Leesclubs

Met het boekenvak mag het dan bergafwaarts gaan, er is één literair fenomeen dat juist aan een grote opmars bezig is. De leesclub. Vorige week was ik er bij eentje die voornamelijk uit hoogleraren bestaat. Een paar maanden geleden was ik er bij eentje die ad hoc geformeerd was door het blad Das Magazin; de leden hadden mijn roman in drukproef gelezen vóór verschijning. Over twee weken heb ik een soortgelijk evenement in Tilburg, en in mei pakt Das Magazin uit met een ware leescluborgie in alle kroegen en andere culturele plekken van Amsterdam: dertig leesclubs op één lenteavond. De helft is al uitverkocht.

Het verschijnsel verbaast me. Ik heb het boek altijd beschouwd als een feest dat je in je eentje ondergaat. Samen praten over hoe goed of slecht je een boek vindt – dat kan, maar het blijft niets meer dan roepen: dit moet je lezen, en als je het gelezen hebt weet je waarom.

Dit weekend was ik in een Rotterdamse boekhandel waar ook Wouter van Oorschot werd geïnterviewd, over Tsjechov, door Wim Brands. Van Oorschot zou het liefst het complete werk van Tsjechov eens in een lange serie marathonuitzendingen op de radio voordragen, vertelde hij. Waarom, was de vraag. Wat is er dan zo goed aan Tsjechov? En hij gaf het enige juiste antwoord, namelijk: ‘Daar zou je allerlei geleerde betogen over kunnen afsteken, maar het lijkt me het beste als ik wat fragmenten voordraag.’ Dat deed hij, en het was meteen duidelijk dat dit werk prachtig is, maar niet waarom.

En toch, ondanks mijn scepsis heb ik het tot nu toe bij al die leesclubs bijzonder naar mijn zin. Je hoort ineens hoe ‘gewone lezers’ boeken tot zich nemen. Die blijken er heel andere interesses en drijfveren op na te houden dan de gemiddelde recensent. De leesclublezers beoordelen een boek domweg op de vraag of ze er al of niet plezier aan hebben beleefd. Ze vertellen welke scènes ze zijn bijgebleven, welke personages indruk maakten en welke wendingen in het verhaal ze ongeloofwaardig vonden. Ze vertellen over de herkenning van een stad of een tijdsbeeld. Ze komen met allerlei schijnbaar irrelevante maar daarom nog niet minder vermakelijke anekdotes uit hun eigen bestaan, die blijkbaar door het boek zijn losgemaakt. Of ze vertellen je recht voor je raap dat ze er niet doorheen konden komen.

Misschien is in die leesclubs te vinden waar het in de bladen en het publieke discours aan ontbreekt: het literaire debat.

In mijn studietijd was ik lid van een literair dispuut in Leiden, dat zo’n twaalf leden had, die bij elkaar kwamen in studentenkamers. Dat was natuurlijk in de eerste instantie een sociaal gebeuren – ik heb er goede vrienden aan overgehouden en indirect ook mijn vrouw – maar intussen ging het ook over poëticale opvattingen, nieuw verschenen boeken, over waarom we een bepaalde stijl waarderen en een andere verafschuwen. En net als bij Plato wonnen de gesprekken aan diepgang en scherpte naarmate er meer wijn werd geschonken.

‘Normaal gesproken beginnen we bij onze leesclub altijd met een half uur waarin we de laatste roddels uit de academische wereld doornemen’, zeiden de hoogleraren bij wie ik op bezoek was (ik belandde daar via familie). ‘Daarna hebben we het een uurtje over het boek, en als de wijn open is, gaat het alle kanten op.’

Zo gaat het ongeveer overal. En die laatste fase blijkt bij elke leesclub verreweg het boeiendst.

Het literaire debat heeft zich grotendeels uit de gedrukte wereld teruggetrokken. Je ziet eigenlijk nooit dat na het bespreken van een roman er verschillende andere stukken volgen als reactie, over de stijl, over de vorm, over de personages, over de plaats van het boek in de grotere context, waarna er voor- en tegenstanders aan het woord komen, enzovoort. Je ziet kortom zelden dat een literair werk daadwerkelijk lééft. Het blijft vaak bij signaleringen, het navertellen van het verhaaltje (altijd het minst interessante aan een boek), afgesloten met een applausje of een bestraffend vingertje, in het slechtste geval zelfs vergezeld van een advies aan de schrijver, die in een volgend boek beslist iets moet nalaten of juist aandikken.

De plaats waar een boek lééft (dat wil zeggen: waar het werkt, zich ingraaft, van alles los weet te woelen, et cetera) heeft zich verplaatst naar huiskamers, studentenkamers, cafés.

Mijn studentendispuut had dat vijftien jaar geleden al door. Nu dringt het ook door in de rest van het land.