Pretenties en praktijk in de RK kerk

Leer en leven

Waarom bemoeit de rooms-katholieke kerk zich zo graag met zaken als voorbehoedmiddelen en seksualiteit? Het antwoord is even simpel als banaal: het gaat allemaal om macht. Over pretenties en praktijk van de katholieke kerk, in wezen de ware grondlegger van het gedoogbeleid.

Begin 1999 publiceerde het Vaticaan een nieuwe handleiding voor exorcisme. Dat werd ook wel tijd, want de vorige update dateerde van 1614. Volgens de persberichten werd het innovatieve karakter van het nieuwe document vooral gevormd door de grotere betekenis die aan Maria werd toegekend bij het uitdrijven van de duivel. Malligheid natuurlijk, even dwaas als bejaarde vrouwen die hun spataderen open kruipen op weg naar een heilige bron, of dorpspastoors die huilende Mariabeeldjes uitbaten. De heilige roomse poppenkraam, de kerk als openluchtmuseum voor de spiritualiteit van minder begaafden. Hetzelfde geldt voor een instelling als het celibaat, het geloof in de transsubstantiatie of het leerstuk van de pauselijke onfeilbaarheid. «Sollte man glauben dass so etwas noch geglaubt wird?» vroeg Nietzsche zich af.

Ach, waarom ook niet? Hoe ongeloofwaardiger de dogmata, hoe enthousiaster gelovigen zich eraan vastklampen. Credo quia absurdum! En als een geloof mensen troost biedt, als het hen in staat stelt zich staande te houden in een chaotische en angstwekkende wereld, wat is er dan op tegen? Bovendien, onder atheïsten leven vaak ook de meest absurde ideeën. Zo zijn tal van linkse godloochenaars er nog altijd van overtuigd dat de mens van nature goed is, en dat het de maatschappij is die hem tot een angstaanjagend creatuur maakt.

Toch moet er met de rooms-katholieke kerk iets anders aan de hand zijn, waardoor dit instituut bij vrij veel mensen een mateloze agressie oproept. Zo schreef de neo-latinist J.P. Guépin in 1966 het artikel De katholieke kerk, een misdadige organisatie, dat door een reeks weekbladen en literaire tijdschriften werd geweigerd. (Opgenomen in de bundel In een moeilijke houding geschreven opstellen, 1969.) Hierin stelde hij dat «Rome» door de veroordeling van de anticonceptiepil verantwoordelijk was voor miljoenen abortussen. Bovendien was het verbod op voorbehoedmiddelen ook de oorzaak van de overbevolking in ontwikkelingslanden, waardoor de economie van deze landen er nooit bovenop kon komen. En dat was in 1966, toen niemand nog van aids had gehoord.

Eerlijk gezegd doet de argumentatie van Guépin een beetje gedateerd, om niet te zeggen kinderachtig aan. Mensen hebben nu eenmaal hun eigen verantwoordelijkheid, en je kunt je afvragen of die Afrikaanse mannen die vrouwen in elkaar meppen zodra die met een condoom beginnen te zwaaien zulke vrome katholieken zijn. Je kunt de paus en zijn hulptroepen niet overal de schuld van geven. Interessanter is de vraag waarom de kerk zich zo graag met dit soort zaken bemoeit. Waarom moet de schaduw van het kruis zelfs over de echtelijke slaapkamer vallen? Wim Kan vroeg zich al af waarom iemand die de sport niet beoefent zich druk maakt over de spelregels.

Het antwoord is even simpel als banaal: het gaat allemaal om macht. Terwijl Jezus zijn discipelen voorhield dat zijn koninkrijk «niet van deze aarde» was, heeft de katholieke kerk altijd een voorschot willen nemen op het hemelse koninkrijk. Nu zullen rabiate atheïsten wellicht tegenwerpen dat alle godsdiensten gekenmerkt worden door totalitaire pretenties. Om te beginnen is dat niet waar, en ten tweede neemt de katholieke kerk een bijzondere plaats in te midden van de religies die wél volledige controle over hun volgelingen willen hebben. Om dit te begrijpen is een blik op de geschiedenis van tweeduizend jaar christendom noodzakelijk.

Zoals iedereen weet, was Jezus een jood uit het door de Romeinen bezette Palestina. De wereld waarin zijn leer door zijn vroegste aanhangers werd verbreid, werd echter gedomineerd door het Griekse denken. De Griekse, zeer scherpzinnige wijze van filosoferen oefende grote invloed uit op het vroege christendom, wat alleen al blijkt uit het feit dat de evangeliën in het Grieks zijn geschreven. Hoewel de christenen aanvankelijk in het Romeinse Rijk fel werden vervolgd, slaagde deze monotheïstische godsdienst erin vaste voet aan de grond te krijgen. In 313 kondigde keizer Constantijn, die zich tot het christendom bekeerd zou hebben nadat hij tijdens een veldslag aan de hemel het kruisteken had waargenomen, het Tolerantie-edict af, en vanaf 392 was het praktiseren van heidense godsdiensten expliciet verboden. Het christelijk geloof was staatsgodsdienst geworden. Hierdoor veranderde het christendom sterk van karakter. Was de Griekse invloed op het christendom vooral inhoudelijk geweest, het onovertroffen organisatietalent van de Romeinen had verregaande consequenties voor de vorm van deze godsdienst. Het christendom kreeg, in tegenstelling tot andere religies, vorm in een kerk. Geestelijk leiders komen in elke godsdienst voor, maar in de katholieke kerk kwam ook alle organisatorische macht in handen van de plaatsvervanger van God.

Niet lang nadat het christelijk geloof de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk was geworden, donderde dat rijk in elkaar. In het machtsvacuüm dat volgde op de stormloop van de barbaarse volken wist de kerk, als beheerder van het klassieke erfgoed, haar macht gestaag uit te breiden. Met het netwerk van bisschoppen had de kerk een enorme organisatorische voorsprong op de heidense warlords die het Romeinse Rijk hadden verpulverd. De wereldlijke heersers, die zich in toenemend aantal tot het christendom bekeerden, zaten echter ook niet stil en probeerden eveneens hun macht te vergroten. Nadat Karel de Grote in 800 tot keizer was gekroond, kreeg de paus er een geduchte concurrent bij. Er ontstond een eeuwenlange machtsstrijd tussen keizer en paus over de verhouding tussen de wereldlijke en de geestelijke macht, tussen regnum en sacerdotium. Zo ontbrandde in de elfde eeuw de zogenaamde Investituurstrijd, waarbij het ging om de vraag of de keizer gerechtigd was bisschoppen te benoemen. Hoewel de kerk de wereldlijke macht van de keizer en de overige vorsten niet kon ontkennen, stelde zij dat die uiteindelijk toch ondergeschikt dient te zijn aan de kerk van Rome.

Bij haar aanspraken op de uiteindelijke suprematie beriep de kerk zich op de zogenaamde Donatio Constantini. Blijkens een door keizer Constantijn de Grote uitgevaardigde oorkonde zou deze, als dank voor zijn bekering en wonderbaarlijke genezing van lepra door paus Silvester I, niet alleen een aantal kerken te Rome en het keizerlijk paleis van Lateranen aan de paus hebben overgedragen, maar ook nog het gezag over Rome en het gehele westelijke deel van het Romeinse Rijk. Omdat het «een wereldlijk keizer niet past zijn kroon te hebben daar waar de hemelse keizer hem heeft» zou Constantijn hebben besloten zijn zetel te verplaatsen van Rome naar Byzantium, dat werd omgedoopt tot Constantinopel.

Onomstreden is de Donatio Constantini nooit geweest. Zo heeft bijvoorbeeld Dante in zijn Monarchia de rechtsgeldigheid van het document betwist. Enerzijds koesterde hij de utopische verwachting dat door middel van de heerschappij van de keizer de wedergeboorte van het glorieuze Romeinse Rijk werkelijkheid zou worden. Aan de andere kant was hij van mening dat de geestelijke autoriteit van het pauselijke primaat zuiver moest blijven, en dat de kerk daarom geen vuile handen moest maken door zich met de wereldlijke macht te bemoeien.

In 1440 was het echter de humanist Lorenzo Valla die met behulp van zijn filologische fileermes onomstotelijk aantoonde dat de Donatio een hopeloze vervalsing was. Niet alleen ontbrak in de klassieke bronnen elk spoor van de toch op z’n minst spectaculair te noemen beslissing van Constantijn, en dook het verhaal pas in de loop van de negende eeuw op, ook wemelde de tekst van de anachronismen en was hij geschreven in een erbarmelijk potjeslatijn, dat onmogelijk uit de omgeving van een Romeinse keizer afkomstig kon zijn. Uiteraard bleef de kerk vasthouden aan de echtheid van «het geschenk van Constantijn», al zou de beroemde zestiende-eeuwse kerkhistoricus Caesar Baronius toegeven dat de oorkonde een vervalsing was. Aan de waarheid van de Donatio zelf mocht niet worden getwijfeld.

Eeuwenlang bleven de plaatsbekleders van Christus volhouden dat de suprematie over het wereldlijk gezag hen toeviel. De meest vergaande claim in deze werd verwoord in de pauselijke bul Unam Sanctam uit 1302. In werkelijkheid kwam er natuurlijk niet veel van terecht. Weliswaar oefenden de bisschoppen in het feodale Europa grote macht uit, maar ook zij werkten meer voor eigen rekening dan voor die van Rome. Meer en meer werd de paus een speelbal van ambities van elkaar fel bestrijdende vorsten. Op een zeker moment zijn er zelfs meerdere pausen, zetelt er een tijdje een in het Franse Avignon. Met de Reformatie, die in de zestiende eeuw losbarstte, brokkelde de werkelijke macht van het Vaticaan nog verder af. Tal van heersers zagen in het lutheranisme of het calvinisme een prima middel om van de roomse bemoeizucht af te komen. In de tijd van de opkomende natie staten was voor een organisatie met universalistische pretenties als de katholieke kerk slechts een beperkte rol weggelegd.

In Italië bleef de paus echter beschikken over uitgestrekte bezittingen. De bescherming en/of uitbreiding daarvan was meer gediend met militaire kracht dan met theologische expertise, zodat Renaissance-pausen, die werden gerekruteerd uit machtige adellijke families, vaak een allesbehalve vergeestelijkte indruk maakten. De pauselijke macht kon in Italië lang gehandhaafd blijven, omdat het land pas laat een eenheidsstaat werd. Met de voltooiing van de Risorgimento in 1870, waaraan ook de heldhaftige bijdrage van vierduizend Nederlandse zouaven niets meer kon veranderen, kwam een einde aan de wereldlijke macht van de paus. Deze sloot zich op in zijn paleis en kreeg pas in 1929, door het verdrag van Lateranen dat Pius XI sloot met Mussolini, de soevereiniteit over Vaticaanstad terug. Sindsdien is de paus weer een staatshoofd, de heerser over een rijk dat niet minder dan 44 hectare beslaat.

Wie op zijn werk niet veel te vertellen heeft, speelt doorgaans thuis graag de baas. Vandaar dat de gestage afkalving van de wereldlijke macht door de pausen zoveel mogelijk werd gecompenseerd met het vergroten van hun greep op het geestelijk leven. Dat was ook hard nodig, aangezien vanaf de Renaissance en de Reformatie, maar vooral sinds de Verlichting, het geestelijke gezag van de katholieke kerk steeds meer onder vuur was komen te liggen. In 1854 kondigde Pius IX daarom het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria af, een reeds sinds de Middeleeuwen zeer omstreden geloofsartikel. Opmerkelijk was niet zozeer de inhoud van het dogma als wel het feit dat voor het eerst in de geschiedenis een paus een kerkelijk dogma formuleerde. Tot dan toe was zoiets altijd een zaak van concilies geweest. Maar als een paus kon bepalen wat de inhoud van het ware geloof was, kon hij zich dan nooit vergissen? Vandaar dat Pius IX, die in 1864 ook al de Syllabus errorum ofwel de Lijst der dwalingen had afgekondigd, in 1870 tijdens het eerste Vaticaans Concilie door middel van een stemming onder de kardinalen liet bepalen dat hij onfeilbaar was als hij ex cathedra uitspraken deed over het geloof. Terwijl de stemmen werden geteld — een forse minderheid was tegen het nieuwe dogma — barstte boven het Vaticaan een hevig onweer los. Vier weken later werd Rome ingenomen door de nationalistische troepen.

In de daaropvolgende decennia opende het Vaticaan een wereldwijd geestelijk offensief tegen de oprukkende moderne cultuur. Hoewel onder paus Leo III de kerk wel oog had voor de schrijnende sociale noden onder grote delen van de bevolking, keerde de clerus zich vooral tegen moderne uitwassen als de democratie, liberalisme, socialisme, gewetensvrijheid, de evolutieleer en de emancipatie van vrouwen. Bij de keuze van bondgenoten in de strijd tegen de moderniteit had het Vaticaan geen gelukkige hand, zoals blijkt uit het feit dat men het graag op een akkoordje gooide met types als Mussolini, Franco en Hitler. Vooral Pius XII, de felle antisemiet die in 1939 tot paus werd gekroond, zou een funeste rol spelen.

In Nederland, waar de katholieken sinds de Tachtigjarige Oorlog slechts werden getolereerd, was met het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 de katholieke «herleving» schoorvoetend begonnen. Na 1870 ging het echter heel snel. Het hele land werd volgebouwd met foeilelijke neogotische kerken en ook boven de grote rivieren kreeg de geestelijkheid een stevige greep op de gelovigen. Het katholieke volksdeel als geheel maakte in de daaropvolgende eeuw een opmerkelijke emancipatie mee, waarbij het een forse vinger in de politieke pap kreeg, maar voor de individuele katholiek betekende het een periode van verregaande onderwerping aan de clerus.

Er zijn grofweg twee manieren te onderscheiden waarop de katholieke gelovigen in al die eeuwen reageerden op de ongebreidelde ambities en pretenties van de kerk, op haar ongegeneerde vertoon van pracht en praal, en haar machtsmisbruik. Allereerst zijn er tweeduizend jaar lang gelovigen geweest die van mening waren dat de machtswellust en praalzucht van de pausen haaks stonden op de leer van de eenvoudige timmermanszoon uit Nazareth. In afwachting van de wederkomst van Jezus zouden christenen een godvruchtig en ascetisch leven dienen te leiden. Tal van mystici en fanatici plaatsten zich hiermee in feite buiten de kerk, omdat ze het Vaticaan verweten te veel concessies te doen aan de zondige wereld. Het meest recente voorbeeld is de voormalige secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken, Frans Rutten, die onlangs een kort geding aanspande tegen kardinaal Simonis omdat deze zou verzwijgen hoe ver het verrottingsproces binnen de Nederlandse kerkprovincie inmiddels is voortgeschreden. Na hun dood worden dergelijke uitslovers en querulanten niet zelden heilig verklaard vanwege hun voorbeeldige vroomheid.

Minder heilig, maar ook minder problematisch, is de reactie van de katholieke goegemeente, die over het algemeen wordt gekenmerkt door een mentaliteit van de soep wordt niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Ze kunnen daar in Rome zo veel zeggen, maar het moet wel leuk blijven. Ooit was er een jonge homo die zich tot priester had laten wijden. Zijn geaardheid was bekend bij de bisschop, die zijn vriend na de plechtigheid had gefeliciteerd, en hij was niet van plan zijn liefdesleven drastisch te wijzigen. Wie in zijn jeugd ook maar in enige mate in aanraking is gekomen met het calvinisme, staat bij een dergelijke confidentie met de mond vol tanden. Hier schiet het verstand te kort. Maar dat is ook het probleem van het protestantisme: het is veel te intellectualistisch. Het katholicisme laat zich weinig gelegen liggen aan ratio en logica, maar weet dat het leven sterker is dan de leer en gelooft dat het vlees lekkerder is dan de botten. Akkoord, de mens is zondig, maar met een biecht op zijn tijd en wat goede werken is de zaak toch nog aardig recht te breien. In feite is de katholieke kerk de ware grondlegger van het gedoogbeleid.