Deel #10: Liberaal en homovriendelijk in Tripoli

Leesclub in Tripoli

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 10: hoe Sahar’s homovriendelijke coffeeshop een conservatieve stad opent voor de wereld.

Sahar Minkara

In de islamitische en conservatieve Libanese stad Tripoli runt Sahar Minkara (45) een coffeeshop. Die is homovriendelijk, kosmopolitisch en liberaal. Nadat ze door drie gewapende mannen wordt bedreigd, trekt ze een minirok en naaldhakken aan en poseert ze op de stoep voor haar café. Tripoli, zegt Sahar, is er ook voor mensen zoals zij.

Het is geen straf om van Beiroet naar Tripoli te wandelen, de laatste stad in het noorden van Libanon. Pal langs de kust slingert zeventig kilometer lang de Seaside Road. Terwijl op een halve kilometer land inwaarts het verkeer over een snelweg raast, draait de Seaside Road landerig door dorpen en stadjes met moskeeën en kerken, winkeltjes, koffietenten, tankstations, autowerkplaatsen en daverende dieselgeneratoren, want Libanon heeft een chronisch tekort aan elektriciteit.

In Beiroet werd ik voor Tripoli gewaarschuwd. ‘Tripoli loopt honderd jaar achter.’ ‘Beiroet is kosmopolitisch en liberaal. Tripoli is arm en islamitisch.’ Bovendien zijn veel Tripolitaanse moslims van de meest orthodoxe, salafistische soort. En dan zit de stad, op dertig kilometer van de Syrische grens, ook nog eens tjokvol vluchtelingen. Ik zou er heel wat beter aan doen om de stad domweg te vermijden.

Een betere aansporing heb ik doorgaans niet nodig om op weg te gaan. Bovendien ben ik benieuwd naar een bekende en spraakmakende inwoner van Tripoli. Dat is interieurontwerper en café-eigenaar Sahar Minkara, een vrouw die de afgelopen jaren het gezicht werd van de homovriendelijke, liberale en creatieve kant van Tripoli.

Wanneer ik Tripoli in de namiddag nader, is de armoede al onmiskenbaar. In Beiroet worstelde ik me doorlopend door kriskras geparkeerde Porsche’s, zware GMC’s en geblindeerde Lexussen. Op zo’n tien kilometer van Tripoli doemen vooral Mercedessen op die in de jaren zestig uit Duitse fabrieken rolden. Roestig, ronkend en rammelend zoeken ze hun weg naar de stad. Ook de Syrische oorlog is al goed voelbaar. Er zijn veel checkpoints van het Libanese leger en steeds vaker loop ik langs geïmproviseerde vluchtelingenkampjes. Vrouwen staan er gebogen over tobben met was. Kinderen spelen in modderig regenwater en rokende kachelpijpjes steken uit de dekzeilen met het logo van de UNHCR.

Veel huizen in Tripoli blijken ronduit bouwvallig, al valt me dat nog niet meteen op. Want de oprijzende flats die de stad omgeven, worden door de ondergaande zon in een gouden gloed gezet. Pas wanneer deze in de Middellandse Zee is gezakt, zie ik de oude gebouwen met veel kogelgaten en bedekt met dikke lagen stof. Op straat lopen vooral mannen, waarvan velen mij met een ‘welkom’ en een hand op de borst begroeten. Vrouwen zwaaien vanaf balkons. Een rugzaktoerist is hier nog een noviteit. Vier jongens op motorfietsen cirkelen om me heen, stappen af en vragen of we samen op de foto kunnen. Het is bijna zeven uur en vanaf een half dozijn minaretten klinkt gelijktijdig de oproep tot gebed. Mijn entree had saaier kunnen zijn.

Twee dagen later tref ik Sahar in haar café. Ze woont al heel haar leven in Tripoli. En dat is bijzonder. Want Sahar is alles wat Tripoli op het eerste gezicht niet is. Haar truitje eindigt ruim boven haar navel, een omslagrok laat een lang dijbeen bloot en om haar knappe gezicht golft geen hoofddoek maar een wolk blond haar. En dat is nog maar de buitenkant.

De coffeeshop die Sahar opzette, heet de Ahwah Community. Het blijkt een kleine pijpenla met door haar zelf ontworpen meubels achter een klein terras, net buiten de oude binnenstad. Coffeeshop is overigens een te beperkt begrip. In haar café kun je boeken lenen en ruilen, er treden experimentele bandjes op, er wordt alcohol geschonken en op de toonbank staan collectebussen van goede doelen. Bovendien is de Ahwah Community een van de weinige plekken in Tripoli waar homoseksuelen elkaar openlijk kunnen ontmoeten.

Was het daarbij gebleven, dan was Sahar niet de beroemdheid geworden die ze vandaag in Libanon is. Ook dan was ze ongetwijfeld door conservatieve buren aangesproken en onder druk gezet, maar had ze niet met een pistool hoeven rond te lopen. En dan was ze drie jaar geleden niet in uitdagende kleding voor haar coffeeshop gaan staan om de mannen die haar bedreigden duidelijk te maken dat ook Tripoli niet meer in de Middeleeuwen leeft.

Het verhaal van Sahar Minkara begint in 2009. Na decennia van burgeroorlogen, buitenlandse invasies en vluchtelingenstromen lijkt Libanon klaar voor een nieuwe start. Op dat moment is Sahar een succesvol interieurontwerper met een clientèle in de top van het bedrijfsleven en de overheid. Ze reist de wereld rond en ontdekt dat overal, inclusief de Golfstaten en Saoedi-Arabië, een creatieve klasse is ontstaan. Vaak homoseksueel, doorgaans werkzaam in de muziek, beeldende kunst of reclame en altijd liberaal en kosmopolitisch. Deze klasse, zo merkt Sahar, staat overal in de startblokken om de grote, moderne wereld te omarmen. Behalve in Tripoli, met vijhonderdduizend inwoner de tweede stad van Libanon.

Sahar, zelf opgevoed door atheïstische ouders, met zowel islamitische, christelijke als joodse wortels, is ervan overtuigd dat zich ook in Tripoli zo’n creatieve klasse bevindt. ‘Ik ken zoveel mensen zoals ik. Zo ontzettend veel.’ Maar anders dan in Beiroet, zijn ze in Tripoli onzichtbaar. Sahars Ahwah Community moet en zal dat veranderen.

Inderdaad is de coffeeshop vanaf dag één een daverend succes. Tripoli blijkt helemaal klaar voor de Akwah Community. ‘Bang!’ zegt Sahar. Mensen komen zelf aanzetten met boeken en beginnen die voor andere te ruilen. Er start een leesclub, geld wordt ingezameld voor een kinderkankercentrum en homo’s komen uit de kast. Een Jostiband komt van de grond; mensen met een beperking maken onbekommerd muziek. Sahar: ‘Want iedereen besefte: hier wordt niet geoordeeld. Hier kun je zijn wie je wil zijn.’

Vervolgens arriveert het verzet. Eerst in de vorm van roddels en beschuldigingen. De Ahwah Community zou een broeinest zijn van communisten, van atheïsten en van homoseksuelen die elkaar openlijk zoenen en knuffelen. Geheel bezijden de waarheid is die kritiek niet en Sahar kan ermee leven. Al snel krijgt het verzet een religieuze kleur. Een café als dit past niet bij het islamitische Tripoli. Dáár is Sahar het dus niet mee eens. ‘Bovendien wáren het helemaal geen religieuze moslims die zich tegen ons keerden’, zegt Sahar. ‘Echte vrome moslims laten zoiets gebeuren. Die doen wat zij zelf menen wat goed is, en laten andere mensen met rust. Deze islamisten waren thugs, cynische, berekenende politieke criminelen die hoopten stemmen te winnen door ons als anti-islamitisch neer te zetten.’

Dan gebeurt het onvermijdelijke. Op een avond lopen drie gemaskerde mannen de coffeeshop binnen. Ze dragen machinegeweren en richten die in de naam van de islam op de bezoekers. Wanneer de Akwah Community niet dichtgaat, zullen zij hem wel komen sluiten.

Een dag later zit Sahar op een kruk op de stoep vóór haar coffeeshop. Ze draagt een diep decolleté en heeft haar kortste rokje aan. Aan haar voeten bungelen naaldhakken. Het is een boodschap aan iedereen in Tripoli die meent dat de creatieve klasse er geen plaats heeft.

Natuurlijk is er ook angst. Maandenlang draagt Sahar nog een pistool in haar tas en laat ze zich begeleiden door gewapende vrienden. Maar de coffeeshop is open en blijft open. In Tripoli weet nu iedereen wie Sahar is en waar zij en haar clientèle voor staat. En ik besef weer eens dat achter de façade van islamistisch geweld maar al te vaak ordinaire criminaliteit of politieke berekening schuilgaat. En wat je met simpele burgermoed allemaal kunt bereiken.