MUZIEKTHEATER: Holland Festival

Lege huls

Ergens kort voor het einde van de opera Waiting for Miss Monroe is Marilyn ten einde raad en roept het beeld op van het veelbelovende negentienjarige meisje Norma Jeane, dat zij eens is geweest, voordat zij de naam kreeg waar zij beroemd mee werd.

Marilyn probeert haar jonge alter ego te waarschuwen voor de toekomst en af te houden van het met glitters bestrooide pad van een succesvolle filmster: ‘Je wordt een sekssymbool/ En je eindigt als een lege huls/ Een masker waar niks achter zit/ Ik weet dat.’

Dat zijn wijze woorden, maar het is ook enigszins het probleem dat deze nieuwe Nederlandse, maar Engelstalige opera in de weg zit. Het imago van de blonde, oppervlakkige seksgodin is zo sterk dat de ongelukkige, eenzame vrouw nog wel kan doorschemeren, maar dat je daarachter nauwelijks iemand zou kunnen vermoeden met talent, met kracht, met interesse in de literatuur en in de wereld.

Toch was dat de bedoeling van de ervaren dramaturge Janine Brogt (1947), die een intrigerende tekst heeft geleverd. Maar het paradoxale is dat een combinatie van sterke vrouwen hier toch geen sterk vrouwenkarakter heeft opgeleverd. Of liever: dat ik uiteindelijk meer naar het imago dan naar de mens heb gekeken. De jonge regisseuse Lotte de Beer heeft nauwgezet de sfeer van de jaren vijftig en begin jaren zestig weten op te roepen. De Amerikaanse sopraan Laura Aikin weet de filmster verbluffend mooi neer te zetten en te zingen. Maar juist daarom is het voor ons moeilijk door dat erotische, behaagzieke en dan weer ongelukkige pantser heen te kijken.

Enige moeite had ik met de muziek van de jonge Nederlandse componist Robin de Raaff (1968), toch het belangrijkste onderdeel van een opera. Zijn idioom zou je, geloof ik, neomodern of structuralistisch kunnen noemen. Hij laat zich inspireren door de moderne, atonale muziek van Alban Berg en Arnold Schönberg en spreekt niet direct tot het gevoel. Als hij hier soms op het eerste gehoor chaotisch en kakofonisch aandoet is dat wel functioneel om de verwarring van de hoofdpersoon aan te duiden, maar hij maakt het Laura Aikin en haar toehoorders wel heel moeilijk door haar partijen zo enorm hoog te plaatsen. Toch vind ik het geweldig dat hij van festival- en operadirecteur Pierre Audi de kans krijgt zich te blijven ontwikkelen, na zijn debuut, de opera Raaff uit 2004.

Gemakkelijker had ik het met een andere jonge Nederlandse componist, Micha Hamel (1970) op wie dit Holland Festival een speciale focus richt. Later in het festival zal zijn interdisciplinaire voorstelling De rode kimono in wereldpremière gaan. Nu al konden we genieten van de wereldpremière van Requiem, heel toepasselijk in de voormalige kerk de Duif in het centrum van Amsterdam. Micha Hamels inspiratie is de onbekommerde muzikale sfeer uit de jaren zestig toen allerlei muziekvormen door elkaar werden gespeeld en improvisatie, experiment, muziektheater in allerlei soorten aan de orde van de dag waren. Later noemden we die tijd postmodern.

Micha Hamel citeert in zijn Requiem naïef en met grote vreugde uit de muziekgeschiedenis, hij laat zijn musici, zanger Marcel Beekman en acteur/ceremoniemeester Porgy Franssen, constant bewegen door alle ruimtes van de kerk, inclusief balkons en cryptes en voorportaal, en vertelt intussen een intens droevig verhaal over de dreigende dood van de cultuur in Nederland. Dat doet hij aan de hand van een stuk of twintig beroemde ‘laatste woorden’ van schrijvers, wetenschappers, componisten en politici, waar hij toepasselijke maar zeer gevarieerde muziek bij componeert, en dat alles wordt bijeengehouden door een grote, aansprekende muziekvreugde die zich niets van structuren en stromingen aantrekt. Zou je dat neopostmodernisme mogen noemen?

Waiting for Miss Monroe, t/m 16 juni in de Stadsschouwburg, Amsterdam. De rode kimono van Micha Hamel, op 18 en 19 juni in Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. www.hollandfestival.nl