Le juste milieu. De bustes van Honoré Daumier

Le juste milieu

Honoré Daumier was een van de grootste karikaturisten van de negentiende eeuw. De basis voor zijn reputatie legde hij met een serie bustes, Les célébrités du Juste Milieu, die de elite van de Franse Julimonarchie te kijk zette. Bijvoorbeeld de invloedrijke politicus François Guizot.

«Die kerel moet een Michelangelo onder de huid hebben gehad!» riep Balzac verrukt toen hij oog in oog stond met Les célébrités du Juste Milieu, de serie bustes die de karikaturist Honoré Daumier tussen 1832 en 1835 vervaardigde. Met Les célébrités du Juste Milieu verwees Daumier naar de uitspraak van Louis-Philippe, sinds de Julirevolutie van 1830 nieuwe Franse koning. Bij zijn aantreden had hij verklaard dat hij «het juiste midden» (le juste milieu) wenste te houden tussen de excessen van de volksmacht en het misbruik van de koninklijke macht. Charles Philipon, overtuigd republikein en uitgever van de satirische kranten La Caricarure en Le Charivari, besloot daarop zijn lezers een portrettengalerij van dit juste milieu voor te zetten en benaderde Daumier om deze te realiseren.

De jonge Daumier, zojuist ontslagen uit de gevangenis – waar hij een half jaar had moeten brommen nadat hij Louis-Philippe als de gulzige reus Gargantua had afgebeeld – kon de verleiding niet weerstaan en hapte toe. Eerst zette hij zich aan de bustes en gebruikte deze vervolgens als model voor een serie spotprenten, bestemd voor de kranten van Phi lipon. De serie werd een enorm succes en legde de basis voor Daumiers reputatie als één van de grootste karikaturisten van de negentiende eeuw.

Mikpunt van Daumiers spot was de politieke elite van de kersverse Julimonarchie. Ministers, parlementariërs, bureaucraten en journalisten; pretentie, domheid, sluwheid, ijdelheid, wreedheid, kruiperigheid – een weids en zeer vermakelijk panorama van lagere mense lijke passies gaf hij hen mee. Misschien verklaart dat ook het enthousiasme van Balzac, die in zijn boekenreeks La condition humaine im mers een vergelijkbaar beeld schetste van de bourgeoisie: de sociale klasse in opkomst en de ruggengraat van diezelfde Julimonarchie. Corrupte politici, incapabele bestuurders en in halige notabelen; dat was de werkelijkheid zoals Balzac en Daumier die lieten zien. Samen zijn zij in belangrijke mate verantwoordelijk voor het overgeleverde beeld van dit regime, dat zo roemloos ten onder zou gaan in de Februari revolutie van 1848.

Maar degene die zich daarop blind staart, gaat voorbij aan de wonderlijke politieke filo sofie waarop de Julimonarchie steunde en die de werkelijke oorzaak was voor haar echec. Deze politieke filosofie was in de aanloop naar de Julirevolutie ontwikkeld door een groepje liberalen die haar meest uitgesproken vertegenwoordiger vond in de intrigerende figuur van François Guizot (1787-1874). Guizot was niet alleen de belangrijkste theoreticus van de Julimonarchie; als kamerlid, minister van onderwijs en van 1840 tot 1848 als minister-president zou hij uitgroeien tot haar meest invloedrijke politicus. Het is vooral aan die rol dat hij de slechte pers dankt, die hij in Frank rijk lange tijd genoten heeft.

Guizots persoonlijkheid droeg daar in niet onbelangrijke mate aan bij. Hij stond bekend als star, hautain, machtsbelust en extreem ze ker van zichzelf: «Ik voel alles in mij wat nodig is om te slagen, ja werkelijk alles» schreef hij aan de prinses de Lieven. Misschien kwam het omdat hij was opgegroeid in Genève, waar hij als kind met zijn moeder naar toe was gevlucht nadat zijn vader tijdens de Franse Revolutie was geguillotineerd. Misschien lag het aan zijn protestantse wortels. Zeker was dat Guizot altijd een vreemde bleef in de Franse samenleving; ongevoelig voor haar vibraties en haar passies.

Als hij erkenning kreeg dan was dat voornamelijk te danken aan zijn werk als historicus. Zo schreef hij met l’Histoire de la civilisation en Europe et en France een belangwekkende en nog altijd zeer leesbare geschiedenis van Europa (in Penguin-editie verkrijgbaar als The History of Civilization in Europe), waarin hij stelde dat de originaliteit van de Europese beschaving was gelegen in het bestaan van elkaar beconcurrende waardenschema’s. En passant schetste hij het proces van centrali satie van de staatsmacht, introduceerde hij de notie van klassenstrijd en stelde verder dat het de middenklasse was die deze strijd uiteindelijk gewonnen had. Daarmee zou l’Histoire de la civilisation en Europe et en France van grote invloed zijn op denkers zo divers als Alexis de Tocqueville, Karl Marx en John Stuart Mill.

Maar er was nog een derde Guizot: de liberale theoreticus. Voor deze Guizot moeten we terug naar de eerste jaren van de Restauratie, het regime dat de Bourbons op de Franse troon had teruggebracht. Naar het jaar 1815, om precies te zijn, toen Guizot en zijn liberale vrienden zich geconfronteerd zagen met de ultra-royalistische afgevaardigden van de beruchte Chambre introuvable. Royalistischer dan de nieuwe koning zelf, wensten de leden van de Chambre introuvable de erfenis van de Franse Revolutie ongedaan te maken en met rasse schreden terug te keren naar het Ancien régime. Hierop besloot de 27-jarige Guizot, op dat moment werkzaam als secretaris-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken, tot de publicatie van een reeks pam fletten. Deze pamfletten waren van een uitzonderlijke scherpte, bezaten een grote polemische kracht en konden rekenen op onmiddellijke aandacht. Het fundamentele probleem van de Franse politiek, zo stelde Guizot (in Du Gouvernement représentatif en France en 1816), was dat het ging tussen de meest onverzoenlijke belangen; de meest verbitterde hartstochten en de meest tegen gestelde ondernemingen. Links noch rechts was uit op de triomf van een politiek idee of de omverwerping van het kabinet, maar op een nieuwe revolutie.

Guizot onderschreef de samenleving op basis van gelijkheid die de Franse Revolutie had gebracht, maar hij bekritiseerde de politieke vormen die daar sinds 1789 bij waren verzonnen. Was er een vorm van representatie denk baar, zo vroeg hij zich af, die recht deed aan het egalitaire karakter van de moderne samenleving, maar die niet zou ontaarden in de terreur van een Robespierre of het despotisme van een Napoleon? Allereerst was het nodig om de politiek van de passie te verlaten en deze het tijdperk van de Rede binnen te loodsen. Hiervoor ontwikkelde Guizot niets minder dan een nieuw fundament voor politieke macht: la souveraineté de la Raison. Met deze «soevereiniteit van de Rede» hoopte hij een alternatief te bieden voor het achttiende-eeuwse contractdenken van Rousseau, dat tijdens de Revolutie vooral een recept voor tirannie was gebleken. «Wat men een «vertegenwoordiging» noemt», aldus Guizot in 1822, «is beslist geen reken kundige machine, bedoeld om de individuele willen te herleiden tot één algemene wil. Het is een natuurlijk procédé met als doel de in de samenleving aanwezige rede bloot te leggen, want het is de rede die het alleenrecht heeft te heersen.»

Wat die «rede» precies behelsde maakte Guizot nooit helemaal duidelijk, maar alles was natuurlijk beter dan de macht te laten aan een absolutistische monarch, of nog erger: aan het volk. Angst voor «het volk» – barbaars en immoreel monster zonder gezicht – was be paald een belangrijke drijfveer. Voor Guizot, maar voor bijna alle Franse liberale publicisten uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Wie de vaagheid van de souveraineté de la Raison beziet zou haast denken dat zij speciaal ontworpen was om het volk buiten de poort van de representatieve democratie te houden. In zekere zin was dat ook zo, want nodig was een nieuwe politieke klasse, een «waarachtige en natuurlijke aristocratie van de nieuwe orde». Deze aristocratie zou bestaan uit een elite van verlichte en onafhankelijke burgers en zou «in een geheiligde ruimte beraadslagen over de belangen van de Staat – op veilige afstand van de passies van de massa». Maar wie behoorden er tot de nieuwe politieke klasse en wie niet? Om dat te kunnen bepalen lanceerde Guizot het concept van capacité: «een zeker samenstel van eigenschappen, van kennis en mogelijkheden die de gehele mens omvat en dat bepaalt welk gebruik hij van de macht zal maken». Capacité kon niet worden bewezen in strikte zin van het woord; hooguit verondersteld. Bezit gold over het algemeen als een goede indicatie, maar ook bepaalde morele, intellectuele of professionele kwaliteiten werden meegewogen.

Met de Julirevolutie van 1830 was het mo ment aangebroken om de theorie in praktijk te brengen. Als afgevaardigde in het nieuwe parlement zag Guizot in 1831 kans een nieuwe kieswet door het parlement te loodsen, «de grootste overwinning die we sinds vijftien jaar hebben geboekt». Stemmen op nationaal niveau mocht nu iedereen die meer dan tweehonderd francs belasting betaalde; op lokaal niveau waren dat advocaten, rechters, leden van de belastingkamer, officieren van de Nationale Garde en gepromoveerde wetenschappers die minimaal drie jaar in de commune woonden. In totaal betrof het zo’n 170.000 mensen (één op de 35 volwassen Franse mannen) en hoewel het doet denken aan het bekende negentiende-eeuwse censuskiesrecht was de door Guizot geformuleerde grondgedachte van capacité nog duidelijk herkenbaar.

Guizot was het er primair om te doen geweest een nieuwe politieke klasse te creëren, niet om de bourgeoisie van een politieke legitimatie te voorzien. Toch kwam het daar in de praktijk wel op neer. De gedachte was dat naarmate de welvaart en dus ook het aantal belastingplichtigen toenam ook het aantal kiezers snel zou groeien, maar ondanks een jaarlijkse economische groei van 3,5 procent waren dat er in 1847 nog steeds maar 240.000. Daarmee bleek de Guizots theorie van soevereiniteit van de rede weliswaar géén recept voor anarchie of tirannie, maar wél voor immobilisme en oligarchisering.

«Verrijkt u door te werken en te sparen en u zult kiezer zijn», riep hij de bevolking toe, maar in een tijd waarin een arbeider moest rond komen van zo’n twintig centimes per dag klonk zoiets weinig stimulerend. Verrijken de den zich vooral de industriëlen, de speculanten en de spoorwegbaronnen. Be paald niet Guizots gedroomde aristocratie, wél een dankbaar on derwerp voor schrijvers als Balzac en karikaturisten als Daumier.

Ook de buste van Guizot figureert prominent in Les célébrités du Juste Milieu. Je kunt je afvragen in hoeverre Daumier werkelijk greep op Guizot heeft gekregen. In niets doet de wat boers aandoende kop denken aan het verfijnde, aristocratische gezicht zoals we dat kennen van officiële portretten. Guizot blijft ook in Les célébrités een raadselachtige figuur. Een zekere deemoed straalt hij uit, maar ook onverzettelijkheid; alsof hij koste wat kost over eind wilde blijven in het hem omringende vreugdevuur van ijdelheden.

Les célébrités du Juste Milieu, Musée d’Orsay, Parijs, tot en met 28 augustus