Leefde aristoteles nog maar

NA DE RAADSVERKIEZINGEN leken welhaast alle partijen gewonnen te hebben. Getreurd werd alleen over de lage opkomst. Dat is een nader onderzoek waard, vond het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarmee nam de baas van dat departement, Hans Dijkstal, afstand van zijn politiek leider Bolkestein. De VVD-aanvoerder ligt niet wakker van de terugloop in de gang naar de stembus. De thuisblijvers zijn wellicht buitengewoon tevreden burgers. Je zou je haast ongerust gaan maken over een hoge opkomst. De onvrede moet dan wel erg groot zijn.

Deze opvatting staat haaks op het republikeins ideaal. Daarin vinden de burgers het een voorrecht om zich met publieke zaken te bemoeien. Politieke participatie is burgerplicht.
HET REPUBLIKEINS ideaal grijpt terug naar de bakermat van de democratie: de marktplaats van het antieke Athene. Om dit ideaal naar de tegenwoordige tijd over te brengen is wel enige updating nodig. Vrouwen, slaven en vreemdelingen zijn nu gelijk aan de volwassen mannen, de enigen die indertijd over de politiek beslisten. Maar ook na deze aanpassing stelt de Helleense democratie ons nog voor een probleem.
De huidige liberale democratie kenmerkt zich vooral door procedures. Die zorgen ervoor dat iedereen in principe een gelijke kans heeft om een regeringsambt te verkrijgen. Als zij of hij maar voldoende steun bij het volk verwerft.
Die steun was ook voor de politieke filosoof Aristoteles noodzakelijk om macht te mogen uitoefenen. Het was echter geen voldoende voorwaarde. Aan de machthebbers zelf moesten ook eisen gesteld worden. Niet alleen moesten zij zichzelf financieel kunnen bedruipen, maar vooral werd van hen morele voortreffelijkheid verlangd. Je kunt dat een elitair standpunt noemen. Niet voor niets prefereerde Aristoteles de aristocratie, zoals hij die graag zag, boven de democratie, die hij vreesde als heerschappij van de primaire driften.
Toch lijkt het erop dat Aristoteles inspeelt op een moderne ontwikkeling. Stel dat de verkiezingsstrijd zich toespitst op de keuze Kok of Bolkestein. Op grond waarvan geven we aan de ene persoon de voorkeur boven de andere? Omdat beide heren uiterst beleefd tegenover elkaar zijn, zal de een de morele voortreffelijkheid van de ander niet betwisten. (In de Verenigde Staten is dat stadium al gepasseerd.) We zullen het dus zelf moeten uitmaken.
Om ons in die moeilijke keuze te helpen heeft zich een nieuwe tak van dienstverlening aangeboden: de ‘mannetjesmakers, of, in het Angelsaksisch jargon, de 'spin-doctors’. Zij tonen ons de 'mens’ achter de politicus. Zijn gezinsleven, zijn hobby’s, zijn literaire of muzikale voorkeuren (if any) - weinig blijft ons bespaard. En, eerlijk is eerlijk, het is voor velen best interessant lees- of kijkvoer. Maar wat hebben we daaraan? Als ik weet dat Kok zweert bij Verdi’s slavenkoor als hoogste muzikale genot, terwijl Bolkestein het houdt bij de late strijkkwartetten van Beethoven, so what?
Intussen zijn we getuige van een paradoxale ontwikkeling. Naarmate de bedrijfstak van imagobegeleiders in omvang toeneemt, neemt de deelname aan de verkiezingen af. En naarmate de opkomst minder wordt, is er weer meer aanleiding om te investeren in nieuwe reclametechnieken die de burgers ertoe moeten verleiden de stembus op te zoeken. Het is de paradox van de medische consumptie: hoe meer dokters, hoe meer zieken. Het aanbod bepaalt de vraag.
In de Verenigde Staten zijn ze al een stuk verder in dat proces. Nederlandse spin-doctors beroemen zich erop bij Amerikaanse campagnes in de leer te zijn gegaan. Dankzij de toepassing van die verworven kennis zal het Nederlandse opkomstcijfer spoedig ook het Amerikaanse peil bereikt hebben. Dat ligt bij presidentsverkiezingen rond vijftig procent. Zelfs bij de 'tweederangsverkiezingen’ voor de gemeenteraad ligt dat percentage in ons land boven de zestig procent. We kunnen dus nog veel van de Amerikanen leren.
ZAT ARISTOTELES dus fout? Toch niet. Hij vond niet alleen dat staatslieden voortreffelijke mensen moesten zijn. Hij vond ook dat ze iets te melden moesten hebben. Hij noemde dat retorica. Maar hij maakte een uitdrukkelijk onderscheid. De politieke rede verschilt in zijn opvatting volstrekt van de epideiktische redenaarskunst. De eerste is gebaseerd op innerlijke overtuiging en probeert op basis van goede argumenten anderen te overtuigen. Zij legt de basis voor een dialoog. De epideiktische retorica is daarentegen een kunstje, zoals je dat vroeger in de studentencorpora leerde. Onzin of geen onzin, als je het gehoor maar wist te amuseren. Het publiek heeft daarin alleen de functie om te luisteren en te applaudisseren.
Onmiskenbaar is de politieke rede aangetast door het epideiktische virus. Het optreden van onze politieke leiders is zelden een uitnodiging tot dialoog. Zelfs op de congressen van hun politieke partij beperken de kopstukken hun publieke inbreng tot de epiloog. De echte discussie wordt overgelaten aan de mindere goden. De vraag is of die discussie wel zin heeft. De politiek leider heeft toch het laatste woord.
Voor wie in de inhoud van de politieke opvattingen van de partijen geïnteresseerd is, leidt dit tot een uiterst verwarrend beeld. Zal de PvdA nu wel of niet de onbeperkte hypotheekrenteaftrek aan banden leggen? Zal de VVD het minimumloon te vuur en te zwaard verdedigen? Staat Rosenmöller wel voor alle onderdelen van het GroenLinkse programma? En als je helemaal niet meer onder de letterlijke tekst van je programma uit kunt, dan biedt een nieuwe definitie nog altijd een uitkomst. Het CDA had de moed om af te zien van lastenverlichting. Maar intussen is hun deze moed in de schoenen gezonken. En daar staan ze niet al te stevig in. Ook zij spreken nu van lastenverlichting. Maar dan wel in de vorm van op zich lastenverhogende subsidies.
HET EPIDEIKTISCHE virus leidt niet alleen tot onzekerheid over de vraag waar politieke partijen nu echt voor staan. In de loop van de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen is er een nieuwe onzekerheid bij gekomen: staan de politieke leiders wel voor zichzelf?
Het meest opmerkelijke voorbeeld is Frits Bolkestein. Hij is de lijsttrekker van een partij die volgens Maurice de Hond wel eens de grootste zou kunnen worden bij de kamerverkiezingen. Eindelijk een kans om minister-president te worden. Maar opeens overvalt hem een vorm van bescheidenheid die absoluut niet te rijmen valt met zijn gebruikelijke zelfverzekerdheid. Als de VVD de grootste wordt, willen we toch Kok als premier. En als die niet wil, dan maar een andere PvdA'er. Klaas de Vries van de Ser, voorzitter van de door Bolkestein zo gehekelde Nederlandse overlegstroperigheid. Of Arie van der Zwan, laatstelijk opgevallen door een vernietigende analyse van het neo-liberalisme en door zijn onverholen pleidooi voor protectionisme, dat in de ogen van de VVD-leider een doodzonde is. Het lijkt erop dat Bolkestein een marxistische machtsovername minder erg vindt dan zijn eigen premierschap. Waarvan acte.
Ook Rosenmöller kan er wat van. 'Wie Kok wil, moet op mij stemmen.’ Stel eens dat progressief Nederland daarin trapt. Dan krijgen we ofwel een premier Rosenmöller of een premier van de VVD. (Bolkestein is intussen nog steeds op zoek naar een geschikte kandidaat uit de dan gedecimeerde PvdA. Gelukkig heeft de VVD in Wiegel een eigen kandidaat die staat te trappelen.) Maar wat we niet krijgen is de beloofde premier Kok.
HET VERNIEUWDE CDA blijft trouw aan de KVP-traditie. Het linkse programma wordt niet vertaald in een linkse coalitievoorkeur. Het programma blijft daardoor een Fremdkörper. Het is wel met Kok te verwezenlijken maar niet met Bolkestein. Maar De Hoop Scheffer kan zich kennelijk niet permitteren deze eenvoudige waarheid uit te spreken.
Dan heeft Wim Kok het gemakkelijker: 'Wie Wim Kok wil, moet op Wim Kok stemmen.’ Dat is tenminste helder. Tegelijkertijd dreigt aldus een te grote duidelijkheid. Want wie Wim Kok wil, zou best eens kunnen opteren voor andere combinaties dan Paars(II, als het maar Kok(II is. Het bereik van Kok is het grootst als hij inzet op een tweede kabinet-Kok. Ook de programmatische geloofwaardigheid van de PvdA wint, als zij zich uitspreekt voor een coalitie waarin uitvoering van dat programma de meeste kans heeft.
Wonderlijk genoeg heeft Kok deze keuze nog niet gemaakt. Zolang hij de voorkeur geeft aan de voortzetting van Paars en dus gecontinueerde samenwerking met de VVD, kan hij niet voldoende afstand nemen van Bolkestein om potentiële kiezers van GroenLinks of SP over te halen om op de PvdA te stemmen. Daar staat geen winst uit het D66-kamp tegenover. Deze uitgesproken paarse partij zal zich voor de kamerverkiezingen zeker niet helemaal herstellen van de nederlaag. Kennelijk is het geen overtuigend issue om je als noodzakelijke voorwaarde voor Paars te afficheren.
VOOR KOK MOET overigens de combinatie van herstel van D66 en blijvend verlies aan GroenLinks en SP een nachtmerrie zijn. Deze nachtmerrie is evenwel waarschijnlijker dan een grote toeloop van vroegere VVD- of CDA-stemmers naar de PvdA. De links-rechtsverhouding in ons land is tamelijk stabiel. Zelfs de geoefende kiezer moet iets van duizeling voelen als hij alle denkbare zetten in het politieke schaakspel vooruit probeert te bevatten. Het moet hem evenzeer vreemd te moede zijn bij het opnemen van de actuele stand. Hij ziet een PvdA die haar winst op D66 betreurt en een coalitie prefereert met de partij die inhoudelijk het verst van haar staat. Hij ziet een VVD-leider die zijn eventuele winst niet wil verzilveren in een premierschap. Hij ziet een CDA dat twijfelt aan het eigen programma. Hij ziet een D66 dat zijn reden van bestaan niet zozeer in de eigen ideeën ziet als in de bemiddelende functie in een paarse coalitie. Kortom, alle programma’s zijn aangevreten door het epideiktische virus.
Daarom is het de hoogste tijd om terug te keren naar Aristoteles’ politieke rede. Daarin gaat het om inhoud, argumenten en overtuiging. Dat dient vooraf te gaan aan de secundaire vragen van 'wie met wie’? Hoe leuk die vragen ook zijn, uiteindelijk worden politici en hun kiezers beoordeeld op de vraag: waarom?