Laurens

Een man in België laat zijn kind achter in de kroeg als onderpand voor zijn uitstaande drankrekening, en keert vervolgens niet terug. Kind heet ontroostbaar te zijn.

Ach, ontroostbaar. Groot woord.

En buiten dat: is ze niet beter af zonder zo’n vader?

Vrouw maakt van fietsonderdelen kunstwerken. Er staan foto’s bij van het resultaat. Ze heeft het gezicht van Walter White gemaakt, en de filmposter van Jaws.

Het zal wel knap en inventief zijn. Veel werk bovendien. Maar waarom maakt ze niet gewoon iets moois?

Als je goed om
je heen kijkt

zie je dat alles
gekleurd is

dichtte K. Schippers in ‘De ontdekking’.

Ik zie ze niet, de kleuren.

Ik zie een blonde jongen voor me met een oneindig vrolijk hoofd. Hij was heel lang, had grappig warrig haar, een lach waarmee hij je onmiddellijk voor zich innam.

Een vrouw drinkt uit een papieren beker koffie, ze staat te dicht bij de rand van het perron zie ik vanachter mijn krant. Ben ik mijn zusters hoeder? Het is warm vandaag, maar de vrouw is in het zwart.

Deze vakantie zei ik tegen iemand, in het Frans nota bene: u heeft een mooi gezicht. De persoon in kwestie reageerde verguld. Ik was tevreden over mijn actie, tot ik het aan mijn dochter vertelde en zij zei dat ik het verkeerde woord had gebruikt.

‘Zo zeg je dat niet’, zei ze. ‘Heeft hij je wel begrepen?’

Meteen wist ik het ook niet meer zeker. Hij keek heel verrast op, dat wel. Ik had hem net de rekening betaald, hij liep weer weg met zijn dienblad over het terras en keek nog een paar keer naar me om. Misschien ben ik in een verkeerde stemming, maar ik denk echt dat ik die blik van hem nooit meer zal vergeten. Beschrijf zo’n blik maar eens.

Verrassing gemengd met aandrift tot huilen.

Ik denk maar door, om niet alleen maar de hele tijd de lange blonde jongen met de lach voor me te zien

Ik stel me voor hoe hij ’s avonds huiswaarts keert. Een of ander achteraffig kot bij de haven, dat hij deelt met een brute vent.

‘Wat ik vandaag toch te horen kreeg’, zegt hij tegen die vent, terwijl hij netjes zijn fooi van de dag uittelt op het aanrecht dat vet is van het spek dat zijn huisgenoot de hele dag aan het uitbakken is. Deze gromt slechts wat. Iets als ‘salaud’, of een ander woord dat ik heb onthouden als een klootzakkerige term. In dezelfde grom dirigeert hij hem naar de slaapkamer. Ik zal je leren wat een mooi gezicht is, dat is ongeveer de begeleidende mededeling.

Ik denk maar door, om niet alleen maar de hele tijd de lange blonde jongen met de lach voor me te zien, in wiens armen ik zeker twee meisjes heb zien springen. Zo blij waren ze als ze hem zagen. Hij kon ze ook makkelijk tillen, die meisjes. Sommige jongens hebben dat, maar beschrijf het maar eens.

Ze zijn uitnodigend, zonder dat het ranzig is.

Ze kunnen flirten, en het blijft een feest.

Die vrouw aan de rand van het perron, ze heeft een zwarte kokerrok aan. Ik ben gek op zwarte kokerrokken, zeker als het warm is. Korte donkere krullen heeft ze. Intrigerend bij zoveel ingetogenheid is de tatoeage net boven haar rechterenkel. Het zijn letters, ze zijn in een soort loop geschreven.

Dat vind ik het moeilijke aan tattoo’s: moet je ze nu wel of niet willen ontcijferen? Laat je je brandmerken voor jezelf, of is het bedoeld voor de ander?

Ik kan me die blonde jongen zo goed voor de geest halen, dat is de hele tijd het probleem. Hij had zoveel energie om zich heen dat ik het niet voor elkaar krijg om dat voorgoed gestopt te zien. Ik wil er niet heen met mijn gedachten, maar ik denk dat ik hem zie zitten, vlak voor het moment, een hand op het bovenbeen van zijn vriendinnetje, muziek in zijn oren, lach op het gezicht.

De loop _. De letters trekken aan me, ik vouw m’n krant op en beweeg me richting rand van het perron. Het zijn Franse woorden die in haar enkel staan gegrift. Ik denk dat ik de woorden herken. L’enfer c’est les autres_.

Nog iets moeilijks aan tattoo’s: wat vandaag diepzinnigheid lijkt, is morgen een cliché. Maar als je zo redeneert kom je nergens. Heb je nooit eens iets van jezelf.

Bovendien blijk ik me vergist te hebben. Eenmaal in de trein heb ik het volle zicht op de enkel. Niks hel. De hemel lonkt. Les vrais paradis sont les paradis qui ont a …

Het laatste woordje is zo klein gekalligrafeerd dat ik de krant van m’n schoot laat schuiven, zodat ik met goed fatsoen dichterbij kan komen. Nu zie ik het, heel klein in het midden, in een sierlijk rondje, staat: perdu.

Hoe oud is deze vrouw, dat ze weet heeft van het ware paradijs?

Ach jé, Laurens. Zo ongelooflijk spijtig. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat hij de grondstewardess een big smile gaf toen hij zijn instapkaart liet zien. Waarna hij die slurf inging.