Lege muur

Op 25 Vendémiaire in het jaar 2, tegenwoordig noemen we dat 16 oktober 1793, trekt een stoet ‘sansculotten’ door de straten van Parijs, voorop tien rijen trommelaars, daarachter ‘volksregimenten’, daarna pas gerecruteerde soldaten die onder andere de buste van volksheld Marat dragen. Op het plein voor het Louvre zijn twee sarcofagen opgericht met daarop twee en, allebei van David. Een daarvan is het schilderij van de vermoorde Marat in bad, nu in het Louvre, tulband rond het hoofd gewikkeld, brief in de hand geklemd, pen ligt op de grond, bloed druppelt langs zijn lichaam. Het volk mag het schilderij zien. Een paar uur daarvoor, op een andere plaats, is Marie-Antoinette onthoofd.

Ik lees dit in Farewell to an Idea van T. J. Clark, een lijvig en prachtig boek over het modernisme in de schilderkunst. Clark geeft een huiveringwekkend beeld van de Jacobijnse twisten in deze periode. Marat is een paar weken daarvoor vermoord, hij is volksheld nummer een, we leven aan de vooravond van de Terreur, fracties bestrijden elkaar, koppen rollen al, om het minste kun je gevangen worden gezet, het gebruik van het woord ‘Vous’ alleen al is verdacht, afgevaardigden weten niet welke kleding ze moeten dragen. Is een hoed verdacht of mag het weer? Ben ik volks genoeg? Een rouwtoespraak over Marat in de Conventie wordt bekritiseerd omdat iemand hem met Jezus vergelijkt, over godsdienst moet gezwegen.
Is Marat wel de held waarvoor het volk hem houdt?
In de hogere echelons fluis tert men over verraad, ver keerde vrienden, omkope rij. David kreeg de opdracht Marats doodspose te schil deren en Clark laat in een adembenemend betoog zien dat het schilderij een demonstratie is van de onzekerheid van die tijd. David was Jacobijn, zat in de Conventie, was tijdens het schilderen niet meer overtuigd van Marats dienstbaarheid aan het volk maar durfde dat niet te laten zien. Hij schildert er de nieuwe jaartelling op, 'l'an deux’, het tweede jaar, de oude telling was kort daarvoor afgeschaft maar voor de zekerheid schilder de hij er ook, weliswaar vaag, de getallen van de oude telling op, 1793. Je kunt maar niet weten. Uit voerig gaat Clark in op de tekst van de brief die Marat in zijn dode hand klemt, ieder woord is zorgvuldig gewikt en gewogen, er staat wel 'votre’ maar niet met een hoofdletter, hoofdlet ters zijn afgeschaft. Wat staat er precies? Staat er 'Patrie’, was dat wel een toegestaan woord? David maakt het uit voorzorg onleesbaar. Dit is een schitterend boek, ik ben nog maar op pagina 42 en wil zo snel mogelijk doorlezen. Clark roept dit schilderij uit tot het eerste modernistische kunstwerk omdat hierop voor het eerst onzekerheid is meegeschilderd. Doods angst. Omdat de lege muur op het schilderij boven Marat ook werkelijk leeg is, dit is geen wand waaraan toevallig niets hangt, dit is een inhoudsloze plek die vroeger opgevuld zou zijn met tekenen van de soeve reiniteit van de koning (een wandschildering, een buste, een sierlijk ornament) maar die nu leeg is omdat David het niet aandurft de 'volks soevereiniteit’ van een inhoud te voorzien. Het kan hem zijn kop kosten.