Zoiets gaat je op je dertiende niet in de koude kleren zitten. Dus werd ik filosoof. Nu ben ik alweer dertig jaar clochard. Ik zie er niet uit en slaap in een kartonnen doos, kortom, ik doe er alles aan om niemand jaloers te maken.
Mijn theorie is: De mens is vrij zolang het klote met hem gaat. Alleen dan krijgt hij geen voorbeeldfunctie in de schoenen geschoven en wekt hij bij niemand ijdele verwachtingen.
Werkelijk, het ging mij zo slecht dat ik bijna gelukkig was. Toen maakte ik die fatale fout. Ik kreeg een leerling. Hij probeerde eerst zijn vrijheid met geld te kopen, maar toen hij na een van zijn chique feestjes in een portiek over mij heen waterde, begreep hij definitief dat de wereld geheel anders in elkaar steekt. Hij stortte in en smeekte mij om hulp. “Zelfs gezondheid is niet alles”, trachtte ik hem te troosten, maar het hielp niet.
Nu is hij totaal van mij afhankelijk. Gisteren verzocht hij me onder onze winderige brug op hem te urineren. Had ik daar maar nooit in toegestemd! Het was een walgelijke ervaring. Dus zweer ik bij de zinloze dood van mijn vader dat ik me nooit meer met de medemens zal bemoeien.