Leeuw in hemd

Door al die heisa om Poetry International heen zou je bijna vergeten dat er ook nog een wereldkampioenschap voetbal gespeeld wordt. Ik heb me er weer flink aan geërgerd, die hysterische aandacht van de pers voor buitenlandse dichters als Craig Raine en David Malouf, de hijgerige interviews over hun werk en het programma van die avond, het loze gebabbel, de experts met hun eindeloze theorieën en analyses achteraf, en dat terwijl ons eigen Nederlands voetbalelftal in Frankrijk in vrijwel totale mediastilte de meest fan-tas-tische wedstrijden speelt.

U zat natuurlijk allemaal in de Rotterdamse schouwburg afgelopen week, dus ik zal het maar even vertellen: tot afgelopen zaterdag ging het niet heel goed met Nederland, er werd in de wedstrijd tegen België zelfs een speler, Patrick Kluivert, uit het veld gestuurd. (Waarom heeft niemand ooit van die man gehoord? En waarom heeft de humorloze Sloveense dichter Boris Novak wél sterrenstatus, en wordt elke wind die hij laat gretig opgesnoven door de pers?)
Problemen dus voor de Nederlandse voetbalcoach Guus Hiddink, een vriendelijke besnorde man die wel wat weg heeft van Jirzí Obstat Gedächtniskirche, de beroemde Tsjechisch/Zwitserse rondeeldichter, die we ons natuurlijk nog herinneren van zijn legendarische optreden op het Edinburgh-festival, vier jaar geleden.
Ik blijf het onbegrijpelijk vinden dat de poëzie zo veel aandacht krijgt, terwijl het voetbal, dat toch voor veel mensen minstens even belangrijk is als het lezen of schrijven van gedichten, zich altijd moet behelpen met een hoekje in de krant.
Minstens zo pijnlijk is het, voor de ware voetballiefhebber, als verdienstelijke voetballers gedichten gaan schrijven. Iemand als Henk Spaan, van wie bijna niemand weet dat hij ooit schitterde in diverse café-elftallen, publiceerde twee bundels met voetbalpoëzie en heeft daarna nooit meer een bal raak geschopt.
De afgelopen weken, waarin de ene na de andere legendarische wedstrijd ongezien voorbijging (Kameroen-Oostenrijk!) heb ik veel aan mijn vader gedacht. Wat zou mijn leven anders geweest zijn als hij mij niet had gedwongen tot het dagelijks schrijven van limericks en ballades, als hij niet mijn eerste bundeltjes uit eigen zak had gefinancierd en me had meegesleurd naar voorleesavonden van grote dichters. Wat zou er gebeurd zijn als ik niet een typmachine van hem cadeau had gekregen maar een paar kicksen, en een lidmaatschap van Ajaks en Feienoord, of hoe die clubs ook mogen heten? Dan was ik nu misschien wel voetballer geweest.
Goed, ik ben een bekend dichter, ik verdien, sinds ik weggekocht ben door een nieuwe uitgever, anderhalf miljoen per jaar aan de verkoop van mijn bundels (niet meegerekend inkomsten uit reclame en sponsorcontracten), maar wat heeft het allemaal te betekenen? Ik ben een van de beste dichters ter wereld, ik ben vergeleken met Byron, Shelley en T.S. Eliot, grote namen uit het verleden. Maar het voelt oneerlijk. Volgend jaar word ik weer bekroond en komt er een verzamelbundel en staan alle kranten vol met besprekingen van mijn werk, maar de namen der grote voetballers, die weet straks niemand meer.