Leed

Altijd als ik haar zie wendt ze haar blik af. Ze oogt bijna doorschijnend, met haar ingevallen wangen en dunne, witblonde haar. Haar ogen bewegen niet maar schieten, schoksgewijs, van het ene punt naar het andere. Een kat die een pingpongbal volgt, maar op een panische manier. Jaren geleden kwam ik haar nog dagelijks tegen, op het schoolplein. Dan rookte ze verbeten mentholsigaretten en vertelde, gevraagd of ongevraagd, wat haar die week was aangedaan. Er was haar altijd veel aangedaan. Het was ooit begonnen met een ontrouwe echtgenoot die ze betrapt had. ‘Dan was hij zogenaamd aan het werk, lag hij in ons vakantiehuisje in Kaatsheuvel gewoon met dat wijf te neuken.’ Ik herinner me vooral het ‘vakantiehuisje in Kaatsheuvel’ nog heel precies, omdat het iets was, prentte ik mezelf in, waar ik absoluut nóóit over in de lach mocht schieten. Het betreffende ‘wijf’ was een vlam van vroeger gebleken en slechts een paar dagen na de ontdekking had de man zijn spullen gepakt om bij zijn nieuwe geliefde in te trekken. Toen pas werd duidelijk dat het al vierenhalf jaar speelde. Inmiddels waren ze getrouwd, met een receptie in Kaatsheuvel. ‘Had hij nog het gore lef om de kinderen uit te nodigen. Nou, die jongens zijn ook niet gek. Ze kótsen op hem.’ Ik hield destijds mijn gezicht in de plooi en schipperde tussen zachtjes afremmen en laten razen. Nooit bijvallen, nooit aanmoedigen. Het leed werd er niet minder om. Week na week volgden er nieuwe, onverkwikkelijke feiten en gebeurtenissen. ‘Je gelooft nooit wat hij nu weer heeft geflikt.’ Gesteggel over de bezoekregeling, over Sinterklaas, over kerstcadeau’s, over de moeder van ‘dat wijf’ die de oma uit kwam hangen, over alimentatie, over de astma-inhaler van de jongste, over verdwenen zwemdiploma’s. Ik wist steeds minder goed wat ik moest zeggen. Ze leek me niet zozeer verbitterd als wel doodsbang. Voor wat haar nog meer te wachten stond, voor wat haar allemaal nog zou overkomen. Omdat het háár allemaal was aangedaan, omdat het háár allemaal was afgenomen.

In die periode dacht ik regelmatig aan het woord ‘voorpijn’, van dichter Coen Peppelenbos. Er hoort een gedicht bij dat ik graag zo nu en dan inwendig opdreun, om mezelf terecht te wijzen. Voorpijn is een broertje van angst, geloof ik. Lijden dat voor de werkelijkheid uitgaat. Nu weet ik niet wat bij haar destijds de overhand had; de voor- of de napijn. Misschien zat er simpelweg geen verschil meer tussen, misschien was dat de grootste tragiek, dat het verleden ook de toekomst leek. Langzamerhand vond ze steeds minder bereidwillige luisteraars voor haar monologen. Ze kreeg iets schichtigs. Ze ruilde haar mentholsigaretten in voor een e-smoker en verdween in een chemische appeltjesdamp aan de uiterste rand van het schoolplein. Inmiddels zie ik haar nog maar zelden, in een supermarkt of bij de kapper. Als ik haar blik probeer te vangen schieten haar ogen weg. Naar mogelijk onheil denk ik. Stront, steentjes, de brug bij Zuidhorn.

Voorpijn

Dat de spoorbrug instort bij Zuidhorn,
dat je valt op gladde gele steentjes,
benenbrekers, dat je tas in de roltrap,
dat je toch in de stront stapt, dat je
arm uit de kom, dat je doof en blind,
dat je vuiloog smeeroor goormond,
dat je een kind slaat, dat je
in je hemd staat, dat je rits open,
broek scheurt voor de volle zaal, dat je
speeksel spreekt, dat je lief gaat,
dat de kamer te hol, je bed te groot
het eten eenzaam smaakt,
dat je vulling, dat je kroon,
dat je wortels, dat de brug breekt
bij Zuidhorn.

Coen Peppelenbos, uit: Vallende mannen, Uitgeverij kleine Uil, 2011