Leerpleinvrees

Liever Hyves dan huiswerk, is het motto van leerlingen die op het leerplein zouden moeten studeren. Alles bij de hand. Een oase aan mogelijkheden, maar ze worden niet benut.

DE HERRIE IS NIET TE HARDEN. Alsof de hel op aarde is neergedaald en bijna alle boze geesten in dit pandemonium tegelijkertijd aan het woord zijn. Niemand luistert, niemand leert. Ook de goedwillende en de enkele leergierige verdrinken in deze kakofonie.
Waar ben ik beland? Op het leerplein. Wegwezen.
In de nieuwste editie van de driedelige Dikke Van Dale zoek ik tevergeefs naar het woord ‘leerplein’. In onderwijsland is deze uitdrukking in zwang gekomen tijdens de hoogtijdagen van het Nieuwe Leren, de nu - eindelijk! - kwijnende ideologie van competentiegerichtheid en zelfstandig studeren, met de docent als coach aan de zijlijn die maatwerk levert: een kilo didactiek en een gram kennis.
Het leerplein is de nawee van het Nieuwe Leren. We zitten ermee in het middelbaar onderwijs.
Vele scholen kennen zo'n plein met honderd pubers en tachtig computers, meestal gesitueerd rond de bibliotheek, pardon, mediatheek. De bedoeling was dat de leerlingen in die ruimte zouden werken. Maar er is geen beginnen aan, het leren blijkt onmogelijk, zelfs in de ingebouwde lokalen met halfdichte wanden.
De docenten blijken oppassers zonder overzicht, boekhouders zonder vakinhoud. Achter hun rug springen de computerschermen van profielwerkstuktekst in aanbouw (half of helemaal overgenomen uit andere teksten, uiteraard zonder bronvermelding) naar YouTube.
Wie als beginnend docent een tussenuur (staat wel in Van Dale) heeft en argeloos het leerplein op loopt zal zich bijna doodschrikken: tussen het geblèr, gehang, geren en googlen (Hyves, Facebook, msn, et cetera) door fluisteren de dames de laatste roddels in het oor van hun buurvrouw en hangen jongens tegen de muur in de buurt van het toilet. Een wonder dat ze geen sigaret of joint roken. Ik zit niet zomaar op een bollenstreekschool in Zuid-Holland.
Drie jaar geleden betrad ik voor het eerst het leerplein, samen met zestig (60) leerlingen. Op de balie lag een namenlijst. Iedereen diende afgevinkt te worden, aan het begin en aan het einde van mijn zogenaamde steruur (lesuur zelfstandig leren; staat niet in Van Dale). Meer dan de helft van de leerlingen, uit verschillende bovenbouwklassen, kende ik niet van gezicht. Daarom was ik niet in staat om tussen de administratieve rompslomp door welke leerling dan ook te lokaliseren op het uitgestrekte plein, laat staan dat ik wist wat ze aan het doen waren, van alles uiteraard, behalve zelfstandig leren. Zij, slachtoffers van deze onderwijsvijandige pleinarchitectuur, wisten op hun beurt dat ik geen enkel overzicht had, met alle hierboven beschreven gevolgen van dien.
Ik deed mijn beklag bij mijn afdelingsleider en direct leidinggevende: wanorganisatie, verspilling van kostbare lestijd. Ik weigerde dienst te doen op het plein en bleef op een stoel zitten, een boek op schoot. Af en toe kwam er een leerling naar me toe om iets te vragen. Die kreeg antwoord van me.
Drie maanden later pas (onderwijsmolens draaien over duizend schijven; daadkracht is een vreemd woord) werd mijn leerpleinvrees gehonoreerd: ik hoefde niet meer op dat plein te verschijnen en kreeg een ouderwets lokaal toegewezen waarin ik iedere leerling (geen zestig meer) gemakkelijk in de gaten kon houden en aan het werk houden.
Dit pleinleven - dat ik enigszins hyperbolisch heb beschreven - teistert vele scholen. Vele docenten ondergaan gelaten hun steruur of pleinwacht, of ze verlaten gillend of beschaamd zwijgend die luidruchtige ruimte en vragen zich af wanneer de decibellen hun oren niet meer kwellen. En toch krijgt iedere docent van mijn sectie Nederlands ieder jaar weer het verzoek één van de drie of vier lesuren op het leerplein door te brengen. Als ik voorzichtig vraag naar het rendement is de reactie nooit geestdriftig en vaak geringschattend. Een minderheid verdedigt het leerplein als een effectieve onderwijsplek (werkstukken of powerpoint-presentaties voorbereiden; groepswerk bespreken).
Liever Hyves dan huiswerk.
Als ik de ironie of het sarcasme achter me laat en een objectievere houding inneem, besef ik ook wel dat het leerplein voor het ene vak geschikter is dan voor het andere. Bovendien is het voor de vlijtige leerling uit h5 of v6 prettig om, als er ruimte en rust is geschapen, een plek te hebben met alle technische hulpmiddelen die je wenst - van naslagwerk tot roman, van tijdschrift tot Google Earth. Die plek werkt alleen maar als werkplek, uitgroeiend tot een oase aan mogelijkheden, als alles tot in de puntjes georganiseerd is en de docenten als alerte begeleiders hun herkenbare groepjes gevraagd en ongevraagd de weg wijzen. Dan is het plein geen verloren ruimte waarin de goedwillende en leergierige intellectueel verdwijnt.
Maar honderd leerlingen op een plein vol verleidingen (YouTube in plaats van De ontdekking van de hemel, een pornosite boven Word en het aardrijkskundewerkstuk over het povere bestaan van indianen in Peru) is vragen om chaos. En in een heksenketel gedijt geen leerling of leraar. De leraar is niet louter vleesgeworden ordedienst. En je kunt het de leerling die zomaar losgelaten wordt op het leerplein niet kwalijk nemen dat hij in dat ogenschijnlijke leerparadijs de verkeerde appels plukt.