De Brexit-mentaliteit

Leave, en nog eens Leave

Als een wasmiddel je niet bevalt, verlaat je het merk. Hoe kon dit economisch principe – uiting geven aan ontevredenheid door te vertrekken – de grootste Britse constitutionele crisis sinds 1945 veroorzaken?

Het is algemeen bekend dat als het over referenda gaat ‘ja’ in het voordeel is tegenover ‘nee’. Alex Salmond, destijds leider van de Scottish National Party, kreeg in 2014 niet de formulering die hij graag wilde bij het referendum over de onafhankelijkheid van Schotland, want de Kiescommissie vond de vraag ‘Bent u het ermee eens dat Schotland een onafhankelijk land moet zijn?’ te sturend. Maar hij zorgde er tenminste voor dat zijn kamp streed voor een ‘ja’. De campagne voor de legalisering van abortus in Ierland, die bij het referendum van afgelopen jaar een klinkende overwinning behaalde met een ruime meerderheid voor ‘ja,’ was een masterclass in positiviteit.

Het Britse referendum over de EU in 2016 was geen kwestie van een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’. Niettemin veronderstelde de Conservatieve regering van David Cameron destijds wellicht dat ‘leave’ (vertrekken) méér negatieve weerklank had dan ‘remain’ (blijven). Leave… maar waarheen dan precies? Wat voor soort bevestiging houdt ‘leave’ in? Wat voor soort identiteit of visie wordt hiermee tot uitdrukking gebracht? Maar een van de dingen waarmee de regering van Cameron geen rekening had gehouden toen zij het startsein gaf voor de ontwikkelingen die leidden tot de huidige politieke ramp was de mate waarin de kiezers ontvankelijk waren voor negativiteit.

De keuze voor de Brexit was een ‘nee’ tegen veel dingen: loonstagnatie, massa-immigratie, bezuinigingen op de lokale overheid, Brussel, Londen, Westminster, multiculturalisme, ‘politieke correctheid’ en wie weet wat nog meer. Politieke wetenschappers en opiniepeilers kunnen zo veel tijd besteden als ze willen aan het zoeken naar de doorslaggevende factoren, maar het grootste voordeel van ‘leave’ was dat het niet hoefde te specificeren wát zou worden achtergelaten. Zoals de gilets jaunes momenteel in Frankrijk laten zien heeft ‘nee’ het vermogen een veelkleuriger beweging te mobiliseren dan ‘ja’, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een consensus over wat er wordt ontkend.

‘Leave’ was een coalitie van mensen die ergens tegen waren – het was één grote afwijzing die geen levensvatbaar programma nodig had om tot bloei te komen.

In zijn recente boek Down to Earth: Politics in the New Climatic Regime ziet Bruno Latour in dit instinct om te vertrekken een patroon dat niet bepaald uniek is voor Groot-Brittannië. Hij denkt dat er een ontsnappingsfantasie aan ten grondslag ligt – uiteindelijk zelfs die van een ontsnapping van een planeet die steeds minder goed bewoonbaar wordt. ‘Wij kunnen niets van de politiek van de afgelopen vijftig jaar begrijpen’, schrijft hij, ‘als we de kwestie van de klimaatverandering en de ontkenning daarvan niet op de voorgrond plaatsen.’ Dit wil niet zeggen dat alle politiek nu over de kooldioxide-uitstoot gaat, maar wél dat alle politiek nu ‘aards’ is, verbonden met territoriale gegevenheden: er is een eindige (en slinkende) hoeveelheid vaste grond beschikbaar, en het steeds groter wordende probleem is hoe we die moeten delen en in stand houden.

Wat de Brexit aangaat ‘heeft het land dat de open ruimte van de markt – ter zee en op het land – heeft uitgevonden, het land dat de Europese Unie onophoudelijk onder druk heeft gezet om één grote winkel te zijn toen het geconfronteerd werd met de plotselinge komst van duizenden vluchtelingen, impulsief besloten het spel van de mondialisering niet langer mee te spelen’.

Wat de Brexit eigenlijk is: het ideaal van een terugtrekking dat op gespannen voet staat met de werkelijkheid van regeren en politiek bedrijven © Angel Boligan / Cagle

De Britten hebben geen gebrek aan mensen die hun willen vertellen wie zij zijn, maar of die bronnen altijd de meest geloofwaardige zijn, is twijfelachtig. Er is te veel aandacht besteed aan ouderwets liberale, conflictvrije verhalen over nationale identiteit en traditie en niet genoeg aan de inzichten van degenen die er met één been in en met één been buiten staan, in het bijzonder de ooit gekoloniseerden. Er zou een stormloop moeten zijn op de werken van Paul Gilroy over Groot-Brittannië’s ‘postkoloniale melancholie’, net zoals de overdenkingen van Fintan O’Toole over Groot-Brittannië’s plotselinge gevoel van slachtofferschap momenteel alom worden omarmd.

De toegewijde brexiteer kent slechts één tactiek: wegwezen; als dat niet werkt, wéér wegwezen

Maar zelfs dit zal ons niet face to face brengen met de pure negativiteit van de Brexit. In de voortdurende poging om te begrijpen wat de Brexit is en waarom die plaatsvindt, is ruimschoots aandacht besteed aan de ‘Br’, maar relatief weinig aan de ‘exit’. De verleidingen, mythen en affirmaties van het natie-zijn worden allemaal doorzocht om te achterhalen waar het allemaal om draait. Imperium? Ras? De Blitz? Maar wat als het antwoord ons al lange tijd in het gezicht heeft gestaard? Wat als er in de Britse politieke cultuur een diepe, algemeen gevoelde drang bestaat om te vertrekken?

Wat nu duidelijk is geworden is dat er noch in het parlement noch in het land sprake is van een meerderheid voor de harde optie van een actief vertrek uit de Europese Unie. De opiniepeilingen registreren een voorsprong voor ‘remain’ bij ieder mogelijk toekomstig referendum over deze vraag (in een YouGov-peiling van 6 januari bedroeg de voorsprong 46 tegen 39 procent, terwijl de overige vijftien procent nu zó vervreemd is geraakt van het hele gebeuren dat deze mensen op geen enkele manier meer een antwoord hebben). Een voldoende groot aantal ‘leave’-stemmers heeft nu genoeg van de Brexit, of van de politiek in het algemeen. ‘Remain’ zou dus een redelijke kans hebben een tweede referendum te winnen.

Ook verschijnt aan de horizon geen parlementaire meerderheid die een tastbare terugtrekkingsovereenkomst zou steunen. De omvangrijke nederlaag van Theresa May op 15 januari dit jaar, met 230 stemmen, heeft opnieuw de macht van het ‘nee’ aangetoond. De 432 parlementsleden die tegen haar stemden, deden dat om uiteenlopende redenen, onderbouwd door onverenigbare ideeën over wat er daarna zou moeten gebeuren. Er zijn weinig dingen die voor een consensus kunnen zorgen tussen Labour-leider Jeremy Corbyn, Arlene Foster van de Noord-Ierse Democratic Unionist Party, de Liberal Democrat Vince Cable en Brexiteer Jacob Rees-Mogg, maar oppositie tegen May’s deal was daar één van. Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie, reageerde op het resultaat met een tweet waarin hij het Verenigd Koninkrijk opriep ‘zijn bedoelingen zo snel mogelijk op te helderen’. Maar wat als ‘het Verenigd Koninkrijk’ helemaal geen bedoelingen heeft?

De gok van May, aanvankelijk gezien als een verstandige, om toonaangevende brexiteers op cruciale ministersposten te benoemen, is geleidelijk in rook opgegaan dankzij een gestage stroom ontslagnames. Het aftreden van Boris Johnson als minister van Buitenlandse Zaken was de meest in het oog springende, maar het daaropvolgende vertrek van David Davis en Dominic Raab van het Brexit-ministerie deed vermoeden dat zij een ideologie aanhingen die aan haar eigen tenuitvoerlegging ten onder zou gaan. De toegewijde brexiteer kent slechts één tactiek: wegwezen, en als dat niet werkt, wéér wegwezen.

In zijn klassieke verhandeling uit 1970, Exit, Voice, and Loyalty, beschreef de economisch theoreticus Albert Hirschman de verschillende manieren waarop in de economie macht wordt uitgeoefend. In beginsel zijn competitieve markten systemen waarin ‘vertrek’ altijd mogelijk en soms noodzakelijk is. Als ik ontevreden ben over de kwaliteit van mijn waspoeder kan ik weigeren het nog eens te kopen en in de toekomst een ander merk kiezen. Als genoeg klanten hetzelfde doen zal de producent zijn product verbeteren of helemaal uit de markt verdreven worden. Op een vrije markt is een vertrek de normale manier om je mening kenbaar te maken.

Hirschman besefte dat markten nooit helemaal aan dit ideaal voldoen. Klanten zullen dikwijls herrie maken (Hirschman noemde dit een ‘stem’), het probleem aankaarten, een vergoeding eisen of – tegenwoordig steeds vaker – een kritische reactie achterlaten. Om een belangrijk voorbeeld te noemen: de relatie tussen werkgevers en werknemers kan niet eenvoudigweg worden opgezegd bij het eerste teken dat er problemen zijn, maar vergt onderhandelingen en vertrouwen en leidt soms tot conflicten. Kortom, er is altijd ruimte voor politiek, zelfs waar de markten de vrije teugel lijken te hebben. Door de subtiele interacties te onderzoeken tussen ‘exit’ en ‘stem’ probeerde Hirschman de verwevenheid van economie en politiek, markten en democratie in het leven van alledag te begrijpen.

Vaak zijn ‘exit’ en ‘stem’ dingen die we achter de hand houden, als rechten en niet zozeer als vormen van alledaags gedrag. De meeste consumenten blijven niet het ene merk waspoeder voor het andere inruilen, net zo min als de meeste kiezers hun parlementsleden blijven lastigvallen met vragen en klachten. Maar het punt is dat we het recht behouden om deze dingen te doen, wat ons wel degelijk een klein beetje macht geeft.

‘Ons besluit om Ierland als vestigingsplaats te kiezen had niets van doen met de Brexit’

En deze rechten kennen hun eigen domein: ‘exit’ in de sfeer van de markt, ‘stem’ in de sfeer van de politiek. Hoe kon de ideologie – of de fantasie – van de ‘exit’ de Britse politiek overspoelen? Hoe heeft een principe dat tot de markt behoort – dat van het uiting geven aan ontevredenheid door te vertrekken – de grootste constitutionele crisis sinds 1945 in ons land kunnen veroorzaken? Zo bezien is de Brexit niet zozeer een viering van de soevereiniteit of van de democratie, maar eerder een verdere ‘vermarkting’ van de politiek. Het is het fundamentele recht van iedere belegger, klant of firma om te vertrekken als dat hun goed dunkt – dus waarom zouden landen dat ook niet kunnen doen? Zoals de onderhandelaars van de European Research Group van de Conservatieve Partij ons blijven inprenten: je kunt geen goede deal sluiten als je niet bereid bent om weg te lopen.

Hirschman merkte op dat consumenten of zakenlieden die eraan gewend zijn geraakt om weg te lopen geleidelijk kunnen vergeten hoe ze hun mening op een andere manier kenbaar kunnen maken: ‘De aanwezigheid van het “exit”-alternatief kan daarom de neiging hebben de ontwikkeling van de kunst van de “stem” te verstoren.’ Misschien is in de democratische arena het omgekeerde wel waar: als de kunst van de ‘stem’ te zeer verstoord is geraakt, is er des te meer verlangen naar het ‘exit’-alternatief. Dit wil niet zeggen dat de Europese Commissie ooit heeft opengestaan voor de ‘stem’, en al helemaal niet voor de stem van het volk. Een van Camerons grootste strategische fouten bij de aankondiging van het referendum in januari 2013 was de belofte van een belangrijke unilaterale nieuwe overeenkomst over het Britse lidmaatschap van de EU, wat Brussel nooit zou accepteren.

Maar de ‘stem’ was in de Britse maatschappij al tientallen jaren vóór 2016 aan het wegkwijnen, zoals pessimistische analyses als Post-Democracy (2000) van Colin Crouch en Ruling the Void (2013) van Peter Mair hebben onderstreept. Het vakbondslidmaatschap in het Verenigd Koninkrijk piekte in 1979 op ruim vijftig procent van de beroepsbevolking, maar is sindsdien gedaald naar slechts 23 procent. De mantra van ‘keuze’ en ‘concurrentie’ op het gebied van de publieke diensten, die centraal stond in het moderniseringsprogramma van New Labour, berustte op de veronderstelling dat verbeteringen zich uitsluitend zouden voordoen als gebruikers dezelfde mogelijkheden zouden hebben om te vertrekken als zij in de particuliere sector hadden. De opkomst bij de algemene verkiezingen in 1992 was 78 procent; negen jaar later was dat nog slechts 59 procent.

Tegelijk met deze trends ontwikkelde zich een nieuwe politieke consensus met betrekking tot de mondialisering en de toenemende mobiliteit van het kapitaal, naast die van de bedrijven en rijke individuen die dat kapitaal controleren. Een van de voornaamste zorgen van de beleidsmakers vanaf midden jaren tachtig was kapitaalvlucht. Banken en hun werknemers konden naar Genève verhuizen; de superrijken konden hun geld in het buitenland onderbrengen; de obligatiemarkten konden achterdochtig worden over de plannen voor de overheidsuitgaven, zodat de rente zou kunnen stijgen; beroemdheden als Phil Collins en Tracey Emin dreigden Groot-Brittannië te verlaten als de inkomstenbelasting omhoog zou gaan. We zijn ons allemaal (te) zeer bewust van de zorgen over de immigratie in de Britse samenleving, maar de latente angst voor emigratie – door het kapitaal en de kapitalisten – heeft ons beleid de afgelopen dertig of veertig jaar in veel beslissender mate bepaald.

Hedendaagse vormen van financiële speculatie worden gekenmerkt door een zelfs nog radicaler opeisen van het recht om te vertrekken. De mentaliteit van de high-frequency trader of hedgefondsmanager is volledig gericht op het op betere voorwaarden kunnen vertrekken dan waarmee men is binnengekomen. Voor de speculant vertegenwoordigen dalende prijzen net zo’n lucratieve mogelijkheid als stijgende prijzen (gezien de praktijk van het shorten van financiële bezittingen), wat inhoudt dat instabiliteit in het algemeen aantrekkelijk is. Zolang niets voorgoed hetzelfde blijft, kun je op betere voorwaarden vertrekken dan je binnenkwam. Het enige niet-winstgevende scenario is stilstand.

Particuliere beleggingsfondsen zijn een voortdurend element geweest in de Britse glijvlucht naar politieke wanorde, hoewel hun exacte rol ondoorzichtig blijft. De Amerikaanse hedgefondsmiljardair Robert Mercer, een goede vriend van Brexit-kampioen Nigel Farage, werd ervan beticht de ‘leave’-campagne te hebben geholpen met data-analyses via zijn inmiddels failliete bedrijf Cambridge Analytica. Hedgefondsen waren in 2016 royale donateurs aan zowel de ‘leave’- als de ‘remain’-campagne, maar beide kampen hielden een mooie beloning over aan de financiële wanorde die onmiddellijk volgde op de uitslag.

Er werden vragen gesteld over de relaties tussen opiniepeilers en hedgefondsen op de dag van het referendum, op grond van zorgen dat opiniepeilers gevoelige informatie aan particuliere klanten konden hebben doorgespeeld teneinde hun het voordeel te geven de eersten te zijn die op de hoogte waren. Bloomberg berichtte in juni vorig jaar dat toen Farage in de nacht van de referendumuitslag zijn merkwaardige uitspraak deed een nederlaag te hebben geleden hij misschien al in het bezit was van gegevens van opiniepeiler Survation – vergaard in opdracht van meerdere particuliere partijen, waaronder hedgefondsen – waaruit zou zijn gebleken dat ‘leave’ zou winnen. Zijn bekendmaking vormde een kortstondige steun voor het Britse pond, waardoor de winsten omhoog gingen van speculanten die de aanstaande ineenstorting van het pond hadden voorspeld. (Farage ‘heeft de gedachte verworpen dat zijn uitspraken de bedoeling hadden de markten voor wie dan ook in beweging te brengen’.)

Individuen kunnen zich persoonlijk indekken, maar het Verenigd Koninkrijk kan dat niet

De ontdekking afgelopen zomer dat het fonds dat mede was opgericht door Rees-Mogg, Somerset Capital, Dublin als vestigingsplaats had gekozen, leek een typisch voorbeeld van ‘heads I win, tails you lose’-hypocrisie. (‘Ons besluit om Ierland als vestigingsplaats te kiezen had absoluut niets van doen met de Brexit’, aldus het bedrijf.)

Zelfs bij ontstentenis van dergelijke cynische chicanes is er sprake van een zekere gelijkenis tussen de logica van hedgefondsen en die van de hardcore-brexiteers. De hedgefondsmanagers ‘shorten’ de koersdaling van munten of aandelen, zodat verlies wordt omgezet in geld; de brexiteers zijn voortdurend bezig afstand te nemen tot de werkelijkheid van een reëel bestaande Brexit.

Beide delen een mentaliteit die allergisch is voor verplichtingen, politieke aansprakelijkheid of – het derde concept van Hirschman – loyaliteit.

Deze manier van denken is besmettelijk, met politici aan beide kanten van het House of Commons die momenteel gefixeerd zijn op kortetermijnzetten, waarbij ze voortdurend proberen te raden wat de ander gaat doen in de hoop te kunnen profiteren van diens verliezen. Het verschil is dat het, op het terrein van de financiële speculatie, mogelijk is een positie in te nemen aan beide zijden van een geschil – om jezelf in te dekken tegen de mogelijkheid dat je het bij het verkeerde eind hebt. Maar in het politieke domein komt de bewering dat je een bepaalde reeks instellingen vaarwel kunt zeggen, terwijl je zou kunnen blijven profiteren van het lidmaatschap ervan, erop neer dat je van twee walletjes wilt eten.

Individuen (waaronder de brexiteers en hun rijke geldschieters) kunnen zich persoonlijk indekken tegen de gevolgen van een vertrek, door hun bezittingen in het buitenland onder te brengen, het burgerschap van een andere staat aan te vragen of zelfs te emigreren, maar het Verenigd Koninkrijk kan dat niet. Op een bepaald moment komt politiek bedrijven neer op het bevestigen in plaats van het weigeren van iets.

Voorlopig lijkt Groot-Brittannië af te stevenen op één van twee negatieve uitkomsten: ‘geen deal’ of ‘geen Brexit’. Het onvermogen om de Brexit om te zetten in een overeengekomen reeks aanvaardbare beleidsmaatregelen vertelt ons iets cruciaals over wat de Brexit eigenlijk is: het ideaal van een terugtrekking dat op gespannen voet staat met de werkelijkheid van regeren en politiek bedrijven. Als ‘remain’ uiteindelijk toch nog aan het langste eind zou trekken is het beste wat dit kamp wellicht kan doen ‘nee’ zeggen tegen (de uitslag van) het referendum van 2016, tegen de Conservatieve politici die daar verantwoordelijk voor waren en de financiële belangen die hen steunden. De persoon die daarvoor het meest in aanmerking komt, wat zijn persoonlijke standpunt ook mag zijn, is degene die op dit moment zijn stem het minst laat horen, de leider van de Labour-partij, Jeremy Corbyn.


William Davies is socioloog en politiek econoom, verbonden aan Goldsmiths University of London. Zijn recente boeken zijn The Happiness Industry: How the Government and Big Business Sold Us Well-Being* (2015) en The Limits of Neoliberalism: Authority, Sovereignty and the Logic of Competition (2014). Dit artikel verscheen in de* London Review of Books.

Vertaling Menno Grootveld