Profiel: Neil Young

Leeftijdsloze levensredder

De Canadees-Chinese auteur Kevin Chong (30) schreef een boek over zijn jeugdidool, Neil Young (60). Het werd een feest der herkenning.

Is het werk van het Canadese rockidool Neil Young, deze week zestig jaar, anno 2005 «oude-lullenmuziek»? Niet voor Kevin Chong, een dertigjarige schrijver uit Vancouver. Chong, geboren in Hongkong, debuteerde in 2001 met de roman Baroque-a-Nova, waarmee hij redelijk succesvol was. Daarna zwoegde hij drie jaar aan een tweede roman. Toen zijn uitgever dat manuscript afwees, dreigde hij weg te vallen in de depressie van het writer’s block. Chong legde zijn manuscript terzijde en keerde terug naar zijn grootste inspiratiebron, de kracht die hem ooit had doen besluiten schrijver te worden: het werk van Neil Young.

In augustus 2004 maakte Chong met drie vrienden een 22 dagen durende reis per auto in het kielzog van zijn idool, dezelfde reis die Young veertig jaar eerder maakte (zij het in een zwarte begrafenisauto) van Winnipeg naar Los Angeles, op zoek naar erkenning als muzikant. De reis van Chong leidt door vier provincies en veertien staten, langs Winnipeg, Toronto, Thunderroad, Los Angeles, en eindigt in Auburn, Washington, waar hij zijn idool ziet optreden tijdens een benefietconcert voor failliete Amerikaanse boeren, de zogeheten Farm Aid. Tijdens de bedevaart doen Chong en zijn vrienden – bergen marihuana en spacecake consumerend – belangrijke plekken in de Young-legende aan, ontmoeten ze mensen die Young vroeger hebben gekend, ontmoeten ze «Rusties» (zoals de fanatieke clan van Amerikaanse Young-fans zichzelf pleegt te noemen, naar het album Rust Never Sleeps uit 1979) en debatteren ze eindeloos over de betekenis van Youngs rijke oeuvre. Over die reis, en over de invloed van het werk van Young op zijn eigen leven en denken, schreef Chong het boek Neil Young Nation, dat vorige maand verscheen.

Neil Young Nation brengt een nieuw element in de imponerende bibliotheek die inmiddels aan leven en werk van Neil Young (Ontario, 12-11-1945) is gewijd. Het is geen biografie, geen muziekkritiek, maar het – bij wijlen hilarische – relaas van de verhouding tussen een rockster en zijn fan. Hoewel Chong zich enige malen dicht bij zijn idool bevindt, komt het nooit tot een ontmoeting. Ook doet hij geen enkele moeite een interview met zijn idool te krijgen. Niet alleen omdat hij bevreesd is dan on middellijk in moeilijkheden te komen met Young, die bekend staat om zijn manische afscherming van zijn privé-leven en die niet zelden in de clinch lag met would be-biografen, maar ook omdat hij de afstand nodig heeft om zijn boek te schrijven. «Het vooruitzicht met Young te praten was een gruwelijke gedachte.»

«Neil Young heeft mijn leven gered», aldus Chong. «Het is vreemd maar waar: alles wat ik weet over jong zijn heb ik geleerd van een man die bijna twee keer zo oud is als ik, een man met een onderkin die hard op weg is naar de pensioengerechtigde leeftijd.» Waarna hij expliceert: «Hij strijkt tegen verwachtingen in; hij prefereert spontaniteit boven precisie, passie boven perfectie. Dat was precies wat ik in mijn leven wilde, in mijn kunst. Datgene wat Young roekeloze overgave noemt.»

Chong citeert uit de song Crime in the City: «Well, I keep getting’ younger/ My life’s been funny that way», woorden die in de ogen van Chong geen grootspraak zijn maar pure realiteit: «Voor Young is oud een keuze, een trein die je al dan niet kunt nemen. Jong is een besef van mogelijkheden, een weigerachtigheid genoegen te nemen met wat je al weet en te woekeren met je vermogens. In mijn ogen is zo’n geestesgesteldheid veel moeilijker te bereiken dan de fysieke leeftijdsloosheid zoals nieuwslezers of yoga-instructeurs die uitdragen.»

Chong zag Young de eerste keer in 1985 op de Canadese tv, waar een groep grootheden uit de plaatselijke muziekscene het Canadese antwoord op We Are the World ten gehore bracht. Onder hen ook een boomlang heerschap met een flanellen overhemd en een zonnebril. Chong, toen veertien, was meteen onder de indruk. «Hij zag er uit als een piraathouthakker tussen al het gladde en als poedels getoupeerde Canadese muziektalent», schrijft hij in Neil Young Nation. «Maar nog vreemder was die stem. Hoe was hij ooit beroemd geworden?»

Even later maakt Chong zijn definitieve bekering tot het Evangelie van Young. Die initiatie beschrijft hij heel herkenbaar: «Dit kan je bekend in de oren klinken. Een dikzak met een bril loopt een platenzaak binnen. Of een of ander schriel joch loopt de kamer van zijn oudere broer binnen. Of een of andere sukkel loopt een feestje binnen (elk van deze scena rio’s kan werken). Tot op dat moment is het leven van die jongen een serie van onophoudelijke vernederingen. Hij krijgt zijn haar nooit goed. Niemand lacht om zijn grappen. In het weekend kijkt hij video’s met zijn oma, die hem de films laat stoppen op ieder moment dat ze een vloek hoort. Hij is te lang. Hij is te klein (de details kunnen uiteenlopen). Dan komt daar de lp, het cassettebandje of de cd om de hoek zetten. De muziek die hij tot dan toe heeft ge hoord is te lomp, te lullig, te berekenend. Voor anderen werkt het misschien, en hij moet zichzelf eraan herinneren dat niemand naar muziek luistert zoals hij doet. Niet iedereen is op zoek naar troost. Maar vandaag speelt hij deze plaat af en het zorgt dat zijn haren recht overeind gaan staan, als bij een ongeluk met de scheikundedoos. Die muziek laat hem zich cool voelen. Het voelt aan als geheime informatie. Hij beseft dat hij een fan is van deze rockster, dat hij altijd zijn fan is geweest. Zelfs voordat hij ooit van hem had gehoord was hij al een fan. Hij was een fan vanaf de baarmoeder, alleen wist hij dat toen nog niet. Misschien was jij dat. Zeker is dat ik dat was. Neil Young redde mijn leven.»

Op de een of andere manier weet Chong zich te presenteren als iedere fan. Of je nu in Hongkong of in Rotterdam-Zuid bent geboren, op de een of andere manier lijkt iedere Young-fan te beschikken over dezelfde antenne. Of is het dezelfde afwijking? De stem is waarschijnlijk het eerste instrument dat toeslaat. Die ijlhoge, net tegen de rand van het valse vechtende stem, lijkt registers te beroeren waar andere zangers niet bij kunnen komen. Die stem opent deuren, of, zoals Young zelf zou zeggen, raakt aan «de subdominale hemisferen van het brein». Hetzelfde geldt voor de muziek: de hartverscheurende mondharmonica, de hoekige gitaar, de zachtjes huilende steelguitar van Ben Keith in de akoestische nummers, het epileptische geweld van de ellenlange gitaarsolo’s in de elektrische. Daarnaast zijn het de teksten. Soms wazige metaforen die voort lijken te komen uit een immer gedrogeerd bewustzijn, soms poëtische stillevens van een overdonderende beschrijvende kracht.

Kevin Chong: «Tegen de tijd dat ik klaar was met de middelbare school was Young een soort rolmodel voor me geworden. Terugkijkend had ik een slechtere keuze kunnen maken. In zijn verschijning, in zijn manier van zingen, in zijn muziek was Young de belichaming van een soort antischoonheid. Voor een onaangepaste jongen had dat aantrekkingskracht. Young zocht schoonheid in de rafelranden en uitgedragen lappen. Hij zwolg in onaangepaste noten en ziedende snaren. Zelfs de covers van zijn albums hadden een rauwe, onaffe kwaliteit. De overbelichte foto van Young op de hoes van After the Goldrush zou een werknemer in een fotolab zijn baan kosten. Jim Mazzeia’s maffe tekening voor Zuma van een naakte vrouw, een ‹danger bird›, met wat piramides, leek met de eerste blik eerder op een afgekeurde placemat voor een Denny-snackbar.»

Tijdens zijn bedevaart in het kielzog van Neil Young gaat Chong op zoek naar het geheim van de vervoering die het werk van Young in hem heeft losgemaakt. Hij vindt het vermoedelijke antwoord in een obscuur boek van Neils vader, Scott Young, een fameuze Canadese sportverslaggever – gespecialiseerd in ijshockey – die in 1984 een boek aan zijn beroemde zoon wijdde: Neil And Me. Vader Scott, die eerder dit jaar op 87-jarige leeftijd overleed, gaat in op de methode die Young gebruikt voor zijn werk. In het boek zegt Neil dat hij van zijn vader leerde dat «de meest intense manier om een idee aan de man te brengen is om jezelf helemaal bloot te geven, zodat anderen zich zouden identificeren met die naaktheid, de soms pijnlijke waarheid».

Dat geloof in authenticiteit en spontaniteit heeft Young nooit losgelaten. In 1970 bracht het hem zijn eerste grote succes: het album After the Goldrush, met tevens zijn enige nummer 1-hit: Heart of Gold (waarvan Bob Dylan overigens stelde dat het van hem was gestolen). After the Goldrush ging de geschiedenis in als muzikale mijlpaal van de jaren zeventig. De droom van de sixties was begraven en maakte plaats voor existentiële eenzaamheid en opperste melancholie. Op de binnenkant van de hoes ligt Young als Goethes jonge Werther in hippieverpakking op een bank: cowboy laarzen, slavenhoudersoverhemd, wild bestikte jeans, zijn ogen bijna vleermuisachtig achter de ravenzwarte haardos, turend in een onbestemde verre leegte.

In 1972 volgde Harvest, eveneens een klassiek album, vol grootstedelijk junkie verdriet en verlangen naar het platteland. Daarna volgden de drie meest ongepolijste popalbums aller tijden: Time Fades Away (1973), Tonight’s the Night (1974) en On the Beach (1975), drie diep persoonlijke albums waarmee Neil Young vooral zelftherapie bedreef en een groot deel van zijn verworven aanhang (dol op Heart of Gold in de supermarkt) van zich vervreemdde.

Vanaf de jaren tachtig begint de Grote Verwarring. Neil Young weigert nog langer Neil Young te zijn. Hij experimenteert met computermuziek (Trans, 1982), klassieke rock à la Elvis (Everybody’s Rocking, 1983) of onversneden hillybilly-muziek (Old Ways, 1985). Zijn nieuwe platenmaatschappij Geffen doet hem een rechtszaak aan omdat hij niet langer «Neil Young-platen» maakt. Bewijzen van onversneden artistieke kracht en integriteit, meent Chong. «Nu ik het leven van Neil Young heb bestudeerd, heb ik nog de meeste bewondering voor zijn misstappen.»

Vorige maand, na een hersenoperatie vanwege een slagaderlijke verstopping te hebben overleefd, bracht Neil Young zijn 31ste solo album uit: Prairie Wind. Wederom weet hij zijn luisteraars te vervoeren met zijn gitaar en zijn mondharmonica. De composities zijn uiterst rudimentair, maar niet zo erg als in zijn voorganger Greendale. Af en toe zit de luisteraar met kromme tenen bij de gehanteerde beeldspraak. Toch werkt het. Young verstaat nog steeds de kunst de meest afgetrapte clichés te transformeren tot nog nooit gehoorde waarheden. Dat is een deel van zijn kunst. Deze maand trad hij vier keer achter elkaar op in NBC’s Late Night with Conan O’Brien. Volgend jaar komt hij hoogstwaarschijnlijk naar Europa voor een tournee. Ongetwijfeld ook naar Nederland, waar hij sinds een historisch optreden in de Rotterdamse Ahoy’ in 1976 kind aan huis is.

Ook in Nederland leven honderdduizenden Kevin Chongs, in diverse leeftijdscategorieën.