Leed

In de wachtkamer van mijn tandarts hangen rampen. Zwartgeblakerde, dorre vlaktes met restanten van bomen. Brandende huizen langs uitgestorven straten. Autowrakken, half weggespoelde dorpen en scheefgezakte schepen op zee. Vier rijen van dertien kleine schilderijen, strak in het gelid. Raampjes met uitzicht op het einde der tijden. Er zijn geen mensen te zien en je zou denken dat het daarom meevalt, maar dat is niet zo. De afwezigheid van leven maakt het allemaal nog erger. Waar zijn de huilende moeders? De vluchtende kinderen? De reddingswerkers? De brandweermannen? Nergens. De getoonde wereld is niet eens een tranendal. Het is een donkere kloof zonder hoop. Ik moet zeggen dat ik het aanvankelijk een charmante keuze vond. Niets herinnert je zo aan de betrekkelijkheid van een wortelkanaalbehandeling als een uitputtend overzicht van Groot en Hevig Leed. Wie durft er na een aardbeving om een verdoving te vragen? Wie zeurt er over bloedend tandvlees? Ik complimenteerde mijn tandarts dan ook met dit staaltje psychologisch inzicht. Maar hij lachte. Hij had daar helemaal niet aan gedacht, zei hij. Hij vond ze gewoon mooi. En een handig formaat ook, voor een wachtkamer. Kleurrijk. ‘Gewoon mooi?’ dacht ik toen achterdochtig. ‘Wat zegt zoiets over deze man?’ Mij kwam het toch voor als een wat griezelig idee, dat de vriendelijk ogende veertiger die mijn gebit halfjaarlijks onder handen neemt een instinctieve voorkeur heeft voor ruïnes, kaalslag en verval. Maar ik was vooral verbaasd dat deze grootse comfort by comparison niet bij hem was opgekomen. Misschien is tandartsangst iets waar tandartsen zich ondanks alles niet in kunnen verplaatsen. Ze weten wel dat het bestaat, maar navoelen kunnen ze het niet. Zouden beulen zelf ook makkelijker denken over de dood? Gaan chirurgen zelf nonchalant onder het mes? Tegenwoordig peins ik vooral over deze zaken als ik met een tijdschrift plaatsneem tegenover de wand der rampen. Ik vraag me af wat mijn geestelijke winst is, beroepstechnisch gesproken. Aan welke angst ben ik ontkomen door te schrijven? Niet één, geloof ik. Aan de binnenzijde van mijn schedel hangen doeken die middelmatigheid, overbodigheid en nutteloosheid verbeelden.

Ik durf er nauwelijks naar te kijken.