Lee Kuan Yew, 16 september 1923 – 23 maart 2015

Hij was ’s werelds beste dictator: Singapore’s leider Lee Kuan Yew. Als een eigentijdse Peter de Grote keek hij de kneepjes af van Nederland.

‘Disneyland met de doodstraf’ is een van de venijnigste etiketten die op Singapore is geplakt; meestal krijgt het piepkleine stadstaatje eindeloze lof toegezwaaid. Singapore is dan ook een van de opmerkelijkste succesverhalen van onze tijd. Begonnen als een land zonder geschiedenis, zonder grondstoffen en water, klein, arm en etnisch verdeeld, werd het een van de rijkste, efficiëntste en veiligste landen ter wereld. Het gemiddelde inkomen lag rond de vijfhonderd dollar toen Lee Kuan Yew het land naar onafhankelijkheid leidde; nu is dat 55.000 en lijkt Singapore in veel zaken meer op Noorwegen dan op grote broer Maleisië.

Het land werd ook in De Groene Amsterdammer ‘de meeste verfijnde dictatuur ter wereld’ genoemd, met kauwgomverbod en stokslagen. En een land waar de inwoners volgens een recente opiniepeiling minder ‘geluksmomenten’ ervaren dan inwoners van Syrië, Afghanistan en Irak.

Lee Kuan Yew werd als Brits onderdaan en etnische Chinees geboren in de bedrijvige, volgepakte stad die Singapore in de jaren twintig was. Zijn grootvader begon als dekbediende bij een stoomschipbedrijf en werkte zich op tot directeur, maar raakte bijna alles weer kwijt tijdens de Grote Depressie. Lee’s vader opende daarop een winkel in olie en producten van Shell. De familie had geroken aan de kansen die het Britse Rijk bood, en vanaf de basisschool zette de jonge Lee Kuan Yew alles op zijn opleiding. Hij angliceerde zichzelf grondig met tennis, cricket en debating. Hij won er beurzen mee in Maleisië en later Engeland. De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een pauze, waarin Lee zijn hoofd laag hield en eenmaal aan executie door Japanse soldaten ontsnapte. Hij verdiende zijn brood met kantoorwerk en een eigen merk lijm, genaamd Stikfas.

Na de oorlog ging Lee alsnog naar de London School of Economics (als ‘Harry Lee’) en uiteindelijk Cambridge, waar hij met prachtige cijfers afstudeerde (hoewel tot zijn ontzetting lager dan de Chinees-Singaporese dame die hij op een feest had leren kennen, en die hij zou trouwen). Na nog een tijdje actief te zijn geweest voor de Labour-partij keerde hij terug naar Singapore, overtuigd dat zijn land onafhankelijk moest worden.

Lee richtte in de jaren vijftig samen met andere in Engeland opgeleide kameraden de People Action Party (pap) op. In naam was de partij socialistisch, maar in aard pragmatisch en ideologie-vrij. Via geslepen, soms meedogenloos politiek manoeuvreren maakte Lee van de pap de heersende partij in Singapore en van zichzelf (in 1959) de eerste premier. Singapore was toen nog niet onafhankelijk en zou dat pas worden na een mislukte unie met Maleisië. Lee weende toen hij de opheffing van de unie bekend maakte, de enige keer dat hij publiekelijk emoties toonde (volgens tegenstanders omdat hij zijn ambities nu moest beperken tot een klein stadstaatje).

‘Wij beslissen wat goed is. Maakt niet uit wat de mensen vinden’

Als premier van Singapore – een post die hij 31 jaar zou bezetten – zocht Lee naar recepten om zijn land rijk en stabiel te maken. Hij reisde het Britse gemenebest af, van Zuid-Afrika tot Jamaica, op zoek naar succesvolle ex-koloniën om te imiteren, maar hij vond niets wat hem aanstond. Wel liet hij zijn oog vallen op Nederland, waar hij zowel de stadsplanning en landwinning bestudeerde als Shells model voor toekomststrategieën.

Lee wilde niet simpelweg het Westen kopiëren. Hij zocht naar methoden voor specifieke doelen, die veel verder gingen dan Singapore rijk maken. Diep beïnvloed door rassenrellen in Singapore in de jaren zestig en door de dreiging van oorlog met Maleisië en Indonesië, wilde hij Singapore zo veilig en stabiel mogelijk maken. Dat betekende torenhoge wapenuitgaven (Singapore geeft met zijn vijf miljoen inwoners meer uit aan defensie dan buurland Indonesië met zijn kwart miljard zielen), het kopiëren van de Israëlische dienstplicht en een bijna slaafse alliantie met Groot-Brittannië en de VS. Het systeem van sociale en politieke controle evolueerde van het aftuigen en opsluiten van tegenstanders tot een verfijnde vermenging van coöptatie van tegenstanders, welvaart, mediacontrole, etnische spreiding en de inzet van wetten en de belastingdienst tegen tegenstanders.

Het succes van dit model, een soort ‘vrijhandelszone plus nanny-staat’, is evident: het land heeft het op twee na hoogste gemiddelde inkomen ter wereld, bijna slaapverwekkende sociale stabiliteit, een efficiënte overheid met weinig corruptie en een hoge levensstandaard. Lee bracht zijn kinderen en familie de hiërarchie in – zijn zoon is nu premier – en richtte de politiek zo in dat de pap verkiezingen vrijwel niet kan verliezen. Het is geen wonder dat mannen als China’s leider Deng Xiaoping het systeem wilden kopiëren en Singapore model kwam te staan voor het succes van ‘Aziatische waarden’ (het opgeven van sommige vrijheden voor welvaart en orde). Lee zag ook geen noodzaak om de teugels te laten vieren toen zijn project succes had. ‘Wij beslissen wat goed is. Maakt niet uit wat de mensen vinden’, zei hij in een interview in 1987.

Een oppositieleider klaagde eens dat er ‘een klimaat van vrees bestaat in Singapore. Mensen voelen overal angst.’ Dat leidde nooit tot een opstand, maar wel moest Lee op zijn oude dag een heuse mini-lente meemaken. Bij de verkiezingen van 2011 haalde de pap maar zestig procent van de stemmen (wel 93 procent van de zetels). Deemoedig gaf de pap ‘fouten’ toe en beloofde verbetering. Maar een tweede grote politieke partij? ‘Daar geloof ik niet in’, zei Lee kortweg. ‘We hebben niet genoeg mensen voor een Team A en een alternatief.’

Beeld: 13 januari 1979, Berlijn (Chris Hoffmann / DPA / Corbis / HH)