Investeren in de kennissamenleving

Leergierig beleid

Het kabinet heeft elf miljard te verdelen. Helemaal naar het onderwijs, vinden leerkrachten, werkgevers en ouders. Want als Nederland zo achterblijft met investeren, zal het nog lang duren eer de kennissamenleving is gerealiseerd. De uitwassen op een rij.

OP WWW.MEEVALLER.NL wordt elf miljard gulden verdeeld. Onderwijsbonden, werkgevers-, ouder- en managementorganisaties hebben de website in het leven geroepen om minstens zeven van de elf miljard die minister Zalm van Financiën de komende tijd extra te besteden heeft, in het onderwijs te investeren. Want dat is nodig, vindt het opmerkelijke verbond van al wat het onderwijs draaiende houdt. Er is de voorbije jaren genoeg bezuinigd. Te veel zelfs. En van het resultaat wordt nu welhaast dagelijks bericht. Onderwijsredacties bij kranten en actualiteitenrubrieken draaien overuren om de rellen en relletjes te verslaan: het basisonderwijs waar sommige onderwijzers van toeten noch blazen weten en waar voor het herstellen van taalachterstanden geen tijd is, de scholen voor voortgezet onderwijs die complete klassen naar huis sturen omdat er voor bepaalde vakken geen docenten zijn, de soap rond het studiehuis, universiteiten die er financieel warmpjes bijzitten maar studies aanbieden die door visitatiecommissies volkomen worden gekraakt.

Het is mis in het onderwijs, ongelooflijk mis.


Is het beleid er nog wel op gericht van Nederland de zo lang beloofde ‘kennissamenleving’ te maken?



VORIGE WEEK woensdagavond — politiek en cultureel centrum De Balie in Amsterdam. De meevallerwebsite levensgroot geprojecteerd. Het zijn vooral klachten die over het scherm schieten, weinig suggesties over hoe de elf miljard te besteden, vooral virtueel gemopper over het niveau van primair, voortgezet en hoger onderwijs. Het onderwijs, daar discussieer je niet over. Het onderwijs, daar klaag je over.


Onder het scherm is voormalig Volkskrant-journalist Robert Sikkes begonnen met wat lijkt op de verdediging van een dissertatie. De crisis in het leraarschap, betoogt hij in zijn deze avond gepresenteerde boekje Het sprookje van de statusdaling, is een kwestie van beeldvorming — niet gebaseerd op feiten. Leraren hebben zelf in belangrijke mate aan deze beeldvorming bijgedragen, zegt Sikkes. Door bijvoorbeeld met spandoeken met teksten als: ‘Leraar worden? Begin er niet aan!’ en: ‘Stom hè, wij worden leraar’ rond te lopen. Leraren die dat doen werken zelf mee aan de imagovorming rond hun vak. Sikkes verdedigt zijn boekje tegenover een zaal opgewonden leraren. De auteur heeft de boel verdraaid, vindt de zaal. Het is een propagandastunt van het ministerie om de campagne ‘Leraar, elke dag anders’ te ondersteunen, is het verwijt.


Het boekje van Sikkes — een van de eersten die aan de hand van eenvoudig te vinden demografische gegevens (groei aantal vierjarigen in combinatie met vergrijzing op de arbeidsmarkt) adequaat de noodsituatie in het lerarencorps voorspelde — is inderdaad betaald door het ministerie van Onderwijs. Maar het maakt keurig gebruik van voor iedereen toegankelijke cijfers en heeft, op de glimlachende lerarenhoofden die het omslag sieren na, niet bepaald een propagandistisch karakter. Sikkes probeert de kluwen van mythen en feiten in het onderwijs te ontwarren. Aan de hand van glasheldere tabelletjes uit eerder gepubliceerd onderzoek laat Sikkes zien dat het met de status van de leraar nogal meevalt. Leraren denken dat zij van ‘de gemiddelde Nederlander’ een beduidend lagere waardering in ‘aanzien’ krijgen dan ze verdienen en dan ze werkelijk van die gemiddelde Nederlander krijgen. Daarbij ontkracht Sikkes de mythe dat honderd jaar geleden de leraar of dorpsonderwijzer op gelijke hoogte stond met notabelen als burgemeesters, notarissen of dominees. Leraren werden toen vooral beschouwd als ‘arme intellectuelen’.


Prachtig beroep, vindt hij het leraarschap. En lang niet zo erg als de leraren zelf zeggen: je verdient prima en je hebt lange vakanties. En je hebt vaak meer vrijheid dan in het bedrijfsleven.


Toch een beetje vreemd dat het vak zo’n slecht imago heeft.


Zoals het hele onderwijsdebat een negatieve klank heeft gekregen. Gezien de storm van ophefmakende berichten misschien wel niet geheel ten onrechte. Niet eerder was er zo’n grote overeenstemming over de deplorabele staat waarin het onderwijs zich bevindt. De overeenstemming is zo groot dat men van een crisis kan spreken. En hoewel de bijeenkomst in De Balie in samenwerking met het ministerie van Onderwijs is georganiseerd, worden ook hier harde noten gekraakt over het door de jaren heen gevoerde beleid. Twee specifieke crises die hieraan ten grondslag liggen worden sinds eind jaren zeventig in dergelijke gevallen meestal genoemd: een financiële crisis — Onderwijs ontsnapte net als de andere departementen niet aan grootscheepse bezuinigingen — en een statuscrisis: het aanzien van de leraar was tanende. Met name dit laatste punt breekt de politiek nu op. Terwijl sommige deskundigen al tien jaar geleden het huidige lerarentekort, en erger, voorspelden, zijn met ‘Leraar, elke dag anders’ pas onlangs serieuze wervingscampagnes gestart.


De ‘geestelijke spagaat’ waarin het onderwijs volgens Robert Sikkes verkeert (het beeld van een en al misère, terwijl er in het basisonderwijs niet meer bezuinigd wordt en het aantal studenten aan de pabo’s weer toeneemt) blijft in de beeldvorming echter recht overeind staan.



Maar zijn alle problemen in het onderwijs dan zwaar overtrokken? Nou nee, dat nu ook weer niet. Het onderwijsbeleid, constateert eenieder die zich er ook maar enigszins in verdiept, is een aaneenrijging van ideeën en voornemens die op het moment dat ze bijna van de grond komen of zelfs al weer bijna volbracht zijn, weer vervangen worden door nóg andere vernieuwingsmaatregelen. De aanvankelijke doelstellingen van onderwijsvernieuwing worden maar zelden daadwerkelijk gerealiseerd. Neem bijvoorbeeld de Wet op het Basisonderwijs uit 1985: kleuterscholen gingen samen met lagere scholen, waardoor de overgang wat gemakkelijker zou worden. Daarnaast zou het zogenaamde ‘adaptief onderwijs’, dat een doorbreking van het klassikale systeem beoogde door de lesstof meer af te stemmen op de wensen van de leerling, poot aan de grond moeten krijgen.


De eerste doelstelling is redelijk geslaagd, al is het maar omdat alles nu in één gebouw zit. Maar dat adaptief onderwijs is nooit echt van de grond gekomen, zegt de Nijmeegse hoogleraar Hetty Dekkers, interim-directeur van het in onderwijskundig onderzoek gespecialiseerde Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS). Dekkers: ‘Oudere leraren, die nauwelijks aan bijscholing deden, konden de overstap naar een flexibele manier van lesgeven niet maken en de jongeren die net van de pabo kwamen waren te klein in getal om hun stempel op het onderwijs te drukken.’


Waarbij we zijn aangekomen bij een volgend pijnpunt: de pabo’s zelf. Het aantal studenten mag dan sinds een paar jaar weer licht aantrekken — in tegenstelling tot de aanmeldingen bij de lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs —, de kwaliteit laat vaak nog veel te wensen over. Op de Hogeschool van Amsterdam kreeg de pabo-opleiding het zwaar te verduren. In 1997 werd door de inspectie een gele kaart uitgedeeld omdat het onderwijsniveau ver beneden de maat zou zijn. Vorig jaar kwam de inspectie terug en constateerde bar weinig progressie. De samenwerking met de voor de buitenwereld wél goed lopende Montessori-pabo had maar weinig effect gesorteerd. De kwaliteit van de Montessori ging er ook door achteruit. Een meedebatterende studente van de Montessori-pabo, afgelopen woensdag in De Balie: ‘Ik heb te doen met de studenten van de Hogeschool. Hoe kan een opleiding in hemelsnaam nog slechter zijn dan de onze?’


Afgestudeerde pabo-studenten die nauwelijks Nederlands kunnen lezen en schrijven. Het komt voor, zegt Leo Prick, onderwijscolumnist en auteur van de vorige maand verschenen onderwijsanalyse Onderwijs op de divan. Of studenten die niet zo van rekenen houden. Adri Treffers, als hoogleraar verbonden aan het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht: ‘Op de pabo’s worden gemiddeld 25 lesuren per jaar besteed aan het rekenonderwijs. Dat is zo laag dat mensen je vaak niet geloven als je het ze vertelt. Daar komt bij dat deze lesuren ook nog eens facultatief zijn. Als een pabo-student niet zo van rekenen houdt, kan hij er dus gemakkelijk onderuit. Iemand kan met een zware onvoldoende voor rekenen gewoon zijn pabo-diploma halen.’ Treffers kaartte onder het eerste paarse kabinet het probleem aan bij staatssecretaris Netelenbos, maar zonder veel succes. Treffers: ‘Ze zei dat ze me niet geloofde. Ze wilde het zelf laten uitzoeken. Nooit meer wat van gehoord. In Den Haag is men blijkbaar niet al te snel gealarmeerd.’


Van de pabo-studenten maakt het grootste deel de opleiding af, maar binnen de kortste keren verlaten ze de school waar ze aan het werk gaan. Dat komt niet alleen door de gebrekkige opleiding, zegt Treffers, maar ook doordat het beeld vaak verkeerd is. Prick: ‘Je hoort het regelmatig: leerlingen die in het voortgezet onderwijs het advies krijgen iets met dieren of iets met kinderen te gaan doen en dan voor de pabo kiezen. Maar ze moeten vooral ook hun mannetje staan in gesprekken met volwassenen: bij argwanende ouders, bij collega’s op de school. Zulke studenten komen van een koude kermis thuis. Voor díe mensen is het vak van leraar misschien echt te zwaar.’



DE STORM VAN kritiek op het onderwijsbeleid is niet van gisteren. Maar de voorgaande jaren heeft vooral geld, dat wil zeggen salarisproblematiek, de boventoon gevoerd. Prick: ‘Dat heeft me al die jaren verbaasd. Waar in Amerikaanse kranten dagelijks over het niveau van onderwijsinstellingen en de kennis van studenten geschreven werd, bleef dat in Nederland uit. En zolang de pers niet geïnteresseerd is, wordt ook geen serieus politiek debat gevoerd. Waarom besteden jullie wel aandacht aan een dik boek van politicologiestudenten en niet aan onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs? vroeg ik een journalist eens. Tja, antwoordde hij, politicologiestudenten schrijven nu eenmaal betere persberichten. In Nederland ging het niet om kwaliteit maar om geld. Er werd gediscussieerd over de hoogte van de wachtgeldregeling van leraren.’


Het meest typisch vindt Prick het drama rond de middenschool, een geïntegreerde schoolvorm voor alle leerlingen van twaalf tot zestien waarmee met name PvdA-onderwijsminister Van Kemenade in het kabinet-Den Uyl schermde. Prick: ‘Die school was een soort ideologie, een geloofsartikel van links. De middenschool werd een doel op zich, geen middel meer. Het werd een soort belijdenis. Het VVD-trio Haya van Someren, Harm van Riel en Hans Wiegel opponeerde fel tegen Van Kemenade, voor wie de middenschool een ritueel geloof was geworden. Een geloof waarover niet gediscussieerd mocht worden. De rol van de ideologie heeft hier langer een rol gespeeld dan elders in de politiek. En eigenlijk is dat nog steeds een beetje zo, al wordt het minder. Natuurlijk, er worden de afgelopen maanden door bijvoorbeeld Trouw en de Volkskrant grotere kwaliteitsonderzoeken gepubliceerd, maar discussie is er nog niet. Alles wordt eigenlijk alleen maar erg gevonden.’


De middenschool kwam er niet, de brede scholengemeenschap wel. De doorstroming tussen de verschillende schooltypen zou er beter van worden, maar in werkelijkheid bespaarde men met de enorme fusies vanaf begin jaren negentig vooral een hoop geld. Van de 1514 scholen met mavo/havo/vwo in 1975 waren er twee jaar geleden nog slechts 636 over. ITS-onderzoeker Nico van Kessel: ‘Scholen worden zo groot dat er weinig keuzes meer overblijven en er geen sprake meer kan zijn van enige concurrentie. Vooral in de landelijke gebieden speelt dat.’ De paniekverhalen over leerfabrieken worden gerelativeerd door zijn collega Hetty Dekkers. ‘De vorming van brede scholengemeenschappen heeft niet tot slechtere schoolresultaten geleid. En onderzoek heeft uitgewezen dat de leerbeleving er ook niet onder lijdt.’


Ook al discussieert Leo Prick liever over de inhoud van het beleid, geld blijft een wezenlijk onderdeel uitmaken van het debat. Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft de hoogste begroting van alle departementen: 43 miljard gulden, waarvan ruim 30 miljard naar het onderwijs gaat. Een fors bedrag. Ter vergelijking: Defensie krijgt zo’n 14 miljard, Buitenlandse Zaken 12 en Binnenlandse Zaken slechts 7,5 miljard. Maar internationaal bekeken is het niet veel. In de periode 1985-95 is nergens in de Europese Unie de stijging van de uitgaven zo gering geweest als in Nederland: 1,1 procent, becijferde Unesco, waar in Noorwegen de uitgaven stegen met 5,8 en in het Verenigd Koninkrijk met 3,3 procent.


Met het aandeel van het Bruto Binnenlands Product is het al even slecht gesteld. Waar alle landen die aangesloten zijn bij de Oeso, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, samen in 1998 gemiddeld zes procent van hun begroting aan onderwijs besteedden, bleef Nederland achter met vijf procent. Om gelijk op te gaan met de Oeso-normen zal er dus ongeveer één procent van het BBP bij moeten. Dat is zo’n acht miljard gulden — ruim meer dan de vijf miljard waarop PvdA-leider Ad Melkert inzet bij de tussentijdse begrotingsonderhandelingen die binnenkort plaatsvinden.


Ondertussen zijn de prognoses voor de uitgaven in het onderwijs niet hoopgevend, zoals blijkt uit de Kerncijfers Onderwijs 2000 van het ministerie zelf. Ondanks de miljarden die in klassenverkleining en Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) worden geïnvesteerd, zullen de onderwijsuitgaven ten opzichte van het Oeso-gemiddelde over twee jaar zelfs onder de vier procent van het BBP komen. ‘De periode van bezuinigingen is echt wel voorbij’, zegt VVD-minister Hermans kordaat in menig interview.


Geen bezuinigingen dus. Maar de dereguleringsmaatregelen van de afgelopen jaren binnen de instellingen voor hoger onderwijs — en dan met name de universiteiten —, blijken toch veelal verkapte bezuinigingsmaatregelen te zijn. Universiteiten worden afgerekend op aantallen afgestudeerden. Om studenten in vier jaar door hun studie te jagen, versoepelen veel universiteiten de curricula. Kwaliteitsverlies is ook hier het onvermijdelijke gevolg. Maar ook de in 1996 doorgevoerde Wet Modernisering Universitair Bestuur, waarmee het grootste deel van de democratiseringsmaatregelen uit de jaren zeventig werden teruggedraaid, heeft invloed gehad op de inhoud van het onderwijs. Kristian Valk, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO): ‘Studenten en docenten kunnen nog slechts adviseren en niet meer stemmen over de inhoud van het onderwijs. De positie van het College van Bestuur is in de nieuwe structuur veel te sterk geworden.’


De moderne universiteitsbestuurders runnen de academie als een commercieel bedrijf, vindt Valk. Econoom Arjo Klamer verbaasde zich daar twee jaar geleden in Het negentiende jaarboek voor het democratisch socialisme van de Wiardi Beckmanstichting al over. ‘Het beleid is eenzijdig gericht op de vorming van economisch kapitaal, met als gevolg dat het sociale en culturele kapitaal uit het zicht verdwijnen. Het beleid schiet tekort wanneer het gaat om het genereren van een kennisintensief klimaat’, schreef hij. Maar zo’n klimaat is wel hard nodig in een land waarin volgens schattingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het aandeel van de productiearbeid afneemt tot twintig procent en de ‘kenniseconomie’ zijn intrede doet. Klamer: ‘In het onderwijs is de nadruk op de ontwikkeling van het economisch kapitaal komen te liggen. Het gaat er over universitaire opleidingen in plaats van studies, over de arbeidsmarkt in plaats van het wetenschappelijke gesprek. Bestuurders en politici willen dat de universitaire studie bijdraagt aan het economisch kapitaal. Dus leiden de universiteiten vooral juristen, medische specialisten en managers op.’


Onderwijzers hebben geld nodig, leraren hebben geld nodig, professoren hebben geld nodig. De discussianten op de meevallerwebsite weten wel raad met het geld van Zalm: volledig naar het onderwijs. Want anders, zo vrezen diverse chatters in onvervalst Haags jargon, kunnen we die brainport wel vergeten.



Leo Prick, Onderwijs op de divan. Uitg. Van Gennep, 139 blz., ƒ29,90. Robert Sikkes, Het sprookje van de statusdaling. LDC Publicaties, ƒ10,-