Leerschool

Herman Tjeenk Willink wilde niet al te strakke afspraken tussen regeringspartijen, zodat een kabinet flexibel kon zijn. De situatie in Den Haag van dit moment, nu Rutte II naar draagvlak zoekt voor zijn beleid, maakt dat idee weer interessant.

Het was een stokpaardje van Herman Tjeenk Willink. De voormalig vice-voorzitter van de Raad van State pleitte meermalen voor beperkte coalitieakkoorden tussen regeringspartijen. Strakke afspraken hollen volgens hem het politieke en maatschappelijke debat uit. Bovendien, zo vond hij, belemmeren tot op de komma uitonderhandelde akkoorden een kabinet goed te reageren op omstandigheden die veranderd zijn of op ontwikkelingen die vooraf niet te voorzien waren.

Daarom zou het interessant zijn om te horen of Tjeenk Willink vindt dat de huidige Haagse situatie in de richting gaat van wat hij beoogde. Het kabinet-Rutte II gaat immers bij de oppositiepartijen en de sociale partners op zoek naar politiek en maatschappelijk draagvlak voor alle belangrijke onderwerpen uit het regeerakkoord. De codewoorden van de ministersploeg bij die zoektocht zijn: we staan open voor alternatieven, we blokkeren niks op voorhand. Ruimte genoeg voor debat dus.

Toen Tjeenk Willink in 2008 zijn klacht over de te strakke regeerakkoorden in het voorwoord van het jaarverslag van de Raad van State op papier zette, reageerde Jan Peter Balkenende (cda) met de opmerking dat een binding tussen kabinet en een meerderheid van de Tweede Kamer juist noodzakelijk is. In de toenmalige discussie hierover hoorde je vaak zeggen dat een strak akkoord vooral noodzaak is omdat regeringspartijen elkaar niet vertrouwen.

Oppositiepartijen waren daarentegen geneigd het met Tjeenk Willink eens te zijn. Of ze nou hoog of laag sprongen, veel invloed op het kabinetsbeleid hadden oppositiepartijen destijds niet als een regeerakkoord er eenmaal lag. Beide reacties waren ingegeven door de eigen rol op dat moment en het daarmee samenhangende eigen belang.

Die belangen zijn inmiddels veranderd. Het zijn nu de regeringspartijen die het belang onderstrepen van politiek en maatschappelijk debat en van een breder draagvlak dan alleen dat van de eigen fracties. De oppositiepartijen staan echter niet bij voorbaat te juichen. Zij worstelen met de vraag óf en hoe ze hun invloed vorm moeten geven, nu ze die kunnen krijgen.

De uitgestoken hand van het kabinet is ook geen gevolg van een op hoofdlijnen afgesloten regeerakkoord door een kabinet dat bewust enige afstand houdt tot het parlement, zoals Tjeenk Willink dat voor ogen had, maar van een zoektocht naar voldoende zetels in de Eerste Kamer. Een breder draagvlak is bittere politieke noodzaak en niet ingegeven door een idee over hoe politiek idealiter zou moeten functioneren.

Maar, zou je kunnen zeggen, die noodzaak onderstreept des te meer het belang van Tjeenks Willinks oproep dat regeerakkoorden niet te strak moeten zijn. Vooral omdat Rutte II feitelijk al het tweede minderheidskabinet op rij is en Nederland er rekening mee moet houden dat dit in de toekomst vaker voor kan komen.

Het pijnlijke voor de huidige regeringspartijen vvd en pvda is dan ook dat ze onvoldoende hebben onderkend dat ze een minderheidskabinet zijn toen ze afgelopen najaar het huidige akkoord sloten. De oppositiepartijen wrijven hen dat nu maar wat graag in. De uitgestoken hand was geloofwaardiger geweest als die er van meet af aan echt was geweest.

Maar de vraag is of het politiek en maatschappelijk debat ook vruchtbaarder zou zijn als de regeringspartijen dat debat waren ingegaan met slechts hoofdlijnen, zoals Tjeenk Willink bepleitte. Dus bijvoorbeeld niet met het concrete voorstel om de WW in duur te verkorten en in hoogte te verlagen, maar slechts met de hoofdlijn dat mensen zo kort mogelijk werkloos moeten zijn.

Het debat dat dan zou zijn gevolgd, zou doorspekt zijn geweest met dezelfde tegenstellingen als nu. Over het betaalbaar houden van de WW en de beste manier om mensen uit de werkloosheid te houden bestaat nu eenmaal politiek verschil van mening. Zou een voorzet voor de oplossingsrichting van de kant van het kabinet dan toch niet zinvol zijn? Wat pleit vóór een openingszet van het kabinet is dat daaruit ook een visie kan blijken. Alleen je einddoel benoemen is daarvoor onvoldoende. Over het belang van een lage werkloosheid is iedereen het snel eens. Over hoe je dat wilt bereiken niet.

Nu de werkwijze waar Tjeenk Willink voor pleitte noodgedwongen werkelijkheid wordt, doemen er ook andere concrete vragen op. Zou de consistentie van het beleid er bijvoorbeeld onder kunnen lijden als veel partijen zich erachter moeten kunnen scharen? Niet dat daarover in het verleden niet geklaagd kon worden. Maar neem de studiefinanciering. Nu het kabinet voor het sociaal leenstelsel geen meerderheid weet te vinden, ligt ook die discussie open. Maar zit dat stelsel straks nog logisch in elkaar als er met de wensen van vijf partijen rekening moet worden gehouden? Als ieder van die vijf wat van zijn gading moet krijgen, zou dat dan kunnen zorgen voor broddelwerk waar we naderhand zo snel mogelijk weer vanaf willen?

Toen Tjeenk Willink zijn voorstel deed, had hij het niet over een minderheidskabinet. Dat maakt in de praktijk echter nogal wat uit. Bij een meerderheidskabinet zonder strakke binding met de eigen fracties zijn oppositiepartijen mogelijk verheugd als ze op deelterreinen kunnen meepraten en invloed kunnen hebben. Nu is het politieke spel anders, want de oppositiepartijen weten dat ze macht hebben. Sommigen framen het zoeken naar draagvlak door Rutte II dan ook als een probleem van het kabinet, en niet als de kans op betere politieke besluitvorming.

Toch is de huidige politieke situatie, al is het dan noodgedwongen, een leerschool in wat Tjeenk Willink voor ogen had. Het is wel een harde leerschool. Misschien had Balkenende toch meer gelijk dan zijn critici destijds dachten. Maar door kiezersbewegingen is er niet zo maar een weg terug.