Lees het boek

De Engelse film ‘Trainspotting’ moet iedereen deze week gaan zien. Schijnt. Enkele jaren terug was ‘Trainspotting’ nog gewoon een sterk, enigszins onbestemd boek over heroïneverslaving in Edinburgh.
DE ROMAN TRAINSPOTTING van Irvine Welsh begint met een hoofdstuk dat ‘The Skag Boys, Jean-Claude Van Damme and Mother Superior’ heet. In de eerste zin van dat hoofdstuk wordt de lezer geconfronteerd met een junk die heroïne nodig heeft.

In de Nederlandse vertaling heet het: ‘Het zweet gutste Sick Boy van het gezicht; hij beefde als een riet.’ In het origineel: 'The sweat wis lashing oafay Sick Boy; he wis trembling.’ In dat eerste hoofdstuk kijken de jonge junks Mark Renton en Sick Boy naar een Jean-Claude Van Damme-video. Maar ze moeten scoren. Met de taxi gaan ze naar hun dealer. Er ontstaat bijna een vechtpartij onderweg. Bij de dealer, Mother Superior, zijn ook Raymie en Alison. Raymie zet Heroin op, van Lou Reed. Iedereen krijgt een shot. Er wordt wat geouwehoerd. Alison vertelt dat ene Kelly verliefd schijnt te zijn op Mark Renton. Kelly kan wel een opkikkertje gebruiken na haar laatste abortus. Zou Mark Renton niet eens bij haar langs gaan? Mark overweegt het. Maar als je net je heroïnekick achter de kiezen hebt, kan de erotiek wel even wachten. Dat geldt niet voor Alison en Sick Boy. Die trekken zich met verveelde gezichten terug in de slaapkamer om te neuken. Mark Renton gaat met de bus naar huis. Kan hij de rest van die film met Jean-Claude Van Damme nog zien.
Trainspotting is ook de titel van het toneelstuk naar de roman, een bewerking door Harry Gibson. Eerste zin in het toneelstuk: 'Fuck!… Ah woke up in a strange bed, in a strange room, covered in ma own mess.’ De openingsscène van het toneelstuk bevindt zich ongeveer op een derde in de roman. In het toneelstuk (en in de roman) wordt Mark (in de roman figureert in deze scène een andere persoon, namelijk David) wakker in een bed dat hij niet herkent. Hij heeft in dat bed gepoept en gepist en gebraakt. Dan herkent hij de omgeving. Het is het huis van de ouders van zijn vriendin Gail Houston. Alles wordt verteld middels een lange, beschrijvende, gekunstelde, want vooral 'toneelmatige’ monoloog van Mark. In de roman is sprake van veel levendiger dialogen, opzettelijk verwarrend doorsneden met beschrijvingen vanuit het vertellersperspectief. De moeder van Gail wil het laken schoonmaken. In de ontbijtkamer weet ze het laken uit de handen van Mark te trekken. De gore bende vliegt in het rond.
VOOR DE OPENING van de film Trainspotting heeft scriptschrijver John Hodge een scène geschreven die in de roman helemaal niet voorkomt. We zien rennende benen. Die blijken van de hoofdpersoon Mark Renton te zijn. Vlak voor hem rent medejunk en maatje Spud. We zien diverse voorwerpen die half in hun jasjes zitten verstopt zoals pennen, cassettebandjes, cd’s, 7 flesjes eau de toilette, zonnebrillen. De twee worden achtervolgd door mannen van het bewakingspersoneel van een warenhuis. Als Mark Renton de straat over rent, kan een auto met gierende remmen nog net stoppen. Mark glimlacht.
Het beeld verspringt. Nu zien we junks in een afbraakpand. Al die tijd klinkt er een voice-over. Daarin brengt Mark Renton een moralistische boodschap die als motto de kijker zal beïnvloeden: Je kunt kiezen voor al die consumptieartikelen van de westerse maatschappij er worden (er een stuk of tien opgesomd), je kunt voor de toekomst kiezen, voor je leven, maar: 'I chose not to choose life: I chose something else. And the reasons? There are no reasons. Who needs reasons when you’ve got heroin?’ Deze tekst komt niet voor in het boek.
In de Nederlandse zaterdagkranten van vorige week werd geadverteerd voor de Nederlandse première van de film Trainspotting. Vier trendy jongeren worden in stripachtige fotootjes gepresenteerd, met daarbij 'maffe’ bijschriftjes als: 'Naam: Diane. Sport: Dubbelhandig discodollen. Hobby’s: Oudere kerels verleiden, New Order, zingen onder de douche.’ Het woord heroïne wordt in de advertenties vermeden. Het imago dat de campagne verspreidt is: Trainspotting is een film in de sfeer van 'Je bent jong en je wilt wat’. Een film die je niet mag missen, want iedereen die met z'n tijd meegaat heeft hem gezien. En er valt ook veel bij te lachen. Vertaalslagen. Werkelijkheden. Of: hoe ergens de heroïnescene in Edinburgh via tienduizend omwegen in verhalen en verhaaltjes werd omgetoverd.
HOEWEL HET oorspronkelijke boek Trainspotting een roman genoemd wordt, kun je je afvragen of dat wel een goede benaming is. Verschillende hoofdstukken dan wel verhalen eruit werden eerder apart in tijdschriften gepubliceerd. Dat kan ook heel goed, want ze vormen zelfstandige gehelen. Een opbouw zit er in het boek dan ook nauwelijks. Eerder stralen de verhalen, hoofdstukken en losse dagboekfragmenten sfeer naar elkaar uit en keren sommige personages terug, waardoor het geheel toch op een compositie lijkt.
Opeens gebeurt er aan het einde van alles. Dat vind ik niet sterk aan het boek. Het is alsof de schrijver er een punt aan wilde draaien. Mark Renton, die dank zij het opzettelijk onbetrouwbare vertellersperspectief van het boek nooit echt de hoofdpersoon is geworden, wordt dat in het laatste hoofdstuk tegen wil en dank wel. Door toeval krijgt het groepje vrienden (dat zich eerder in het boek nog niet zo duidelijk als groepje manifesteerde) goedkoop een grote zak heroïne in handen. Ze gaan op eigen houtje naar Londen om het spul in één keer aan een vertegenwoordiger van de onderwereld te verkopen. Dat lukt. Opeens zijn ze rijk. Stiekem gaat Mark Renton er met het geld vandoor. Naar Amsterdam. Om een nieuw leven te beginnen. Einde boek.
Dat laatste, eraan vast geplakte hoofdstukje is door de filmmakers dankbaar opgepikt. De scriptschrijver besluit alleen Mark Renton niet naar het ook al weer onbestemde Amsterdam te sturen. In de film keert Renton met al dat geld terug naar de burgerlijke samenleving waar hij zich al die tijd zo tegen heeft afgezet. Een flink deel van de film gaat over dat laatste, lullige hoofdstukje, dat de schrijver eigenlijk achterwege had moeten laten. Maar in dat hoofdstukje gaat het opeens over zaken waar men in de filmwereld alles van snapt: maffia, verraad, geld, gevaar, intriges. Dat is andere koek dan dat amorfe heroïnebestaan, dat draait om scoren, niet scoren, ziek zijn, nog zieker zijn, afkicken, opnieuw beginnen, aids krijgen, geen aids krijgen.
Een commercieel argument voor verfilming was er beslist. Het boek, oorspronkelijk verschenen in 1993, werd van een culthit geleidelijk aan een bestseller. Wat op zich al opmerkelijk genoeg was. Boeken over junks, zou je zeggen, hebben we dat zo langzamerhand niet gehad? Misschien wel.
Maar Trainspotting was ook nog eens een goed boek. De verkoopquote van mede-junk-auteur William Burroughs op het omslag - 'De Schotse Céline’ - vond ik terecht. En dat niet alleen door de bekende gedachtenpuntjes en uitroeptekens die Welsh net als Céline zo graag hanteert. In z'n hele malende, duwende, wrikkende, woedende spreek- dan wel schreeuwstijl heeft Welsh veel van Céline. Een wellustige, duivelse handelaar in ellende is Welsh. Bovendien heeft hij, net als Céline, een waar proletarisch gevoel voor de kleine man die door het onzichtbare systeem van de macht altijd en eeuwig in de shit wordt gewenteld. Irvine Welsh is een schrijver als Louis Paul Boon. Ook zo'n stilist. Ook een schrijver die je in ere zou moeten houden door hem juist niet te verfilmen.
EN TOCH. Je kunt ook zeggen: juist die weerbarstige vormeloosheid kan voor de scriptschrijver een uitdaging zijn. Al was het maar om een uitzondering op de regel te maken. Het dogma is: wat dramatisch kan werken in een boek, een vorm van plotloosheid waarbij het vooral om 'de sfeer’ gaat en om een zekere ritmiek en een zeker muzikaal gevoel die het dwingend maken, dat werkt niet in een film. Zo hoor je het vaak. In reportages over scriptschrijvers in Hollywood bijvoorbeeld. Gevraagd naar wat een script goed maakt, komen de vaklieden steeds met: Er moet een tegenstelling zijn, een duidelijk te omschrijven drama, een ontknoping. What’s the story? Als de crux niet in één zin neergezet kan worden, dan zal het nooit wat worden met die film. Dus: Man maakt door drank einde aan zijn leven in Las Vegas en wordt verliefd op vrouw. Wezens van andere planeet dreigen aarde te vernietigen, maar het loopt op het allerlaatste moment nog net goed af. Na lange strijd en met onevenredig veel verliezen wordt de heuvel veroverd door leger.
Omwille van dat dogma gebeuren er gruwelijke dingen met boeken als die verfilmd worden. Een hele slachtpartij is het. De boeken worden uit elkaar getrokken, in elkaar gedrukt, verknipt, verkreukeld, verstrooid. En dan soms toch ook weer van de grond af aan omgebouwd tot iets dat weliswaar alleen maar qua bouwstoffen iets met het origineel te maken heeft, maar toch schittert. Een sterk voorbeeld vond ik de verfilming van een aantal losse Raymond Carver-verhalen door Robert Altman in Short Cuts. Altman is net als Carver een oeuvrebouwer, een man met een stijl, een denktrant op zichzelf. Maar precies op de omgekeerde manier. Want terwijl de kracht van de verhalen van Carver schuilt in het vormen van de willekeur, het onaffe, daar legt Altman juist samenhangen waar niemand die zou zien. De een fragmenteert, de ander componeert.
John Hodge, de scriptschrijver van de film Trainspotting, schrijft in een voorwoord bij het gepubliceerde script hoe hij eerst zelf een script verzon. Dat werd een succesvolle Engelse film: Shallow Grave. Vanwege dit succes kwam de producer, Andrew Macdonald, opnieuw bij de scriptschrijver langs, nu met het succesboek Trainspotting. Hodge las het boek en was zwaar onder de indruk. Ook wist hij precies aan Macdonald te vertellen waarom dit dus juist geen film moest worden. Ten eerste omdat het een verzameling los samenhangende verhalen was, met alleen naar het einde toe een continue narratieve vorm. Ten tweede omdat de karakters werden ontwikkeld door middel van interne monologen. De producer luisterde, knikte en bood meer geld. Hodge las het boek opnieuw. Dit keer, schreef hij, ontdekte hij onder al dat stilistisch geweld en alle inhoudelijke gruwelijkheid ook menselijkheid en diepgang. Maar nog steeds zag hij er geen film in.
Er werd besloten tot een twee weken durende 'breinstorm’ in afzondering. Voor de derde keer las Hodge het boek. En begon te schrijven. Het moest een begin, een midden en een eind krijgen en als film negentig minuten duren. Hij moest daartoe verschillende karakters ombouwen, gebeurtenissen en dialogen van het ene karakter naar het andere verplaatsen, details in het boek opblazen tot complete scènes, en andere scènes zelf bedenken. Hele stukken moesten ook sneuvelen, zoals Hodge’s meest favoriete scène: 'Memories of Matty’.
DAT HODGE JUIST dit verhaal als voorbeeld geeft, frappeert me omdat hij daarmee blootgeeft op welke wijze de angel uit het boek werd gehaald. 'Memories of Matty’ is een van de hoofdstukken over de dood. In dit geval de crematie van een van de junks uit het boek. (De hele persoon Matty is trouwens voor de film geschrapt. Net als veel te veel andere personen.)
De dood is in het boek veelvuldig aanwezig. Het is een zwaar mineurakkoord dat telkens aangeslagen wordt. Zo is er een hoofdstuk waarin een dode oom weer tot leven lijkt te komen, maar hij blijkt warm en zweterig te worden door de elektrische deken die de familie heeft laten aanstaan. De twee vroeg gestorven broers van Mark Renton, de één een leven lang invalide, de ander soldaat in Noord-Ierland, zijn ook verdwenen. Welsh gebruikt de dood niet alleen om deze aan de heroïne te verbinden. Ook kan hij door het veelvuldig laten overlijden van zijn personages aandacht schenken aan een ander element dat in het boek nadrukkelijk aanwezig is en in de film naar de achtergrond is geschoven: het familieleven.
Door het goeddeels verwijderen van de dood en het familieleven weet scriptschrijver Hodge zowel een hoop somberte als een hoop herkenbare alledaagsheid aan het dramatisch materiaal te verwijderen. Zo kan Hodge het materiaal makkelijker boetseren in de richting van een teenagerfilm, een film over een jongensclub, een film ook over criminaliteit. Commercieel interessant natuurlijk. Maar dat zijn weer de elementen die in het boek juist alleen op de achtergrond aanwezig zijn. Misschien omdat Welsh niet bijster originele maar toch wel eigenzinnige ideeën over drugs heeft. Welsh ziet druggebruik niet als de uitzondering maar juist als de regel. Niet iets voor losgeslagen jongeren, maar juist wezenlijk voor de westerse samenleving. In de inleiding bij de toneelversie van Trainspotting schrijft Irvine Welsh dat Engeland, net als de andere westerse landen, qua sociale interactie wordt gedefinieerd door drugs. We zijn dus allemaal drugsstaten. Junks zijn niet de uitzonderingen, ze zijn niet de freaks, ze zijn wijzelf.
In de film verwatert deze boodschap. Sterker nog, de boodschap wordt ondergraven door het motto aan het begin, waarin de tegenstelling tussen burgerlijke en niet-burgerlijke wereld wordt geaccentueerd. En door Mark Renton aan het einde weer terug te laten keren naar die burgerlijke wereld, bij wijze van happy end. Ook ontstaat er in de film een scherpe lijn tussen drinkers en spuiters, terwijl in het boek juist opvalt hoe al die verslavingen met elkaar te maken hebben. Des te pijnlijker dan ook dat Irvine Welsh zelf als acteur in de film aanwezig is en zich op die manier prostitueert. Daar staat mijn verstand bij stil.
Lees het boek.