Tót de herfst van 1967 hield Lee Evans de lippen stijf op mekaar. De littekens van de immense puinhoop die de Jim Crow-wetten nalieten, waren nochtans vers. Ook in de wijken rondom zijn Californische San Jose State University was het als zwarte jongeman een lijdensweg om aan een studentenverblijf te komen. Samen met een handvol basketballers, baanatleten of American football-spelers behoorde Evans als talentvolle baansprinter tot het zeldzame kransje zwarte studenten op de campus. Eén voor één stuitten ze op dezelfde obstakels, deelden ze dezelfde grieven: racisme en achterstelling. Door die pijnlijke ervaringen onderling te delen ontstond het Olympic Project for Human Rights (ophr). Voortaan hielden Evans en zijn zwarte studiegenoten niet langer hun mond.

In de klamme studiezalen aan de Amerikaanse westkust werden de eerste voorzichtige pennenstreken getekend waarop een lange traditie van activisme in de sportwereld is gebouwd. En Evans, die vorige week op 74-jarige leeftijd overleed, zat aan de spreekwoordelijke tekentafel. Hun beginselverklaring was glashelder: ‘We pikken het niet dat zwarte mannen worden misbruikt om de wereld te doen geloven hoeveel vooruitgang ze wel niet heeft gemaakt, terwijl de onderdrukking groter is dan ooit tevoren.’ Het was een tijd waarin zwarte atleten door het witte establishment in een voorbeeldrol werden geduwd. En individuele successen? Die dankten ze louter aan het netjes volgen van de regels.

Te midden van het puin van 1968 – getekend door het verweer tegen de Vietnamoorlog en vooral de moord op Martin Luther King jr. – stuurde het ophr aan op een boycot van de Olympische Spelen in Mexico door Afro-Amerikaanse atleten. Het verbond formuleerde tien eisen. Zo moest de naam van Muhammad Ali in ere worden hersteld. Dat de bokser principieel weigerde mee te vechten in de Vietnamoorlog kostte Ali – ‘I ain’t got no quarrel with them Vietcong’ – zijn wereldtitel. ‘Hij werd neergeslagen door het systeem net zoals wij ons de hele tijd neergeslagen voelden’, zei Evans later. ‘We konden ons allemaal met hem identificeren.’

De boycot kwam er niet, dus brachten Evans en zijn teamgenoten hun maatschappelijke verzuchtingen naar de schijnwerpers van de Spelen zelf. Het zorgde voor het meest iconische beeld uit de sportgeschiedenis. De blijvende herinnering van de Spelen in 1968 is immers de zwart gehandschoende vuisten in de ijle Mexicaanse lucht van sprinters Tommie Smith en John Carlos tijdens de medailleceremonie van de honderd meter. Het handgebaar en het gebogen hoofd als protest tegen raciale ongelijkheid, op sokken als aanklacht tegen de structurele armoede onder zwarte Amerikanen, en het opengeritste trainingspak als steun voor de arbeidersklasse. Tot afschuw van ‘patriottisch’ Amerika speelde de scène zich af op de tonen van het Amerikaanse volkslied.

Moest Evans uit protest de Spelen verlaten of tóch rennen? Hij rende

Het was breken met een heilig gewaand protocol. De hele wereld – voor het eerst werden de Zomerspelen wereldwijd uitgezonden – was getuige van een krachtig statement. Het protest zorgde bij collega-atleten, officials en pers voor heftige verontwaardiging. Het duo werd uit het olympische team geschopt en kreeg in Amerika te maken met een storm van haat en talloze doodsbedreigingen. Met hun ‘schreeuw voor vrijheid’ slaagden de atleten wel in hun opzet: op het allerhoogste sportpodium blootleggen hoe de VS, het land van de vrijheid, zichzelf en de wereld een keiharde leugen voorhield. Een land dat in sport een handig middel zag om zichzelf schouderklopjes te geven als een lichtend voorbeeld van raciale gerechtigheid.

Als kind begreep Evans niet waarom zijn vader, een cementwerker uit het noorden van Californië, visites aan hun familie in de zuidelijke staat Louisiana meed. Van Jim Crow had hij nooit gehoord. Pas op de middelbare school, toen hij de geschiedenisboeken opensloeg en geconfronteerd werd met de gruwelen van segregatie, begon het te dagen: die befaamde Amerikaanse droom is niet voor iedereen weggelegd.

Dat Evans als kind van zonsopgang tot zonsondergang op het land katoen plukte en druiven sneed, leverde hem naar eigen zeggen een uniek uithoudingsvermogen op. De atletiekbaan bleek zijn ontsnappingsroute. In de pittigste atletiekdiscipline, de vierhonderd meter, zou hij later een gouden medaille veroveren. Het is die medaille die om Evans’ nek hing toen hij met een brede glimlach, van top tot teen in zwart gehuld en met een zwarte baret op het erepodium beklom. De dracht was een eerbetoon aan de nieuw gevormde Black Panther Party, de glimlach een façade. De dag voor de race huilde hij immers van woede, onbeslist over wat te doen: uit protest de Spelen verlaten voor Smith en Carlos of toch rennen?

Evans rende tóch en etaleerde met een duizelingwekkende vierhonderd meter in 43,86 seconden – een wereldrecord dat twintig jaar standhield – zijn buitengewone sprinttalent. Voor sommigen gingen de zwarte baretten, die af gingen tijdens het volkslied, niet ver genoeg. Die roep om radicalere protestacties was tekenend voor de broze verhoudingen tussen zwarte atleten onderling over hoe de vrijheidsstrijd binnen de sport vorm moest krijgen. ‘Sommigen zouden met niets minder tevreden zijn dan dynamiet onder het erepodium’, zou Evans in 2004 verklaren.

Nee, zijn naam resoneert niet zoals die van Muhammad Ali, Kareem Abdul-Jabbar of Jackie Robinson. Ondanks die relatieve anonimiteit trad Evans, die na zijn loopbaan atletiekteams in de VS, Afrika en het Midden-Oosten coachte, op de voorgrond van een grensverleggende beweging binnen de sportwereld. Bedenk hoe jong (21) hij was. Atleten die deze zomer op de Spelen hun stem laten horen tegen onrecht, in welke vorm ook, leunen op een nalatenschap van grootse moed.