Opheffer

Lauw kopje thee

De vraag: wat is de zin van eruditie? blijft me bezighouden.

Ik was ervan overtuigd – twintig jaar geleden – dat Carmiggelt het zou ‘winnen’ van Godfried Bomans, dat Reve het zou winnen van Mulisch, dat A.F.Th. van der Heijden de Nobelprijs zou krijgen.

Misschien was het al fout om de waarde van de verschillende schrijvers te zien als een competitie.

Maar bijna elke zin van Carmiggelt vond ik fantastisch – ik ken er nog vele uit mijn hoofd. Bomans was een meelbiet met suspecte opvattingen. (Waaronder de mening dat zijn dochter niet met een neger mocht trouwen, want die neger had geen christelijke opvoeding genoten.) Carmiggelt daarentegen had in zijn haat tegen het communisme nog bij de redactie van De Waarheid, die zetelde in het Felix Meritis-gebouw, een ruitje ingeslagen waarachter zich de krant bevond waarin de inval in Hongarije werd vergoelijkt. Ons culturele oordeel werd gevoed door de politiek. Wie ‘verkeerd’ dacht, kon eenvoudigweg geen goede roman of goede artikelen schrijven.

Uit mijn contacten met de jeugd blijkt dat men tegenwoordig Bomans ‘leuker’ vindt dan Carmiggelt, dat Reve niet meer wordt gelezen en Harry Mulisch wel en dat A.F.Th. van der Heijden ‘iets van onze ouders’ is geworden. Hoe Carmiggelt en Bomans dachten, interesseert niemand iets. Dat Bomans een tamelijk ouderwetse, hypocriete katholiek was en Carmiggelt een sociaal-democraat, vervliegt op het moment dat je het hebt verteld.

Wat lazen mijn ouders aan Nederlandse literatuur? Van Deyssel, Kloos, Verweij, Van Eeden, Nescio, Couperus, Frans Coenen – die las ik pas toen ik ver in de twintig was en Nederlands studeerde. Met grote moeite ben ik achter hun politieke opvattingen gekomen, al was ik meteen gevoelig voor hun kameraadschap. Nescio werd mijn lievelingsschrijver. Het was geloof ik destijds nog een tentamenvraag om te achterhalen wat en hoe Louis Couperus, Verweij en Van Eeden dachten. Het maakte niet uit voor de waardering. Integendeel: hoe anarchistischer of rechtser de opvattingen, hoe leuker wij het vonden. (Mijn nieuwsgierigheid naar Céline werd gevoed door het feit dat én Hermans én Reve hem met genoegen lazen en hij een fascist was, wat ik eigenlijk niet vond kunnen.) Ik geloof dat van deze auteurs misschien alleen Couperus nog wordt gelezen, en misschien hier en daar nog wel wordt gewaardeerd. Een rol in het maatschappelijk leven speelt hij al helemaal niet. Multatuli was de grote held van mijn ouders – en ook nog steeds van mij. Wie leest hem nog? Ivo de Wijs heeft zojuist een ‘best of’ van Woutertje Pieterse gemaakt, een hertaling die vooral bestaat uit beknottingen, en hij heeft er een einde aan verzonnen – het boek loopt thans goed af. Er werd mij gevraagd wat ik daarvan vind – mag het wel, het werk van zo’n groot auteur verknippen en veranderen? Ach, als men mij de kans geeft, herschrijf ik tachtig procent van de Nederlandse literatuur, dus ik heb er geen bezwaren tegen. Maar dit allemaal toont aan dat de invloed van de letteren in Nederland gering is, dat de klassieken van nu niet de klassieken van straks zullen zijn.

Politiek en psychologie hebben meer met elkaar gemeen dan men denkt. Geen politiek zonder psychologie en geen psychologie zonder politiek. Daarom kun je best een politieke roman maken die in feite een vorm van psychologie laat zien – het gaat, altijd maar weer, om de wijze waarop een boek is geschreven. Maar wanneer schrijf je goed als je weet dat het oordeel over hoe iets is opgeschreven eveneens afhankelijk is van de tijdgeest. Wanneer Sophocles over Athene schrijft, wat doet dan zijn mening over Sparta ertoe? Stel dat hij Spartaan was geweest, had ik dan anders over Sophocles gedacht? Soms schaam ik me voor mijn standpunten, omdat ik weet dat ze meestal niet populair zijn. Maar ik kan niet anders. Ik ventileer ze in het besef dat het uiteindelijk toch niets uitmaakt. Mijn foute gedachten van nu zijn de goede opvattingen van straks en omgekeerd.

De Nederlandse cultuur is een lauw kopje thee waar je niets van leert en die nauwelijks te citeren is. We bewonderen helden zonder te weten wat die helden precies gedaan hebben of wat ze dachten.

‘Die voc-mentaliteit.’ Of: ‘Michiel de Ruyter!’ Wat zegt het?

Quot capita, tot sensus.