De transparantiestrijd in Brussel

Lawaai in lobbyland

‘Brussel’ is in de ogen van velen een onbereikbaar en onbegrijpelijk Europees bolwerk, waar lobbyisten vrij spel hebben. Door de opkomst van populistische partijen is de Europese Unie zich pijnlijk bewust van dit beeld, maar het lukt slechts mondjesmaat de luiken open te gooien.

Brussel. Velen zien de Europese Unie als een speelbal van multinationals, waarbij eurocraten voor liberale karretjes worden gespannen om handelsverdragen te sluiten waar niemand beter van wordt behalve het grootbedrijf © Peter Hilz / HH

‘Drain the swamp!’ Tijdens de laatste weken voor de presidentsverkiezingen in 2016 gooide Trump deze moeraskreet in de strijd, als onderdeel van zijn brede campagne vóór de gewone Amerikaanse man en vooral tégen de ‘corrupte elite’ in Washington. Die zou namelijk onder de plak zitten van allerlei duistere financiers met dubieuze bedoelingen. Het is een sentiment dat breed leeft onder de Amerikaanse bevolking. Voor juichende menigten in Virginia, Wisconsin en Pennsylvania beloofde de Republikeinse presidentskandidaat daarom lobby-invloeden aan banden te leggen. Hij won. Trump had het publieke wantrouwen jegens de lobbyhoofdstad van de wereld omgezet in een onwaarschijnlijke triomftocht.

Wanneer je met de trein in Brussel aankomt, vergt het een kleine wandeling naar de op één na grootste wereldwijde lobbyhub: de Europese Unie. Daarvoor moet je vanaf het Station Brussel-Centraal de frietlucht en bonbonzaakjes de rug toekeren en door het fraaie Warandepark richting de Europese wijk lopen. Al snel worden dan de gebouwen hoger, de auto’s glimmender en doemt in de verte het Europees Parlement op. Weer een paar straten verderop bevindt zich het kolossale gebouw van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie, met vlakbij het net zo enorme complex van de Europese Raad, waar de lidstaten met elkaar de grote politieke lijnen uitzetten. En daartussen? Tálloze lobbykantoren.

Volgens recente schattingen loopt er in de Europese hoofdstad inmiddels één lobbyist rond voor elke van de ruim dertigduizend Commissie-ambtenaren. Banken, pensioenfondsen, landbouwclubs, ngo’s, de grote techbedrijven, advocatenkantoren: iedereen die iets te winnen of te verliezen heeft in Europa probeert hier op loopafstand van het Europees bestuur zijn belangen te behartigen. Miljarden euro’s worden eraan besteed. En geregeld met succes, zoals bij het omvangrijke dieselschandaal, waarbij de Duitse auto-industrie al haar invloed had laten gelden om de regels naar haar hand te zetten.

Ook hier dreigen de lobbykrachten het vertrouwen van burgers in het openbaar bestuur te ondermijnen. Nu al is de Europese Unie in de ogen van velen een speelbal van multinationals, waarbij eurocraten voor liberale karretjes worden gespannen om handelsverdragen te sluiten en beleidsvoornemens te produceren waar niemand beter van wordt behalve het grootbedrijf. De stem van de burger, zo ervaren mensen, doet er niet meer toe. Het is een sentiment dat populistische partijen razendsnel hebben opgepikt, om het te verpakken in hun eigen eurosceptische verhaal.

‘De EU is een zieke, corrupte, ondemocratische institutie’, roept pvv-leider Geert Wilders bijvoorbeeld graag. En Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet heeft reeds aangekondigd dat zijn partij zal proberen in het Europees Parlement te komen om vanuit daar te laten zien ‘hoe corrupt het systeem is’, alvorens het ‘van binnenuit op te blazen’.

Helaas voor Baudet is iemand hem al voor, zij het met heel andere intenties. ‘Je kunt het imago van de Europese Unie alleen beschermen door de misstanden aan te pakken’, klinkt het op een herfstige namiddag in Brussel. Met zijn ronde brilletje en goeiige blonde hoofd heeft Olivier Hoedeman van lobbywaakhond Corporate Europe Observatory (ceo) op het eerste gezicht meer weg van een docent biologie dan van een transparantie-activist die Europese instellingen regelmatig het schaamrood op de kaken bezorgt. Sowieso heeft het hele gebouw waar ceo zetelt een hoog aaibaarheidsgehalte. Mundo-b heet het, en het ligt aan de rand van Matonge, het Afrikaanse buurtje dat grenst aan de Europese wijk.

In tegenstelling tot de statige lobbykantoren enkele straten verderop hebben de afdelingen van de maatschappelijke organisaties in dit gebouw nog het meest weg van de rommelige redactieburelen van een studentenkrant. Ook de kantine waar het gesprek met Hoedeman plaatsvindt is zonnig gekleurd, met groepjes in vesten gestoken jongelui die samen achter het scherm van een laptop overleggen, een kop thee bij de hand.

Het zou evenwel een vergissing zijn Hoedeman en zijn collega’s af te schilderen als een stelletje goed bedoelende amateurs. Door de jaren heen is ceo bedreven geraakt in het bijten in de kuiten van Europese instituties en het doorprikken van trucs van lobbyende grootmachten. Ze doen grondig onderzoek naar belangenverstrengeling en beïnvloeding, presenteren rapporten over misstanden, procederen tot aan het Europese Hof van Justitie en zeuren aan ieders kop totdat enige stapjes worden gezet in het transparanter maken van het beleidsvormingsproces.

Hoedeman zelf wijdt zijn leven sinds de jaren negentig aan het terugdringen van de invloed van het bedrijfsleven in de Europese beleidsvorming. Vaak tegen de klippen op, want lange tijd was er nauwelijks publieke belangstelling voor de rol van lobbyisten. Het ging goed met de economie, het liberale gedachtegoed vierde hoogtij en de Europese Unie werd alom bejubeld als succesvol vredesproject. Op gezever over transparantie zat niemand te wachten.

Pas bij het aantreden van Jean-Claude Juncker als nieuwe voorzitter in 2014 kwam er bereidheid bij de Europese Commissie om voorzichtig de hand in eigen boezem te steken, merkte Hoedeman. ‘Onder voorzitter José Manuel Barroso had de Europese Commissie altijd ontkend dat er sprake was van een probleem’, zegt hij. ‘Maar omdat er zoveel mis was gegaan en er zoveel kritiek was geweest op hoe de Commissie omging met ethische thema’s denk ik dat ambtenaren zijn opvolger Juncker hebben ingefluisterd om iets van initiatief te nemen.’

Hoedeman vermoedt dat met name de zogenaamde Dalli-affaire de boel in beweging heeft gekregen. In 2012 werd deze eurocommissaris ontslagen nadat was uitgelekt dat een tussenpersoon ettelijke miljoenen euro’s aan tabaksreus Swedish Match zou hebben gevraagd in ruil voor beïnvloeding van Dalli’s tabaksbeleid. De zaak werd gezien als een lelijke kras op het imago van de Europese Unie, op een moment dat de eurocrisis Europa toch al op haar grondvesten deed schudden. Op aandringen van het Europees Parlement beloofde Juncker daarom belangrijke stappen te ondernemen om de transparantie rond beleidsvorming te vergroten, de zogenaamde ‘Juncker commitments’.

Tegelijkertijd was er nog een belangrijke verandering. Tot nieuwe Europese ombudsman verkoos het Europees Parlement een voormalige Ierse journaliste, in haar thuisland bekend als ‘the blonde ambition’. In haar hoopten de parlementariërs de waakhond te hebben gevonden die de dikwijls arrogante Commissie op de knieën zou kunnen dwingen. Tijdens haar benoeming klonken de zorgen van deze Emily O’Reilly door in haar beloften. ‘Het vertrouwen van burgers in de Europese instituties brokkelt af. Velen hebben het idee dat hun stem er niet toe doet’, sprak ze tegenover het Europees Parlement. Ze beloofde haar best te doen te helpen dat vertrouwen te herstellen.

‘Mijn doel is de lat niet zo laag te leggen dat iedereen er akkoord mee kan gaan, maar ook niet zo hoog dat niemand zich er in kan vinden’

Zo begon Juncker aan een veelbelovende nieuwe termijn. Vrijwel direct voerde de nieuwe Commissievoorzitter een belangrijke nieuwe regel door: de top van de ambtenarij zou vanaf dat moment standaard openbaar maken met wie zij ontmoetingen heeft en over welke onderwerpen gesproken wordt. Ook zouden deze topambtenaren in de toekomst alleen afspreken met lobbyisten die hun intenties bekend hadden gemaakt in het tot dan toe volledig vrijwillige lobbyregister. Dit dwong enkele beruchte spelers, zoals de financiële zwaargewichten Goldman Sachs en Deutsche Bank, alsnog openheid van zaken te geven. Tot slot vaardigde de Commissie intern de richtlijn uit dat er zo veel mogelijk een balans moest worden gezocht in afspraken met belanghebbenden. Niet alleen het bedrijfsleven, maar ook maatschappelijke organisaties behoorden geraadpleegd te worden. ‘Om het vertrouwen van mensen in de Europese Unie terug te winnen, moeten we de luiken openen en transparanter zijn over hoe we te werk gaan’, motiveerde eurocommissaris Frans Timmermans de besluiten namens de Commissie.

Een goed begin, zegt Olivier Hoedeman tijdens het gesprek in de kantine van Mundo-b. Maar er moet nog een hoop gebeuren. Nuchter somt de onderzoeker de lacunes in de plannen van Timmermans op. Zo is de informatie die in het lobbyregister wordt opgenomen ontoereikend, vaak onvolledig en is er amper sprake van handhaving. Bovendien zijn alleen de 250 topambtenaren gebonden aan de voorwaarde dat lobbyisten zich moeten hebben geregistreerd, waardoor de ruim 30.000 lagere ambtenaren nog ongezien te beïnvloeden zijn. En het belangrijkste mankement is misschien wel dat de Europese Raad, waarbinnen vertegenwoordigers van Europese regeringen met elkaar de grote beleidslijnen uitzetten, volledig buiten schot blijft.

‘De Raad is de grote achterdeur’, foetert d66-europarlementariër Sophie in ’t Veld. ‘Er is nul inzicht in hoe lobbyisten de nationale regeringen bewerken, voordat die hun standpunt innemen in de Raad. Terwijl ik merk dat er op heel veel dossiers nationale bedrijven actief zijn, zoals voormalige staatsbedrijven, die nog heel nauw verweven zijn met de nationale politiek van een lidstaat.’ Als voorbeeld haalt ze de roamingkosten aan, de mobiel-internetkosten die telefonie-aanbieders extra rekenden bij verblijf in een ander EU-land, totdat de EU daar in 2017 een streep door zette. Telecomaanbieders hadden er jarenlang alles aan gedaan om de plannen onderuit te halen. ‘Tussen het eerste voorstel en dat dit lukte, verliepen dertien jaar’, memoreert In ’t Veld. ‘Dertien jaar waarin de Commissie en het Parlement heel erg op het nieuwe beleid hebben aangedrongen. Maar waar zat de rem? Bij de lidstaten.’

Na de vorige Europese verkiezingen presenteerde de politica daarom een ‘stappenplan naar transparantie’, waarin ze pleitte voor een radicale cultuurverandering in Europa. Een waarin ‘Brussel’ open is over wat er gebeurt, zodat daarover verantwoording kan worden afgelegd naar de burger. Maar vier jaar later zegt In ’t Veld ronduit teleurgesteld te zijn over de resultaten. Zo vertelt ze verontwaardigd hoe via de rechter eindelijk voor elkaar was gekregen dat de Raad voortaan verslagen van bijeenkomsten openbaar moest maken, maar dat er vervolgens prompt bepaalde informatie niet meer werd genotuleerd. ‘Voor je weer bedongen hebt dat die informatie wél opgenomen wordt, ben je zo vijf à zes jaar verder’, fulmineert ze. ‘Je moet maniakaal zijn om zo lang door te procederen. De Raad is echt de grote black box.’

Europese ombudsman Emily O’Reilly – ‘Het vertrouwen van burgers in de Europese instituties brokkelt af’ © CHINE NOUVELLE / SIPA / HH

Een groep Scandinavische journalisten verzamelt zich rond een kleine vergadertafel. Velen hebben in hun verslaggeving niet vaak met de Europese Unie te maken, maar vinden wel dat ze wat meer behoren te weten over deze hoogste bestuurslaag, zeker nu er weer Europese verkiezingen aankomen. En dus worden ze voor enkele dagen volledig ondergedompeld in het doolhof van Europese instituties en Brusselse beleidsvorming. Iedere keer weer moeten ze door het beveiligingspoortje van een massief gebouw, worden de paspoorten gecontroleerd, krijgen ze bezoekersstickers opgeplakt, worden ze door lange gangen geloodst en uiteindelijk in een steriele vergaderruimte gestopt, om daar in sneltreinvaart door een powerpointpresentatie te worden gepraat.

Wanneer die donderdagochtend de Europese ombudsman met een zwaai van de deur en een stevige tred binnenkomt zetten valt de groep meteen stil. ‘Goedemorgen allemaal, goed om jullie te zien’, zegt Emily O’Reilly. De kleine vrouw, gestoken in stijlvol damespak, neemt plaats aan het hoofd van de tafel, naast een grote Europese vlag. Zonder verdere plichtplegingen steekt ze in hoog tempo van wal, haar ogen op het powerpointscherm gericht, een pen van de ene hand in de andere nemend. Ze begint met de feitjes. Zo’n tweeduizend klachten per jaar ontvangt de Europese ombudsman – van burgers, organisaties of werknemers bij Europese instellingen. Daarvan leiden er pakweg vierhonderd tot de opening van een onderzoek. Weer een vijfde dáárvan gaat over gebrekkige transparantie, zoals het niet verkrijgen van opgevraagde documenten. Acht à negen op de tien van die klachten leiden vervolgens alsnog tot openbaarmaking. En die laatste paar? Die zijn blijkbaar te politiek gevoelig. ‘Okay? Next slide.’

Vervolgens neemt O’Reilly in staccato de Scandinavische journalisten mee langs enkele mediagenieke zaken die zij in handen kreeg. Gevraagd óf ongevraagd. Want: deze ombudsman neemt haar taakopvatting ruim. Als het gaat om het vertrouwen in de instituties moet men niet alleen naar de letter van de wet, maar ook naar de geest van de wet leven, is haar overtuiging. Daarvoor is ze bereid alle middelen in te zetten die tot haar beschikking staan.

Met die opstelling verwierf O’Reilly al gauw een stevige reputatie in Brussel. Al vlak na haar aantreden in 2013 kreeg ze het aan de stok met de Europese Commissie toen ze insinueerde dat de toenmalige eurocommissaris voor Mededinging de schijn van belangenverstrengeling wekte: Joaquín Almunia zou volgens de ombudsman een onderzoek naar ongeoorloofde staatssteun voor zeven betaald-voetbalorganisaties traineren, terwijl hij zelf lid was van een van die clubs. Ook zouden de betwiste steunmaatregelen tot stand zijn gekomen in de regeerperiode dat de Spanjaard zelf minister van Openbaar Bestuur was.

Almunia was woedend en reageerde vinnig met de vraag of zijn dagelijkse internetgebruik zou leiden tot de beschuldiging dat zijn mededingingsonderzoeken naar Microsoft en Google niet deugden. Vier jaar later besloot de Commissie alsnog dat de voetbalclubs inderdaad de onterecht ontvangen steun terug moesten betalen, waaronder de club van Almunia. Overigens zat zijn bestuurstermijn er toen al op.

Hoewel O’Reilly deze casus onvermeld laat tegenover de Scandinavische pers komen er wel andere beruchte zaken voorbij. Zoals die van oud-Commissievoorzitter Barroso, die na zijn bestuursperiode zijn telefoonboekje meenam naar zijn nieuwe baan bij Goldman Sachs. Of de schimmige benoeming van de topambtenaar Martin Selmayr tot secretaris-generaal bij de Commissie. Beide zaken zorgden mede dankzij de rapporten van de ombudsman voor veel ophef in de media. Tegelijkertijd zal O’Reilly de eerste zijn om te erkennen dat in beide gevallen haar onderzoeksconclusies uiteindelijk geen gevolgen hadden voor de positie van de mannen. Handhavingsmacht heeft een ombudsman immers niet. Wel hoopt ze er in ieder geval mee bereikt te hebben dat men zich een volgende keer twee keer bedenkt voor er een loopje met ethische standaarden wordt genomen.

Ofschoon de Scandinavische journalisten vol eerbied luisteren, blijkt bij het vragenrondje dat ze toch ook wel een beetje verbaasd zijn. In het hoge noorden gelden er veel strengere regels rond transparantie. Dat hier in Brussel de verschillende instituties het achter gesloten deuren met elkaar op een akkoordje gooien en zelfs moeilijk doen over het openbaren van relevante documenten zou daar ondenkbaar zijn. Ze verwoorden het niet zo, maar ondanks het goede werk van de ombudsman komt het Brusselse bestuur op hen toch een beetje over als een bananenrepubliek.

‘We denken allemaal dat alles hier in Europa zo normaal is, maar dat is echt niet zo. We leven in Utopia vergeleken met veel andere landen’

O’Reilly zucht. In feite is ze het eens met de journalisten, natuurlijk. Maar ze heeft nu eenmaal ook met de Europese cultuurverschillen te maken, legt ze uit. Kijk maar naar de Duitsers: voor hen is juist dataprotectie een heel groot goed, meer dan transparantie. Ze zijn door schade en schande wijs geworden tijdens de overheersing van de nazi’s, die informatie misbruikten om joden te vervolgen. O’Reilly zegt daarom nu: ‘Mijn doel is om de lat niet zo laag te leggen dat iedereen er akkoord mee kan gaan, maar ook niet zo hoog dat niemand zich er meer in kan vinden.’

Tijdens een één-op-één-gesprek even later in een andere overlegkamer omschrijft ze de zoektocht naar dat evenwicht als een van haar grootste uitdagingen hier in Brussel. ‘Toen ik begon leerde ik al gauw dat het in sommige landen heel normaal is dat mensen eerst in de private sector actief zijn, dan een tijdje in de publieke sector gaan werken, en dan weer privaat actief worden op een terrein dat heel dicht tegen hun vorige baan aanschurkt. Het is nu aan mij om uit te vinden waar de Europese consensus zich bevindt.’

Hoe hoog ze de Europese Unie niettemin zelf heeft zitten blijkt als ze vertelt hoe Ierland in de jaren zeventig door Europese arbeidsregels gedwongen werd discriminerende wetten voor vrouwen af te schaffen. ‘Tot dan toe verloor je je baan als je als vrouw in de publieke sector werkte en ging trouwen.’ Ze vertelt het met een verontwaardiging alsof ze dit stukje geschiedenis niet al vele malen eerder heeft aangehaald. ‘De hervorming was dus niet te danken aan onze fantastische eigen overheid, maar aan Europa. Een Europa dat stoelt op stevige waarden wat betreft onder meer gelijkheid is daarom een Europa dat in mijn ogen gewaardeerd en beschermd moet worden.’

Niet voor niets kijkt de Europese ombudsman met afgrijzen naar de populistische, nationalistische bewegingen die over de hele wereld hun opmars maken. ‘We leven wereldwijd in een heel zorgwekkende tijd’, verzucht ze. ‘Dat heeft waarschijnlijk deels te maken met de globalisering en de onzekerheid die dat met zich meebrengt. Sommige types zoeken dan een makkelijke boeman en uiteraard is de EU dat in de ogen van sommige landen en mensen. Daarom is het zo belangrijk dat de Europese instituties niets doen om die gevoelens aan te wakkeren. Met alles wat er gaande is, heeft de wereld een EU nodig met hoogstaande waarden. Een Unie die ook bereid is om op dat vlak geen water bij de wijn te doen, ondanks de toenemende euroscepsis en ondanks de opkomst van die sterke-mannencultuur die we in de hele wereld meemaken.’

Met dit idee in haar achterhoofd gaf O’Reilly afgelopen jaar de Europese Raad er meerdere keren publiekelijk flink van langs. Toen er na jaren van aandringen nog steeds geen enkele stap was gezet in het transparanter maken van wie het besluitvormingsproces beïnvloeden en het zelfs geheim bleef welke standpunten lidstaten innemen in het onderhandelingsproces was voor haar de maat vol. ‘Deze “achter gesloten deuren”-benadering riskeert dat burgers vervreemden en negatieve sentimenten worden gevoed’, schreef ze in het persbericht bij een rapport met daarin haar dringende oproep tot beterschap, liefst nog voor de verkiezingen van 2019. ‘Als burgers niet weten welke besluiten hun overheden nemen en hebben genomen terwijl ze EU-beleid maakten, zal de “het is de schuld van Brussel”-cultuur doorgaan. EU-burgers hebben het recht om te kunnen participeren in het wetgevingsproces dat ook hen aangaat, maar om dat te kunnen, is er meer openheid nodig van hun overheden in Brussel.’

Niettemin zit de transparantiediscussie in Europa momenteel moervast. Ondanks de publieke terechtwijzing van de ombudsman is het de Raad niet gelukt om voor de deadline afgelopen voorjaar een reactie te formuleren op haar aanbevelingen. Nu wordt haar rapport voorgelegd aan het Parlement, in een laatste poging de Raad in beweging te krijgen. d66’er Sophie in ’t Veld ziet het somber in. ‘Regeringen en overheidsinstanties hebben een soort natuurlijke neiging tot geheimhouding’, denkt ze. ‘Het is een reflex. In Europa komt daar nog een extra dimensie bij: de vorming van de EU komt voort uit samenwerking tussen de lidstaten, uitgevoerd door ambtenaren en diplomaten. En wat doen diplomaten? Die zijn discreet. Dat zit hen nu eenmaal in de aard. Maar een politieke unie, een parlementaire democratie, vereist openbaarheid.’

Intussen is ook haar eigen instituut verwikkeld in geruzie over meer openheid. Tussen de Raad, de Commissie en het Europees Parlement lopen onderhandelingen over een bredere toepassing van het transparantieregister. Volgens dat voorstel, afkomstig van vice-Commissievoorzitter Timmermans, zouden alle drie de instellingen in de toekomst alleen nog maar mogen afspreken met lobbyisten die in het register staan. De Raad wil echter dat de vertegenwoordigende ambtenaren van de lidstaten, die in Brussel al het belangrijke voorwerk doen, buiten schot blijven. En het Parlement vindt weer dat volksvertegenwoordigers een status aparte hebben. Afgelopen week zijn de europarlementariërs daarom alleen akkoord gegaan met een verplichting voor hun rapporteurs en commissievoorzitters om lobby-ontmoetingen te registreren. In ’t Veld legt uit: ‘Er is een groot verschil tussen gekozen politici en ambtenaren. Europarlementariërs hoeven niet neutraal te zijn, ze zijn juist gekozen vanwege hun opvattingen. Als iemand dus per se de industrie wil vertegenwoordigen, dan is hij om die reden verkozen. En als iemand liever voor de groene lobby werkt, ook prima. Je moet geen gedachtenpolitie willen instellen.’ Bovendien vindt ze het valse transparantie als parlementariërs alle ontmoetingen met lobbyisten op gaan schrijven. ‘Dat zegt nog niets over wie invloed heeft. Ik heb ontmoetingen gehad met lobbyisten die jankend mijn kantoor uit zijn gegaan. En dan nog is het in de eerste plaats aan de kiezer om te bepalen of je je werk goed gedaan hebt.’

Hoewel Olivier Hoedeman van lobbywaakhond ceo zijn kanttekeningen plaatst bij dit standpunt van Sophie in ’t Veld is hij het met haar eens dat de Commissie zich daar niet achter kan verschuilen. ‘We proberen er nu al vier jaar voor te zorgen dat ook de lagere ambtenaren van de Commissie onder de reikwijdte van het transparantieregister vallen’, zegt hij hoofdschuddend tijdens het gesprek in de kantine. ‘En nu zet de Commissie dat in als een soort wisselgeld in de onderhandelingen met het Parlement en de Raad. Dat is totaal onnodig.’

Maar zelfs áls het uiteindelijk lukt om het beleidsvormingsproces een stuk transparanter te krijgen, voorziet Hoedeman dat Brussel nog een lange weg te gaan heeft. ‘De lobbydruk is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen’, constateert hij. ‘Zeker sinds het Europees Parlement meer bevoegdheden heeft gekregen wordt er ook intense druk op de europarlementariërs uitgeoefend.’ Tegelijkertijd stelt hij met tevredenheid vast dat er steeds meer volksvertegenwoordigers zijn die ervoor kiezen zich te profileren op hun verzet tegen de macht van de industrie, zoals gebeurde rond dieselgate.

Voor Hoedeman zit zijn levenswerk er evenwel pas op als de Europese instituties niet langer méér met het bedrijfsleven spreken dan met maatschappelijke organisaties, vertelt hij met de geduldige glimlach die op zijn gezicht gebeiteld lijkt. ‘Het gaat om de bevoorrechte toegang. Zolang de discussie daarover niet gevoerd wordt, is het wel fijn dat alles wat transparanter wordt, maar verandert er niets aan de impact van lobbyen. Die blijft hetzelfde.’

Aan het einde van het interview wil ombudsman Emily O’Reilly graag nog iets toevoegen. Het blijkt te gaan om een boodschap aan de mensen thuis. ‘Met de verkiezingen op komst is stemmen het belangrijkste wat iedereen kan doen’, benadrukt ze. ‘We denken allemaal maar dat alles hier in Europa zo normaal is, maar dat is echt niet het geval. We leven in Utopia vergeleken met zoveel andere landen.’

Dat is natuurlijk mooi gesproken, maar vreest ze niet dat gezien de huidige problemen de EU eerst in een totale crisis zal raken, voor er een democratischer en transparanter systeem uit rolt waarin mensen erop kunnen vertrouwen dat hun stem ertoe doet?

O’Reilly vouwt haar handen. ‘We blijven hoopvol.’ Dan staat ze abrupt op van de gesprekstafel, dankt hartelijk voor het interview en beent de kamer uit.