Wat gebeurt er met de democratie als burgers niet meer lezen? Deze vraag dringt zich op na (weer) een onderzoek van de Onderwijsinspectie waaruit blijkt dat de leesvaardigheid in Nederland achteruit is gegaan. Van kinderen die de basisschool afronden ‘heeft slechts de helft een taalniveau waarmee zij zich kunnen redden in de maatschappij’, terwijl de nationale ambitie is dat zij dat dan allemaal hebben. Het zijn alarmerende cijfers, maar voor wie het onderwerp langer volgt, bijvoorbeeld door de artikelen van Yra van Dijk en Marie-José Klaver over ‘de leescrisis’ in De Groene te lezen, is het bijna geen nieuws meer. Een op de zes Nederlanders (2,5 miljoen burgers) heeft moeite met lezen en schrijven en het begrijpen van langere teksten. Een kwart van de vijftienjarigen loopt momenteel het risico laaggeletterd te blijven. Boeken lezen doen we allemaal minder, ook leraren lezen weinig.

‘Politici moeten over de bal heen kijken’, zei burgemeester Femke Halsema recent in de NRC-podcast Het uur. Even schoot ze in de lach om de voetbalanalogie, kennelijk houdt ze daar niet van, maar over het onderliggende punt was ze bloedserieus. Langetermijneffecten, op basis daarvan zouden politici hun beleid moeten evalueren. Bereiken we wel wat we willen? Hoe doen we het in vergelijking met andere landen, zijn er alternatieven denkbaar?

Ze heeft gelijk. Politici zonder enige toekomstvisie onderschatten, onder meer, het belang van constante aandacht voor het onderhoud van het sociale domein en de welvaartsstaat. Dat is niet alleen funest voor het welzijn, maar ook voor het hooghouden van burgerschap en democratische waarden. En met het aanbreken van 2023 lijkt vriend en vijand het erover eens: de Haagse politiek is afgelopen decennia nauwelijks gehinderd geweest door oprechte zorgen over later, of het nu over stikstof, ongelijkheid, virusuitbraken, de woningmarkt, vluchtelingenopvang of lerarentekorten ging (deze lijst kan nog langer).

De verwaarlozing van sommige politieke dossiers kan wellicht hersteld worden met wat crisismanagement. Maar met bepaalde maatschappelijke kwesties, zoals generaties burgers die niet goed kunnen lezen en het structureel verbeteren van onderwijs, ben je niet zo snel terug op het benodigde niveau. De slecht lezende generaties hebben inmiddels geen leerplicht meer, een onderwijscultuur heeft wortel geschoten, het domein is moe van de zoveelste ‘vernieuwing’.

Het leesvraagstuk vergt daarom veel meer, denk ik, dan gewoonweg veel geld in de huidige structuren pompen. Een langetermijnvisie van de overheid is nodig. Nederlandse jongeren behoren tot de minst gemotiveerde lezers ter wereld. Wat gaan we eraan doen?

We moeten de vermogens van ons brein blijven trainen, net als spieren

In deze visie verdient de relatie tussen lezen en het functioneren van de democratie aandacht. In de inleiding van de recent verschenen bundel over de Nederlandse leescrisis, Omdat lezen loont, staat: ‘Burgerschap en geletterdheid gaan hand in hand.’ Bij functionele geletterdheid is dat evident. Wie niet goed kan lezen en schrijven kan lastiger informatie vinden en tot zich nemen, begrijpt brieven van de overheid niet en heeft moeite met het vinden van werk. Taal biedt toegang tot veel sociale werelden, (carrière)kansen en emancipatie. Laaggeletterdheid is bovendien een probleem dat lastig te doorbreken is: wie niet goed leest, kan teksten slechter plaatsen, schaamt zich vaak ook – dit alles maakt lezen er niet leuker op.

Uiterst belangrijk, maar er is meer. Ook cruciaal is wat Maryanne Wolf, hoogleraar en onderzoeker naar ‘het lezende brein’, aanduidt met ‘cognitief geduld’: het vermogen om geconcentreerd en op aanhoudende en verdiepende wijze aandacht te besteden aan iets. Cognitief geduld is nodig voor inzicht in complexiteit, reflecteren op ideeën en waarden, het combineren van informatie, creativiteit en fantasie, zelfkennis, synthese – en daarmee vooruitgang, waaronder democratische vooruitgang. (Het is geen toeval dat slechte lezers vatbaarder blijken voor complottheorieën en nepnieuws.)

In haar werk laat Wolf zien dat wat zij ‘diep lezen’ noemt – langdurig verzonken zitten in een boek of lange tekst (zonder, bijvoorbeeld, steeds je telefoon te checken) – een uitstekende manier is om dit vermogen te oefenen. Daarnaast laat zij zien dat de mens genetisch niet uitgerust is op cognitief geduld of het vermogen tot lezen: diepe reflectie en geletterdheid zijn menselijke innovaties geweest en komen voort uit de ‘plasticiteit’ van ons brein. Dit betekent dat we deze vermogens van ons brein moeten blijven trainen, als spieren. Anders verdwijnen ze.

Ontlezing heeft dus bredere gevolgen dan dat steeds minder Nederlanders kunnen lezen. Met de ontlezing verliezen we, zeker in een tijdperk van digitalisering die een aandachtseconomie voortbracht, een vaardigheid die geïnformeerd democratisch debat en kritisch burgerschap ondersteunt: diepe concentratie. Een veelgehoorde tegenwerping is dat films of series toch ook gerichte aandacht kunnen vragen. Dat is zeker waar, maar zoals schrijfster Roxane van Iperen zegt: ‘Een goede film vertelt je iets, een goed boek vraagt je iets.’ Het is daarom te hopen dat Nederlandse politici nog voldoende cognitief geduld bezitten om vooruit te denken. Het tij moet gekeerd. Niet alleen functioneel lezen, maar ook diep lezen moet hoog op de politieke agenda gezet.