Ger Groot

Leeuwerik

Wie zo goed als niets van vogels weet, voelt een zekere schaamte wanneer hij hoort spreken over de sprankelende melodie van de leeuwerik en diens gewoonte te zingen onder het vliegen, niet zittend op een tak. Geen idee hoe die sprankeling klinkt, en nooit stilgestaan bij de vraag of vogelzang gebonden is aan een soortbepaalde plaats. Maakt die vreemde leeuwerikgewoonte iets uit? In ieder geval wel voor mythenbedenkers en vóórstadse dichters, die in de leeuwerik hun eigen levensjubel en godsverlangen herkenden.

Ooit heeft Ton Lemaire me de zang van de leeuwerik laten horen. Het was voorbij voordat ik begrepen had dat er iets te horen viel. Op onze ochtendwandeling rond zijn Zuid-Franse boerderij vertelde hij over zijn fascinatie voor vogels en zijn voornemen een boek te schrijven over hun aanwezigheid in de menselijke culturen. Een eerste hoofddeel daarvan is nu verschenen, in een liefdevol uitgegeven boekje dat niet toevallig De leeuwerik heet (Ambo). Muziek, schilderkunst, volksverhalen en vooral poëzie getuigen erin van de betekenis die het vogeltje eeuwenlang heeft gehad.

Voor Lemaire is dat geen verleden tijd, al is hij niet optimistisch over de toekomst. Maar in De leeuwerik jubelt hij mét zijn vogel over een schepping waarvan de dreigende teloorgang zijn verrukking niet mag weerspreken. Hij wordt in dit boekje zijn eigen leeuwerik: een vogel die in de volksmythologie zowel Gods lof zingt als de hemelpoort voor zich gesloten ziet omdat de lyrics van zijn zang klinken als een Franse vloek. Ook op onze ochtendwandeling werd Lemaires opgetogenheid al ruw verstoord door brommers in de verte.

Tegen alle klippen op zingt de leeuwerik het geluk uit dat in dit boek zelfs de stijl van Lemaire vleugels geeft. Het poëtische is aanstekelijk, in de nabijheid die dichters jegens de leeuwerik vaak hebben gevoeld. Lemaire draait het om en maakt van het dier zelf een dichter: een lyrische vogel, zoals hij hem in zijn ondertitel noemt. En daarin wil hij het niet laten bij een metafoor. Waarom zingt de leeuwerik eigenlijk? De biologische verklaringen van partnerkeuze en gebiedsdrift zijn hem niet genoeg.

Daar wordt het hachelijk, want analogie en symboliek aanvaarden wij niet meer als geldige verklaringen. Dat de leeuwerik zingt uit dezelfde vreugde als de onze klinkt romantisch en antropocentrisch tegelijk: de doodzonden van een modern en wetenschappelijk wereldbeeld. Een lyrische vogel is mooi, maar dan wel als dichterlijke projectie, niet helemaal ernstig op te vatten.

Maar Lemaire trapt de biologie trefzeker op haar staart. Tenslotte weet ook zij niets van het innerlijk van de dieren die zij bestudeert. Zij sluit de vreugde en haar expressie a priori uit ten gunste van een verklaring op grond van praktisch nut, maar vergeet daarbij haar eigen schatplichtigheid aan een cultuur die het nut zelf als ultieme waarde gekozen heeft. Dat levert een mooi en afgerond wereldbeeld op, maar ten koste van de weggesneden randjes die alleen nog terug mogen komen als lyrische versiering. Wat de wetenschap plaagt is niet langer een horror vacui maar de angst voor het surplus, in een wonderlijke medeplichtigheid met het economisch geloof in schaarste, efficiëntie en besparing.

Even elegant zeilt Lemaire om het verwijt van antropocentrisme heen. De vogel een dichter? Het dier is onbegrijpelijk anders, merkte Wittgenstein op, conform een moderne communis opinio: «Zelfs als we de wereld van een leeuw zouden kunnen kennen, zouden we haar niet begrijpen.» Maar even vanzelfsprekend poneren we — biologisch en medisch — de continuïteit tussen mens en dier, antwoordt Lemaire. Waarom dan niet moreel, in de breedste zin van het woord? Niet de mens is het crite rium, maar de verwantschap van het leven.

«Devenir-animal» noemde de Franse filosoof Gilles Deleuze dat ooit. Zelfs dat is niet zonder problemen, want de mens is een vleesetend dier zonder de compassie die Lemaire graag bij hem zou zien. Verlicht en kosmopolitisch is zijn boek dus óók, in zijn verlangen naar een zeer moderne bio-ethiek. Het lied van de leeuwerik moeten we beurtelings wél en niet verstaan: natuur wezens zijn en onszelf daarin tegelijk moreel corrigeren. De stadsmens in mij lukt dat vooralsnog maar half, en niet zeer consequent.