Leeuweriken staan voor iets

Een koolmees is best een lief en braaf vogeltje, maar hij betékent niets. Hij is er altijd. De leeuwerik daarentegen…

Eerst is er mijn huis. Achter het huis is een heuvel, het huis staat er zelfs half in. Dan volgt een stuk bos dat van mij is. Ik heb er onlangs bosbeheer in uitgevoerd: vele beuken omgezaagd en nieuwe boompjes geplant, waaronder één iep (die zie je hier niet) en drie tamme kastanjes. Voorbij mijn bos het bos van de mensen van nummer 9. Die zijn er nooit, het is namelijk de dochter van de voormalig bewoonster, en die woont in Keulen. Ze is dik in de tachtig, haar man is zelfs al 92. En die moeder is een jaar of tien geleden overleden, kun je nagaan. Toch willen ze het huis houden, om er eens in de maand een beetje in en omheen te ‘rommelen’ en het gras te maaien. Er loopt een pad door het bos, in de verte zie je een poort: daar is een gat in de bomenrij. Alles steeds omhoog; de heuvel houdt nog lang niet op. Mijn hond Jasper houdt erg van het bos. Als hij blij is, heeft hij daar hopen afgevallen blad om in rond te springen en alle kanten op te frotten met zijn lange poten. Ik hou vooral erg van de weide die achter het bos begint.

Daar zitten namelijk leeuweriken. Heel vroeg in het jaar al. Ik heb niet heel veel verstand van vogels, maar ik stel me zo voor dat een leeuwerik een trekvogel is. Ik heb hem in Nederland in elk geval altijd bij uitstek als een zomervogel gezien. Zie ik een leeuwerik, dan gaat mijn gemoed zoals hij vliegt: hoger en hoger, en steeds maar blijven kwinkeleren en dan ineens, pijlsnel, weer naar beneden. Mijn gemoed slaat dat laatste over. De laatste leeuwerik die ik in Nederland hoorde, was in de Slufter op Texel. Jaren geleden. Mijn moeder was daar ook bij en ik hoorde haar maanden later tegen een vriendin zeggen dat ze een leeuwerik had gehoord in de Slufter. Zo speciaal is dat dus al.

Nóg langer geleden heb ik een leeuwerikennest gevonden, in de duinen bij Noordwijk. Door heel goed naar het vogeltje te blijven kijken. De eitjes waren donkergrijs. Voor mij zijn leeuweriken in Nederland uitgestorven. Het is niet zo, dat weet ik ook wel, maar als ik ze niet zie of hoor, is het ergens wél zo. Hier, achter mijn huis, op de heuvelige weide bestaan ze nog. Ik begrijp ook wel waarom. Een tijd terug al heeft de boer stront uitgereden over zijn land. Nu ligt het er zomaar. Nooit zie ik er koeien weiden. Er wordt laat gemaaid en gehooid. Vogels hebben alle tijd en rust om een nest uit te broeden. Ik snap werkelijk niet waarom die tureluurs en grutto’s uit Waterland niet hierheen komen. Misschien moet iemand een actiegroep oprichten?

Vroeger. De rechthoekige stukken land achter de boerderij. Een fletspaars waas van late Pinksterbloemen. En de leeuweriken. Op je rug in het gras liggen, kijken naar vogeltjes die al niet groot zijn, nogal onaanzienlijk zelfs - er zit geen rood of blauw of geel aan - en die steeds kleiner worden. Maar je bleef ze horen, zelfs als je al niet meer kon zien. En dan langzaam opstaan, de polsstok pakken, en verder springen, sloot na sloot, tot we bij de Oostpetter Vaart kwamen en daar viel niet overheen te springen. Leeuweriken maakten de zomer, net zoals gierzwaluwen zomer zijn. Ik denk dat ik van alle vogels het liefst leeuweriken, gierzwaluwen en boeren- danwel huiszwaluwen heb. Die staan voor iets. Een koolmees is best een lief en braaf vogeltje, maar hij betékent niets. Hij is er altijd. Net als roodborstjes, boomklevers en wat niet al. Als je een mus ziet, zal je nooit eens denken: 'Verrek, is het nu al weer…’ Vogels die, als je ze ziet of hoort (kraanvogels!), iets in- of uitluiden, zijn alleen al daarom speciaal.

Ik zag en hoorde een week geleden de eerste huiszwaluwen. Ik werd blij. Die kunnen zo lief kirren en druk vliegen. Altijd maar op jacht naar mugjes. Mugjes die er alleen zijn als de temperatuur een bepaalde hoogte haalt. Met mijn vader en een vriend in Amsterdam heb ik elk jaar een gierzwaluwencompetitie. Wie ziet de eerste, heel simpel, en er is geen prijs aan verbonden. Het rare is dat we geen competitie doen als ze vertrekken, zo'n 101 dagen later. Maar dat is natuurlijk nauwelijks te doen. Iets wat er eerst niet was, valt op; iets wat ineens weg is, mis je pas een paar dagen of zelfs weken later. Een tikje treurig word ik ervan, als die ankerzeilers weer naar Afrika vertrekken. Maar aan de andere kant ook wel weer opgewekt, omdat die totaal overbodige maand augustus, die ene maand die de zomer altijd verpest, niet lang meer zal duren. Voor je het weet, is het herfst en je knippert een paar keer met je ogen en er vliegen duizenden kraanvogels van Noord naar Zuid.