Crisiskunst Alleen slechte muziek vaart wel bij welvaart

Leefde Maggie Thatcher nog maar

Wat levert de crisis aan muziek op? Met welke platen komen we hem door? In tijden van economische recessie bloeit de muziek, zoals bijvoorbeeld de jaren zeventig in Engeland veel onvergetelijks voortbrachten. Met dank aan Margaret Thatcher.

HET IS DONDERDAG 16 APRIL, en in een hoekje van de LA Memorial Sports Arena staat een doos op een tafel. De twintigduizend bezoekers van Bruce Springsteens concert vanavond kunnen hier hun bijdrage in deponeren voor de voedselbank van Los Angeles.
Voordat Springsteen begint aan zijn toegiften benoemt hij wat de hele avond al boven zijn show hangt: het is crisis, mensen. Vandaar de keuze voor nummers als Johnny 99: ‘Looking for a job/ But he couldn’t find none.’
Vanavond gaan in deze stad mensen met honger naar huis, zegt Springsteen in zijn enige speech van de avond. Miljoenen banen staan op de tocht. Vandaar de aanwezigheid van de voedselbank hier vanavond. ‘Het zijn harde tijden. Je buren hebben je nodig.’
En hij zet, in de stijl van een gospel, het sleutelnummer van vanavond in, met een tekst die bijna letterlijk herhaalt wat hij zojuist vertelde. ‘Let us pause in life’s pleasures and count its many tears/ While we all sup sorrow with the poor.’
Het zijn de openingszinnen van Hard Times Come Again No More, van Stephen C. Foster, en het nummer komt uit 1854. Springsteen had ook kunnen kiezen voor een nummer uit de jaren dertig, toen de Grote Depressie doorasemde in vele songteksten. Het tekstueel aan Hard Times verwante Brother, Can You Spare Me a Dime (1931), bijvoorbeeld, uit de musical New Americana. Of We’re In the Money (1933) uit de film Gold Diggers of 1933. Het is in zijn aanstekelijke oproep tot geldsmijterij nog steeds een van de meest expliciete crisisteksten: de Grote Depressie wordt letterlijk bij naam genoemd en passé verklaard: ‘Old Man Depression you are through, you done us wrong.’
Waar crisis in de economie, daar niet alleen crisisreferenties in de popmuziek, maar ook nieuwe bands, stromingen, en personages.
De hoge Nederlandse werkloosheidscijfers van de jaren tachtig brachten de hit Koos Werkeloos van het Klein Orkest voort, al is de Koos in dat nummer geen slachtoffer, maar een zelfverkozen uitvreter. Maar die had je toen, want dat kon nog.
De werkloosheid in Engeland in de jaren zeventig leverde niet alleen de band UB40 op (bij hun oprichting bestaande uit werklozen), ook hun naam: de band is vernoemd naar het nummer van het formulier waarmee een uitkering aangevraagd moest worden. En ze bracht een van de beste platenhoezen en -titels van dat decennium voort: twee jaar na de oliecrisis was daar Supertramps Crisis? What Crisis?, met die onvergetelijke hoes van een zonnebader, wiens zonnebril en parasol hem het zicht ontnemen op de grauwe wereld om hem heen.
En het Manchester van 1976, dat moest wel een band als Joy Division voortbrengen, met muziek om in te hangen van ellende en zwaar gemoed.

TOCH LEVERDE de crisis van de jaren zeventig Groot-Brittannië vooral in indirecte zin veel muziek op: de crisis bracht Thatcher voort, en Thatcher is een zegen geweest voor het Britse muziekklimaat. ‘Thatcher fucked the kids’, zong de Britse singer-songwriter Frank Turner een paar jaar geleden. Zal best, maar zonder Thatcher geen punk aan de ene kant, en geen The Final Cut van Pink Floyd aan de andere kant, met dat bijtende: ‘What have we done to England/ Should we, should we scream?/ What happened to the post war dream?/ Oh Maggie, Maggie, what have we done?’
Het dreef de Britse Guardian-journalist David Stubbs vorig jaar nog tot de conclusie dat popmuziek wel vaart bij economische crises. Want wat leverde na die punk en new wave van eind jaren zeventig de welvaart van de jaren tachtig nou helemaal op aan popmuziek? Stock, Aitken & Waterman! En wanneer werd het weer interessant, en kwamen bands als Radiohead en Massive Attack op? Eind jaren tachtig, toen het yuppietijdperk zijn einde naderde. Conclusie: ‘Welvaart draagt niet bij aan geweldige muziek.’
Het klinkt op het eerste gehoor aantrekkelijk en aannemelijk, maar is uiteindelijk de economische variant op het cliché dat teksten over de liefde alleen maar goed uitpakken als die liefde een getroebleerde of voorbije is.

MAAR WAT TE DOEN NU, wat te draaien? Het radiostation Raar FM vroeg het onlangs zijn luisteraars. Het leverde een nogal flauwe top-honderd op, vol nummers waarvan de titel refereert aan geld, of gebrek daaraan (Money’s Too Tight to Mention van Simply Red, dat werk). Maar vooral een schrijnend gebrek aan hoop op verbetering, getuige de hoge notering van Road to Nowhere van de Talking Heads en Het komt nooit meer goed van de Tröckener Kecks.
Voor minder pessimistische muziekliefhebbers heeft de Amerikaanse psychotherapeut Mark Sichel een lijstje met nummers samengesteld. Na het succes van zijn ‘break up tape’ met muziek om een echtscheiding te boven te komen, heeft hij nu een ‘chase the enonomy tape’ samengesteld, met muziek ‘ter afleiding en om te kalmeren’ in tijden van economische recessie.
Het sleutelnummer komt van Sly and the Family Stone en is een nummer uit 1971, toen het in Amerika was afgelopen met de welvaart van het decennium ervoor. Het heet Somebody’s Watching You en de cruciale boodschap luidt: ‘The nicer the nice, the higher the price.’
In deze ‘hard times’ moeten we het daar maar mee doen.