Leger der verdoemden

Op de trottoirs liepen oude mannen met witte baarden, soldaten, maar ook ‘jeugdige krullebollen met kleurige overhemden, spijkerbroeken en witte pantalons, vuile kinderen op blote voeten, vrouwen met een tsjador en roomblanke, zwartharige jonge vrouwen met korte spijkerrokjes en luchtige blouses’.

Toen Oleg Jermakov (1961) dit schreef, zal hij niet voorzien hebben hoe het straatbeeld in datzelfde Kabul er anno 1996 uit zou zien. Maar naar de verhalen te oordelen hield hij zich, net als de soldaten die erin voorkomen, nauwelijks met de inwoners bezig, met de bondgenoten noch met de tegenstanders. Om iets over de Russische oorlogsperiode in Afghanistan te weten te komen, hoef je deze verhalen niet te lezen. Het doet er niet eens zoveel toe dat de schrijver er zelf drie jaar als soldaat gelegerd is geweest. Zoals bijna alle frontverhalen, uit welke oorlog dan ook, laten ook deze verhalen zien hoe verschrikkelijk klein de wereld van een soldaat is.
Dit boek gaat over het soldatenleven, een gesloten kastensysteem met speciale wetten. Drie kasten zijn er, de sijzen, putsen en knarren, die respectievelijk een half jaar, een jaar en anderhalf jaar dienst achter de rug hebben. Erbuiten vallen de jonkies, van wie sommigen eeuwige jonkies blijven, als vogelvrijen mikpunt voor iedereen, en de demobielen, die op het punt staan af te zwaaien. Al die stadia komen in de verhalen aan bod. In het eerste kan een jongen, twee paar dagen voor zijn vertrek, afgaande op wat kranten schrijven, zich nog afvragen wat de Russen daar in het oosten deden, of ze ‘daar nu oorlog voerden of bomen plantten en kleuterscholen bouwden…’ De titel van het volgende verhaal zegt al genoeg, 'De vuurdoop’. Al gaat het telkens om soldaten met verschillende namen, ze delen dezelfde ervaringen: in de loeihete zandstorm op de steppe denken ze aan een ingesneeuwd Russisch dorp, ze dromen nauwelijks van iets anders dan van een behouden terugkeer, raken de kluts kwijt als er echt wordt gevochten - wat in het boek zelden voorkomt - en hebben het er vooral druk mee zichzelf in de pikorde te handhaven. Dat ze deel uitmaken van een Legioen der Verdoemden, is pas een besef achteraf, op afstand, wanneer de soldaat op dat alles terugblikt: 'die hele roes en waan van de militaire kameraadschap in de strijd’.
Behalve allerlei details, vertellen de verhalen weinig nieuws; stilistisch zijn ze vrij vlak. Jermakov is wel heel precies in zijn observaties, maar dan meer in zijn beschrijvingen van kleuren en geuren (onder meer van stof) dan van mensen. Alle verhalen lijken te leiden naar het laatste verhaal dat dan ook 'Laatste verhaal over de oorlog’ heet. Van de teruggekeerde soldaat wordt gezegd: 'Hij zat barstensvol oorlogsverhalen. Ze zwierven door hem heen als granaatscherven.’ Hij wil het laatste oorlogsverhaal schrijven, dat als een magneet 'alle scherven uit alle wonden zou trekken’. De alsem die hij overal in Afghanistan rook, is even bitter als de gal waarin hij nu zijn pen doopt. De bevelhebbers mochten dan doen of ze alle verantwoordelijkheid op zich namen, het kwam uiteindelijk allemaal op hem neer.
Wat is nu dat andere boek waarvan hij droomde? Hij heeft het gelezen, clandestien, toen hij als 'jonkie’ de opdracht kreeg een Leninkamer in het legerkamp in te richten? Het was een boek van Paustovski, na lezing waarvan hij midden in de oorlog geen raad weet met zijn voorliefde voor besneeuwde bergtoppen en verlaten steppen, waar hij - of is dat pas achteraf? - 'de bron van de menselijke tijd, de bron van alle religies, van het hele wereldbestel, van de kosmos’ ontdekt. Waarover schrijft hij na terugkeer? Over de oorlog, hij kan niet anders, maar dan vooral over de oorlog als een beletsel om het gewenste boek te schrijven.