Leeghoofden en domme blondjes

ER ZIJN grofweg twee categorieën romanlezers. De ene groep wenst tijdens het lezen zo min mogelijk aan het denken gezet te worden. De boeken waarin deze lezers zich nestelen problematiseren de werkelijkheid niet, de personages zijn op een geruststellende manier herkenbaar, de gebeurtenissen zijn alledaags noch bizar: zijn de verwikkelingen te gewoontjes, dan worden de lezers immers onaangenaam met de saaiheid van hun eigen bestaan geconfronteerd, terwijl al te vreemde situaties weer te weinig herkenbaar zouden zijn. De stijl van deze boeken vestigt de aandacht niet op zichzelf en werpt geen barrières op. Deze lezers wensen geamuseerd te worden en doen er alles aan om tijdens de lectuur hun eigen misère te verdringen.

De tweede categorie lezers wil zichzelf ontwikkelen en verrijken. Zij prefereren romans die de werkelijkheid op haar kop zetten, personages met wie zij zich slechts gedeeltelijk kunnen identificeren, verwikkelingen die maar nauwelijks aanvaardbaar zijn. Deze lezers willen dat hun wereldbeeld overhoop gehaald wordt. Hun favoriete boeken moeten met inspanning veroverd worden omdat geen enkele zin onbeduidend of vanzelfsprekend is. Iedere roman is een gebeurtenis die het leven ingewikkelder maakt.
ALS GROENE-lezer behoort u uiteraard tot de tweede categorie. U leest nooit streekromans of thrillers, maar dweept met Joyce en Borges, Proust en Pamuk. Naar soaps kijkt u nooit, u ziet liever een Oezbeekse film noir. Lacan en Derrida hebben geen geheimen voor u, van popmuziek kunt u slechts genieten indien het campgehalte hoog genoeg is. Ondanks postmodernistische geruchten als zou er geen principieel verschil zijn tussen triviale lectuur en Grote Literatuur, houdt u vast aan het onderscheid. Hafid Bouazza en Arnon Grunberg schrijven literatuur, Leon de Winter balanceert op het randje, en Connie Palmen is pulp - zo simpel is dat.
Toch is er een probleem. Binnen onze eigen cultuur menen we vrij goed te kunnen beoordelen welke boeken we serieus moeten nemen. Maar hoe zit het met werk van Arabische, Afrikaanse of Chinese auteurs? Wie is voldoende thuis in die werelden om de smachtende leek tot gids te zijn? Onze onwetendheid brengt immers het gevaar met zich mee dat we ofwel alles even interessant vinden omdat het zo exotisch is, ofwel alles afwijzen wat niet aan onze eigen criteria beantwoordt. En dat probleem doet zich niet alleen voor bij literatuur uit andere continenten, maar ook bij boeken uit onze eigen geschiedenis. Wie kan Van Maerlant werkelijk op waarde schatten? Is Julia van Rhijnvis Feith grensverleggend of alleen maar belachelijk? Lezen we Vergilius’ Aeneïs omdat we het een groots epos vinden, of omdat we geleerd hebben dat dat zo is?
EEN AARDIGE gelegenheid om onze opvattingen te toetsen wordt geboden door de hernieuwde aandacht voor de roman in de oudheid. Vormden de romans van Longos en Heliodoros een bron van literair genot voor Shakespeare, Racine en Goethe, in de negentiende eeuw kwam de klad erin. Nurkse Pruisische geleerden en victoriaanse estheten besloten dat deze boeken niet tot de literatuur behoorden, met als gevolg dat tot voor kort geen gymnasiast zelfs maar van dit genre had gehoord, terwijl ook classici de Griekse romans doorgaans alleen van horen zeggen kennen.
Voor de Romeinse tegenhangers ligt de situatie iets anders. Petronius’ Satyricon heeft, mede door de verfilming van Fellini, de status van een cultboek, hoewel het grillige Latijn zelfs voor de gemiddelde latinist taaie kost is. Gelukkig is er al heel lang een uitstekende vertaling van A.D. Leeman beschikbaar. Metamorphosen van Apuleius, een van de allersterkste prozawerken uit de oudheid, is zelfs meermalen vertaald. Beide auteurs zijn virtuoze vertellers, hun proza is geestig, scherp en scabreus, maar heeft een ernstige ondertoon. Trainspotting van Irvine Welsh, bijvoorbeeld, doet sterk aan Petronius denken.
Bij Athenaeum-Polak & Van Gennep zijn nu drie boeken verschenen die onze blik op de Europese romantraditie aanmerkelijk kunnen verbreden. Tinke Davids zorgde voor een onberispelijke vertaling van een inleiding in het genre, terwijl tegelijkertijd twee vertegenwoordigers ervan het licht zagen: Chaireas en Kallirhoë van Chariton en De liefdesperikelen van Leukippe en Kleitofon van Achilleus Tatios.
DE ROMAN in de oudheid van de Münchense latinist Niklas Holzberg is een bijzonder helder boekje. Holzberg, een bekende specialist op dit gebied, onderzoekt eerst de kenmerken van het genre, gaat vervolgens in op het ontstaan ervan, waarna hij alle bewaard gebleven specimina bespreekt. Een beknopte bibliografie completeert het geheel.
In het Athene van Euripides en Plato werden nog geen romans geschreven. Verhalend proza uit die periode kennen we alleen van geschiedschrijvers als Herodotos en Xenofon. Ook de grondige Aristoteles (vierde eeuw voor Christus), die trouwens geen principieel onderscheid tussen proza en poëzie erkent, heeft nog nooit van romans gehoord. De enige vormen van fictie die hij behandelt zijn het epos en de tragedie.
De roman moet ontstaan zijn in de zogeheten Hellenistische periode na de veroveringen van Alexander de Grote, de laatste drie eeuwen voor het begin van onze jaartelling. Tot in de late oudheid zijn er romans geschreven, maar kennelijk hebben ze nooit dezelfde literaire status als de tragedie en het epos verworven, want ze worden door vooraanstaande auteurs vrijwel nooit genoemd of geciteerd, laat staan geanalyseerd. Papyrusvondsten maken echter aannemelijk dat deze teksten vrij populair waren.
Afgezien van de twee Romeinse romans zijn er vijf in het Grieks bewaard gebleven. Daarnaast zijn er fragmenten van een tiental andere romans gevonden, die vaak net voldoende informatie bieden om een indruk van plot en sfeer te krijgen. Dit schaarse materiaal stelt Holzberg in staat drie stromingen te onderscheiden. De nu vertaalde roman van Chariton dateert waarschijnlijk uit de eerste eeuw voor Christus en is daarmee de oudste. Ruim een eeuw later beschreef Xenofon van Efese op vergelijkbare wijze de avonturen van Habrokomas en Anthia, maar dit boek is niet ongeschonden tot ons gekomen. Uit de eerste en tweede eeuw na Christus stammen de komisch-realistische werken van Petronius en Apuleius, die de romans van hun Griekse collega’s tot op zekere hoogte parodiëren.
In de tweede eeuw ontstaat er in het oosten van het Romeinse Rijk een culturele renaissance die als Tweede Sofistiek bekend staat. Onderwijs en literatuur werden gedomineerd door de retorica, prozaïsten lieten zich inspireren door de grote Atheners van zes eeuwen tevoren. De romans die vanaf de tweede helft van de tweede eeuw werden geschreven vertonen duidelijk de sporen van het intellectuele klimaat van die dagen. De romanciers laten graag merken dat ze niet van de straat zijn en hun stijl is subtieler dan die van Chariton. Uit deze periode dateren, naast Leukippe en Kleitofon, ook Dafnis en Chloë van Longos, het soft-pornografische lievelingsboek van Goethe, waarvan twee vertalingen verkrijgbaar zijn, en de Aithiopika van Heliodoros. Dit laatste werk, inspiratiebron van onder meer Cervantes en Verdi, is in 1825 voor het laatst in het Nederlands verschenen.
Welke van de vijf Griekse romans je ook ter hand neemt, de basisingrediënten zijn steeds dezelfde. Een korte weergave van de plot van Chaireas en Kallirhoë volstaat om daarvan een idee te geven. Kallirhoë en Chaireas zijn de kinderen van rivaliserende politici in Syracuse. Liefde op het eerste gezicht is het gevolg van een door de god Eros gearrangeerde ontmoeting, en na een interventie van de volksvergadering krijgen de geliefden toestemming te trouwen. Jaloerse mededingers van Chaireas zetten echter een intrige op touw met de bedoeling het huwelijk kapot te maken. Chaireas wordt wijsgemaakt dat Kallirhoë een minnaar heeft, en blind van woede geeft de goedgelovige sukkel haar zo'n trap dat ze levenloos ter aarde stort. Eenmaal begraven blijkt het arme kind echter schijndood geweest te zijn. Ze komt weer bij, juist op het moment dat rovers haar graf leeghalen. De rovers nemen haar mee en verkopen haar in Milete aan de schatrijke Dionysios, die verliefd op haar wordt. Zij wil niets van hem weten, tot ze merkt dat ze zwanger is. Om haar kind een wettige vader te geven zwicht ze voor de aanzoeken van haar meester.
Ondertussen heeft Chaireas ontdekt dat het graf leeg is. Verscheurd door schuldbesef gaat hij op reis om zijn vrouw te zoeken. Bij toeval komt hij te weten waar Kallirhoë zich moet bevinden, maar wanneer hij in Milete aankomt wordt hij onmiddellijk gevangen genomen en als slaaf verkocht aan de Perzische satraap Mithridates, die juist met Kallirhoë heeft kennisgemaakt en natuurlijk verliefd op haar geworden is. Als Mithridates verneemt wie Chaireas is, hoopt hij via hem met haar in contact te kunnen blijven. Een brief van Chaireas aan Kallirhoë wordt door Dionysios onderschept, die, omdat hij redenen heeft om aan te nemen dat Chaireas dood is, de brief als een smerige truc van Mithridates beschouwt. Hij beschuldigt de satraap bij de koning van poging tot overspel.
Koning Artaxerxes besluit Dionysios en Mithridates de zaak onder zijn toezicht te laten uitvechten. Dionysios komt met Kallirhoë naar Babylon, Mithridates met Chaireas. Dat Mithridates zelf geen blaam treft blijkt in de rechtszaal meteen. Maar wie is nu de wettige echtgenoot van Kallirhoë, Chaireas of Dionysios? Tijdens de zitting komen Chaireas en Kallirhoë oog in oog met elkaar te staan, maar gelegenheid om elkaar te spreken krijgen ze niet. Omdat ook de koning in liefde ontbrandt als hij Kallirhoë ziet, heeft hij geen haast de zaak tot een oplossing te brengen. Kallirhoë krijgt voorlopig huisarrest in de woning van de vorstin, Dionysios noch Chaireas mag haar bezoeken.
Op dat moment breekt in Egypte een opstand tegen de koning uit. Artaxerxes verzamelt een leger en Dionysios hoopt een goede beurt te maken door zich een enthousiast medestander te betonen. De vrouwen worden geëvacueerd naar het eiland Arados. In de veronderstelling dat hij Kallirhoë nu definitief kwijt is, sluit Chaireas zich bij de opstandelingen aan, die hem direct tot commandant van de Griekse huurlingen benoemen. In deze hoedanigheid weet hij eerst Tyros, daarna Arados te veroveren, waar hij met zijn geliefde herenigd wordt. Samen met Kallirhoë en de huursoldaten vaart hij naar Syracuse terug. Eind goed, al goed.
LIEFDE OP het eerste gezicht, schijndood, jaloezie, zelfmoordpogingen, zeerovers, schipbreuk, rechtszittingen en een happy ending, dat zijn de vaste bestanddelen van de Griekse romans. Plaats van handeling is de regio die Turkije, het Midden-Oosten en Egypte omvat, de historische omstandigheden zijn meestal tamelijk onbestemd.
Wat zou deze romans tot literatuur moeten bestempelen? De intriges zijn vrijwel zonder uitzondering van een moedeloos makende complexiteit en onwaarschijnlijkheid. De plot van Leukippe en Kleitofon is nog aanzienlijk ingewikkelder dan het zojuist beschreven verhaal, terwijl aan samenvatting van de romans van Xenofon en Heliodoros niet eens valt te denken.
Zijn het dan misschien de karakters die deze boeken leesbaar maken? Ook dat valt moeilijk vol te houden. Chaireas is een over het paard getild leeghoofd, die de ene ondoordachte zelfmoordpoging na de andere onderneemt. Kallirhoë is het prototype van wat men tegenwoordig een dom blondje noemt. De enige mens van vlees en bloed in Charitons roman is Dionysios, wiens tragisch karakter met subtiel psychologisch inzicht getekend is.
De roman van Achilleus Tatios is in zoverre interessanter dat de hoofdpersoon, Kleitofon, tevens de verteller is. Het feit dat Kleitofon niet alwetend is zou spanning kunnen genereren, maar helaas slaagt de auteur er zelden in dat effect te bewerkstelligen. Tekenend is het moment waarop Kleitofon ziet dat Leukippe onthoofd wordt (later blijkt natuurlijk dat het slachtoffer iemand anders was): ‘Zodra de rovers ons schip zagen aankomen voor het zeegevecht, brachten zij Leukippe, met de handen op de rug gebonden, aan dek. Een van hen schreeuwde: “Alsjeblieft! Jullie zegeprijs!” Toen hakte hij haar hoofd af en gooide haar lichaam in zee. Bij dit schrikbeeld gilde ik het uit en ik zou in zee zijn gesprongen, als de omstanders mij niet hadden tegengehouden.’ Kleitofon pikt het onthoofde lijk uit zee op, omhelst het, en roept uit: 'Laat me een kus drukken op de gapende wond van je hals, nu het noodlot mij heeft misgund dit op je gezicht te doen.’ Dit is niet spannend, dit is horror van het allerslapste soort.
ACHILLEUS Tatios heeft zijn roman intellectueel aantrekkelijk willen maken door tal van quasi-wetenschappelijke uitweidingen in te voegen. Hoogst amusant zijn de biologische wetenswaardigheden die over nijlpaarden en krokodillen worden gedebiteerd, maar wanneer Kleitofon zijn eigen emoties psychologisch analyseert, vervalt hij in oeverloos geouwehoer: 'Ik was echter niet in staat om te huilen. Dit onvermogen is een eigenaardigheid van de ogen in uitzonderlijk verdriet. Immers, bij kleine tegenslagen stromen de tranen rijkelijk. (…) Maar wanneer het ongeluk buiten proportie is, schieten tranen tekort en laten ze de ogen in de steek. In dat geval stuiten de opkomende tranen op het verdriet, dat hun vrije loop afremt en ze, evenals zichzelf, opkropt.’ Dergelijk gezwatel vormt het visitekaartje van Achilleus Tatios.
Hein van Dolen, die dit boek in de Volkskrant overigens zelf besproken heeft, is er over het algemeen in geslaagd het enigszins pedante Grieks trefzeker te vertalen. Op een enkele uitzondering na heeft hij zichzelf ervan kunnen weerhouden de tekst door dik aangezette flauwiteiten op te leuken, een betreurenswaardige neiging die zijn Herodotosvertaling van 1995 geen goed heeft gedaan. De vertaling van Chariton door Emilie van Opstall is heel goed.
Maar moet u dit nu allemaal ook gaan lezen? Als ik u was, zou ik tenminste één van de twee romans aanschaffen. Dat heeft het voordeel dat u de echte literatuur niet al te lang in de steek behoeft te laten maar toch kunt meepraten over de eerbiedwaardige voorlopers van soap en kasteelroman. En als u niet kunt kiezen tussen Chariton en Achilleus Tatios, lees dan eerst even het boek van Holzberg.