat, gewoon over alledaagse ditjes en datjes zoals het Palestijnen-vraagstuk, de beste vorm van therapie, films en het begrip cateraar. En maar zagen en kloven en geulen graven met zo'n koddig klein happertje. Het heeft geregend, maar ook scheen af en toe de zon. Soms was het warm, dan weer heel koud. Drie dagen lang brandde buiten een vuur, waar iedereen zich verantwoordelijk voor voelde, vandaar dat het drie dagen lang branden kon. Binnen lag een bijzonder mooie raskat languit en zeer tevreden met zichzelf mooi te wezen. Hij werd veel geaaid.