Leider

De docent – ‘Zeg maar Tom, jongens’ – had in lokaal 34 zijn schoenen uitgetrokken. Hij zat liggend op zijn bureau en rookte een sigaret. De asbak stond anderhalve meter verder en hij wierp zijn as erheen die natuurlijk nooit aankwam, maar sierlijk door de lucht dwarrelde. Hij had net verteld over Hitler en het fascisme en zei: ‘En dus moeten we nooit meer een charismatische leider willen.’

‘Nooit meer’, herhaalde ik zachtjes.

Ik wilde later ook zo’n leraar zijn – op wie alle meisjes dolverliefd waren. Ondertussen keek ik naar de portretten van Mao, Che Guevara en vermoedelijk ook Sartre die in dat lokaal hingen.

Tom was zelf zo’n charismaticus, maar dat zag ik pas later.

Nadat hij een leerlinge zwanger had gemaakt en van school verwijderd werd – ik had toen al mijn eindexamen gedaan – heb ik nooit meer iets van hem gehoord. Stom toevallig hoorde ik vorige week dat de thans 66-jarige Tom al 25 jaar in Zuid-Frankrijk woont en last heeft van Bechterew. Hij woont daar samen met een vrouw en samen beheren zij een bed-and-breakfast-maison. Zijn eerste vrouw en kind bezoeken hem af en toe in de vakanties. Dit terzijde.

Toen ik over hem hoorde, schoot meteen die zin in mijn gedachte: ‘Nooit meer een charismatische leider.’

Hebben we die toestand nu niet bereikt?

Ik weet dat voor sommigen Pim Fortuyn charisma had, zoals Wilders dat nu ook heeft. Maar hun charisma heb ik nooit gevoeld. Het charisma van Hitler en Churchill moet, als ik de boeken over ze lees, vele malen groter zijn geweest. Zij bezielden volkeren.

Even leek het erop dat Obama een heilige zou worden. Maar zijn charisma heeft hij in de Abu Ghraib-gevangenis verloren.

Gek genoeg ken ik geen ware charismatische leiders. Ik ken zelfs geen charismatische persoonlijkheden.

Zouden ze niet meer bestaan, of ben ik er ongevoelig voor geworden?

Terwijl ik dit schrijf, speelt mijn computer een oud nummer van Bob Dylan. Dylan had voor mij charisma. Ik wilde hem vroeger zijn! Ik deed hem, voorzover ik dat kon, na. Ik hield van zijn muziek, al begreep ik de helft van zijn teksten niet. Dat gold, later, ook voor Sartre en Gerard en Karel (van het) Reve. Maar nu ik ouder ben, is het charisma van de charismatici gestript. Ik hoef Dylan niet meer te ontmoeten. Ik ga zelfs niet meer naar zijn concerten. Hij doet tegenwoordig maar wat.

Als ik oude filmpjes zie waarop Hitler is te zien, dan zie en hoor ik hem schreeuwen. Mijn grote raadsel bleef: waarom liepen zoveel mensen achter hem aan? Ik weet nu dat er twee redenen voor zijn: men dacht ongeveer zoals hij, en hij won. Dat is het tautologische wat charismatici moeten hebben. Ze winnen door hun charisma en ze hebben charisma doordat ze winnen.

Sommige jonge moslims zijn gevoelig voor bepaalde imams die ze oproepen naar Syrië te vertrekken om te vechten. Maar als die jongens verliezen, dan zouden die imams toch hun charisma moeten verliezen… Zou je zeggen.

We vrezen dan hun wraak. Dat ze toch nog iets willen doen om te winnen. Iets zelfmoordachtigs.

Soms hoor ik mensen klagen dat we geen echte leiders meer hebben. Er wordt geen horizon meer geschetst, geen toekomstvisie ontvouwd, en daardoor zou men niet meer weten waar we heen gaan.

Eerlijk is eerlijk: onze kleurloze minister-president is precies de leider die ik wil.

Maar men wordt er hier angstig van, terwijl het juist een grote bevrijding zou moeten zijn.

Ik wil uiteindelijk docent Tom. Vermoedelijk is zijn leven niet gegaan zoals hij wilde. Ik gun hem dat de Franse zon zijn botten verwarmt.

Maar ik heb destijds meer van hem geleerd dan hij vertelde.